Schrijver van de maand Maart 2018 ( afsluiting ) : Nils Visser

Schrijver van de maand (afsluiting): Nils Visser

Die Staart van Maart
Maart roert zijn staart? Het is meer de heftige zwiep van een reusachtige krokodillen staart dan een vriendelijke kwispel. Hier aan de ‘zonnige’ zuidkust van Engeland heeft de winter lang doorgezet. Een ijskoude wind die dwars door alles heen waait, wit spul dat uit de lucht blijft dwarrelen, en mogenlijk zelfs een wit Paasfeest voor de boeg.
Dit betekent dat ik om de haverklap extra ben ingezet in diverse noodopvang centra, officieel voor mijn werk en onofficieel als vrijwilliger. Ik ben sinds februari nauwelijks thuis geweest, en als ik er dan eindelijk weer eens was, lag ik voornamelijk te maffen om het chronische slaapgebrek enigzins te compenseren. Hierdoor is helaas ook mijn intentie om flink veel te bloggen als auteur van de maand gesneuveld. Mijn oprechte excuses.
De woningnood is hier kritisch. Er worden nauwelijks woningen bijgebouwd in de sociale woningbouwsector , en veel van wat er was is verkocht in het kader van privatisering. Combineer dat met heftige bezuinigingen op allerlei andere sociale voorzieningen en het is helemaal feest. In Brighton hebben we meer dan twee honderd daklozen die op straat slapen, in het hele land loopt dat aantal op naar de tienduizend. Daarnaast zijn er honderduizenden mensen in tijdelijke woningen, waaronder 120,000 kinderen. “Tja, maar dan hebben ze immers een dak boven hun hoofd” gaat echt niet op. Hele gezinnen wonen met vier, vijf mensen, in 1 enkele kamer in bed & breakfasts. Hordes mensen worden in oude (van ellende uit elkaar vallende) panden gezet die slimme huurbazen nauwelijks onderhouden, maar waar ze wel al snel 250 euro per inwoner per week ontvangen. Er valt goed te verdienen aan massale ellende.
Als mens is het schrijnend om mee te maken. Elke dag wel weer een hartverscheurend verhaal, nieuwe ellende. En dan voor mij niet op een afstand, ik zit er nu dagelijks midden in. Dan is het ook wat moeilijker om te klagen dat je niet zo vaak thuis bent, je hebt immers een huis, en dat is al heel wat.
Ik weet ook hoe het is. In mijn eerste gastblog als auteur van de maand, had ik beloofd om nog te vertellen hoe ik in Engeland terecht ben gekomen. Ik kan dat kort houden. Het is verschrikkelijk clichematig. Een langdurige relatie (21 jaar) die op de klippen stuk liep, gevolgd door depressie, daardoor verlies van baan, daarna ook huis enzovoorts. Binnen een jaar van een comfortabele twee-verdieners bestaan met huisje, boompje, beestje, naar dakloosheid en werkeloosheid. Wham bam thank you ma’am. En dan na twintig jaar werk een klein fortuin te hebben betaald aan allerlei sociale voorzienings potjes, door grijnzende ambtenaren verteld worden dat mijn situatie net niet voldeed om ook aanspraak te kunnen maken op die voorzieningen. “Ja sorry, dat zijn de regeltjes”, de bekende smoes, maar dan wel de “tje(s)”, alsof het iets kleins en schattigs is, in plaats van iets dat alleen maar ellende aanricht.
Enfin, ik had op een ogenblik echt niets meer te verliezen. Wat ik nog had was een oude, inmiddels stoffige, droom om ooit nog een keer een boek te schrijven. Dus daar was ik maar mee begonnen. “Leuk,” was de gemiddelde reactie, gevolgd door “Wat verdient het?” of “Wanneer ga je weer normaal doen?” Dat laatste alleen al, was aanleiding om Nederland gedag te zeggen, en te gaan wonen in een land waar de gemiddelde reactie op het schrijver zijn is: “WAUW! Ben je single?”
Het had overigens ook met het schrijven te maken. Voor mijn eerste boeken had ik het graafschap Sussex gekozen als setting. Ik wist niets van boeken uitgeven, of marketing. Ik dacht, nogal naief, dat ik vrolijk op facebook zou roepen dat ik een boek had geschreven, en dat de rest vanzelf zou gaan, waarna ik weer aan het volgende boek kon beginnen. Na een noodgedwongen zelf-cursus boeken uitgeven, kwam ik er al snel achter dat het een hele boel geld kost om je boek aan de man te brengen, en dat de meest realistische optie was om mezelf vooral regionaal te promoten.
Enfin, ik weet dus hoe het is om dakloos te zijn, het gevoel van machteloosheid, het gevoel dat je niets meer waard bent, geen positieve contributie meer aan de maatschappij levert, enzovoorts. Het is verlammend en verstikkend. Ik heb mezelf er weer uit geworsteld, woon weer in een huis, heb een relatie met een mooie Engelse vrouw, en weer een baan. Kortom, ik ben weer “normaal” aan het doen, alhoewel uiteraard weer op mijn eigenaardige manier, want ik blijf schrijven, en voel me ook geroepen om me te blijven inzetten voor dakloze zaken. Ik heb hulp gehad van goede vrienden, zonder die hulp, besef ik maar al te goed, zat ik zelf nog in zak en as, dus nu is het mijn beurt om te helpen.
Als schrijver, is het natuurlijk razend interessant om allerlei 19de eeuwse toestanden van dichtbij mee te mogen maken. De grootschalige armoede die hier nu heerst is sinds de Victoriaanse tijd niet meer gezien, en dat tijdperk wordt ook nog eens versterkt door alle voormalige Victoriaanse pracht en praal van de stad Brighton.
Dat schijnt zeker door in mijn boeken, waarin sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid altijd een rol spelen, of het nu gaat om mijn Contemporary Fantasy series (Wyrde Woods), historische oorlogromans, of mijn allernieuwste genre: Steampunk.
Ik ben met dat genre begonnen omdat ik gevraagd was of ik iets wilde bijdragen aan een verzamelbundel van het Amerikaanse Writerpunk Press, in Seattle. Het moest gebaseerd zijn op een verhaal van Edgar Allan Poe, en een variant van steampunk zijn. Tot mijn grote plezier werd mijn bijdrage, ‘The Oval Sky Room’, gekozen voor publicatie in het boek Merely This and Nothing More (Edgar Allan Poe goes Punk). Dat boek is door recenten goed ontvangen, wordt nu in diverse scholen in Amerika gebruikt, en heeft ook een of andere Indie prijs gewonnen. Bij de recensies werd mijn verhaal, dat zich in Brighton afspeelt, ook specifiek genoemd:
“In…’The Oval Sky Room’, vindt een meisje die in armoede geboren is de mogenlijkheid tot redding door te poseren voor een rijke artiest in zijn luxe luchtschip…maar gevaar ligt op de loer. Dit verhaal is zo knap geschreven dat de pijn aan het einde zeer diep snijdt – ontzettend mooi uitgevoerd.”
Voor de eerstvolgende oproep van Writerpunk Press heb ik een nieuw verhaal aangeleverd, ‘The Rottingdean Rhyme’. Bijdrages aan What We’ve Unlearned, English Class Goes Punk, moesten gebaseerd zijn op schoolklassiekers, en ik had Rudyard Kipling geselecteerd. Kipling heeft een geweldig gedicht geschreven toen hij in Rottingdean, Sussex woonde, genaamd ‘A Smuggler’s Song’, gebaseerd op de vele smokkelaars tradities hier aan de kust.
Hier een klein stukje:
Five and twenty ponies,
Trotting through the dark –
Brandy for the Parson,
Baccy for the Clerk,
Laces for a lady;
Letters for a spy,
Watch the wall my darling,
While the Gentlemen go by!

Met dit verhaal heb ik de basis gelegd aan mijn eigen steampunk wereld. Smokkelen is hier eeuwen lang de normale gang van zaken geweest. In het dorp Rottingdean, bijvoorbeeld, zijn zo’n beetje alle huizen, kroegen en zelfs de kerk met elkaar verbonden door ondergrondse doorgangen en opslagruimtes. Het hele dorp deed dan ook mee. De kinderen werden ingezet als wachtposten, de volwassenen hielpen met sjouwen of de beveiliging, zelfs de dominee was betrokken. In het oude dialect van Sussex, kun je ook een hoop woorden aantreffen met een Franse of Nederlandse herkomst, simpelweg omdat men het maar al te goed kon vinden met de Franse en Nederlandse vissersboten die hier de kust aandeden. Mijn favoriete woord met Nederlandse herkomst is het woord “Shim(s)”, dat gebruikt werd i.p.v. “Ghost(s)”, gebaseerd uiteraard op het Nederlandse woord “Schim(men)”.
Aan het begin van de negentiende eeuw was de overheid dusdanig georganiseerd en voorzien van de meest moderne middelen, dat er een einde kwam aan deze oeroude traditie. Zo rond 1840 was het gedaan met de lucratieve ‘vrijhandel’. Maar wat, bedacht ik me, als men nou beschikking had gehad tot de steampunk luchtschepen? Die zouden ongetwijfeld goed gebruikt kunnen worden. Dat was de invalshoek van het verhaal ‘The Rottingdean Rhyme’, waarin we kennis maken met de fictieve Cap’n John Hawkeye, een beruchte smokkelaar uit Rottingdean, evenals zijn kleine dochtertje Alice, die als het ware de ‘vrijhandel’ met de paplepel ingegoten krijgt.
Van luchtschepen begreep ik weinig, behalve dat het me nogal onmogelijk leek om iets met een stoommachine de lucht in te krijgen. Dat maakt niet uit, werd me verzekerd, het is geen sci-fi waarin je tientallen bladzijdes moet wijden aan natuurkundige uitleg van de motoren die je ruimteschip voortstuwen. In steampunk kun je wat dat betreft je fantasie de loop laten. Daar ik altijd een flinke dosis realiteit in mijn fantasie gebruik, had ik er tenslotte voor gekozen om me te beroepen op vele plezierige dagen in Nivon zeilkampen, op de Friese meren. Stoommachines, natuurlijk, maar ook zeilen, en dan ben je toch op de wind aangewezen, en dat snap ik een beetje.
Dat dit me gelukt is, blijkt wel uit de woorden van een Amerikaanse recesent die schreef:
“…absoluut het beste gebruik van luchtschepen dat ik ooit gelezen heb. Als zeilster, ben ik bekend met het gebruik van windrichtingen op een horizontale vlakte – maar dit verhaal maakt het drie-dimensionaal, en gebruikt op een ogenblik alle variaties van windrichtingen en gedrag op een buitengewone manier.”
Doorbouwend op het success van die eerste twee verhalen, besloot ik om een eerste korte steampunk roman te schrijven. Alhoewel aangeduid als een “Sussex Steampunk Tale”, speelt het eerste deel van de series Time Flight Chronicles, zich geheel af in Nederland, en aan de titel Amster Damned, kunt U ook wel raden in welke stad. De hoofdpersoon is Alice, dochter van Captain John Hawkeye, inmiddels volwassen en toe aan haar eigen avonturen.
In mijn eerste gastblog vertelde ik dat ik schrijf voor de Engelstalige markt, en ook waarom. In Amster Damned, echter, zijn er ook Easter Eggs die puur voor de Nederlandse markt bestemd zijn. Een bijziende grachtenschipper die ‘Schele Nelis’ heet, bijvoorbeeld, komt er in voor en een Engelse lezer snapt verder niet waarom die naam grappig is, en zo zijn er nog wat referenties en mopjes. Speciaal voor Tazzy, heb ik er ook even in benoemd dat de ‘juggernaut’ klasse luchtslagschip “De Luchtgeus” gestationeerd was in Den Helder, nogal overbodig wellicht, maar dat vindt ik leuk.
Het boek is door experts heel positief ontvangen. Daarmee bedoel ik mensen die heel actief zijn in de steampunk wereld als schrijver, redacteur en recesent. Het wordt o.a. geprezen voor de bijzonder sterke karakterisering, en daarbij wordt ook specifiek benoemd dat het fijn is dat het een keer niet gaat om de besnorde steampunk gentleman, die gallant zijn kopje thee blijft drinken en zorgt dat zijn modieuze kleding keurig op orde blijft. De meeste karakters komen direct uit sloppenwijken, of arme vissersgezinnen die wat bijverdienen met de smokkel, en zo praten en gedragen ze zich ook.
Naast de kleurrijke karakters, wordt het boek ook geprezen voor een kwaliteit die ik heel bewust nastreefde, en in al mijn boeken te vinden is (zeer zeker ook de Wyrde Woods series), namelijk het presenteren van lokatie op een dusdanige wijze dat de lokatie in feite een karakter wordt in de verhalen, met voortdurende interactie tussen dit ‘karakter’ en andere personages. Ik ben van jongsafaan een zeer grote fan van de verhalen van Thomas Hardy (Tess of the D’Urbervilles, Far from the Madding Crowd, The Mayor of Casterbridge en Jude the Obscure), en die schrijver beheerste die stijl op een sublieme wijze, dus ik ben reusachtig trots dat ik een klein beetje in zijn voetsporen aan het wandelen ben.
Ik heb zeer onlangs een heel mooi compliment gehad van een beroeps steampunk recesent, die schreef: “Uit mijn collectie van bijna 1000 steampunk, cyberpunk en alternatieve Victoriaanse romans, behoord dit boek in de top tien.”
Ik liep te pronken als een trotse pauw, mag ik wel toegeven. Het is niet zomaar iets, dat je eerste steampunk boek door een kenner in de top tien wordt geplaatst, en het beloofd veel goeds voor de rest van de serie. Het grote en ambitieuze plan, is om een achttal boeken te schrijven, een voor elk land waar ik gewoond heb, waar ik bekend met de geuren, kleuren, gebruiken en eigenaardigheden. Het tweede deel zal Brightonesque genoemd worden, en daarna komt ook de rest aan de beurt.
Ook de Wyrde Woods series krijgt nog een aantal vervolgen, maar allereerst ben ik vereerd door de vraag of ik iets heel anders kan schrijven, namelijk een kinderboek over lokale dakloosheid, voor de groep Invisible Voices of Brighton & Hove, als onderdeel van het 2018 Brighton Fringe Festival. Daar ben ik nu druk mee bezig, meestal omringd door snurkende en ronkende daklozen in noodopvang centra, maar ja, dat is wel passend. Ik vindt het natuurlijk ook fantastisch om op deze manier betrokken te worden bij een groot lokaal cultureel evenement. Dat was immers een grote reden geweest om me in Sussex te vestigen, om me te kunnen profileren als regionale schrijver. Als participant aan de Fringe, het tweede grootste fringe festival in het Verenigd Koninkrijk na het beroemde Edinburgh Fringe, is me dat toch aardig aan het lukken. Dit boek gaat On Brighton Streets heten, en als het enigzins lukt, komt het in mei van dit jaar uit.

Foto: schrijver en vriendin bij de Clock Tower Street Kitchen, serveren van warme lunch aan daklozen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s