Andy Weir – Artemis

Jazz woont in de stad Artemis: op de maan! De kolonie is niet zo heel groot en ze leven vooral van het toerisme. Jazz heeft het niet breed en droomt van een toekomst met veel geld. Ze verdiend wat bij, op een illegale manier. Zo leert ze ook een rijke man kennen. Hij heeft een opdracht voor haar. Hiermee kan ze in een klap rijk worden en al haar dromen laten uitkomen. Ze besluit om deze opdracht aan te nemen, maar komt er al snel achter dat haar leven op het spel staat. De veiligheid van de kolonie, is er ook een waar ze rekening mee moet houden. Jazz is een hele slimme dame en ze is niet op haar mondje gevallen. Maar ze komt steeds meer in de problemen. Zo diep, dat ze zich afvraagt of ze er ooit nog uit kan komen. Er komen dingen boven water, over Artemis die ze liever niet had geweten. Maar nu ze het weet, moet ze er wat aan doen. Anders is het leven op Artemis nooit meer zoals het was.

Het is een super spannend boek, met razendsnelle actie! Je zit op het puntje van je stoel, tijdens het lezen. De hele tijd dacht ik: als dat maar goed afloopt!

Andy schrijft enorm beeldend en bouwt de spanning zo nu en dan nagelbijtend op. Dit is echt puur genieten.

Je krijgt een kijkje op de maan. Hoe kan het leven er daar uit zien? En hoe komen toeristen daar en Wat is er allemaal te zien? De wandelingen op de maan, zijn prachtig op papier gezet. En als lezer voel je de hele tijd, dat de klok maar door tikt. De tijdsdruk die Jazz heeft is hierdoor ook levensecht.

Hoe leef je op de maan? Hoe ga je om met of zonder zwaartekracht? Het is getailleerd beschreven, maar zakt gen enkel moment in. Dit verhaal had me vanaf het begin in zijn greep. Net als zijn vorige boek trouwens! Dit is een science fiction thriller van te smullen! Deze krijgt ook weer 5*****.

Advertenties

Pen Stewart – Wintercode 1

Chloe is een Winterkind. Als je het levenslicht ziet op meen bepaalde tijd van het jaar, dan behoor je tot de orde van de Winterkinderen. Alle winterkinderen hebben een bijzondere magische kracht. Die van Chloe zou heel sterk moeten zijn. Maar om een of andere reden, openbaren haar krachten zich nog niet zo goed. Wat als ze de eindtesten niet gaat halen? Wat voor lot staat haar dan te wachten?

Van de een op de andere dag, zal haar leven nooit meer hetzelfde zijn. Ze moet op de vlucht slaan voor boosaardige gevleugelde schepsels. Ze willen bloed, dood en verderf zien en zaaien.
Chloe krijgt hulp van een halfling met een bijzonder pittig karakter. Maar ook van iemand uit haar verleden. Ze was stapelgek op hem, maar is dat nog steeds zo? Ze gaat door een rollercoaster van gevoelens en ze moet steeds over haar schouders kijken. Ze is nergens veilig, voor die bloeddorstige wezens. En wie kan ze vertrouwen in deze gevaarlijke tijden? Is de wereld nog wel te redden?

Het is een boek over goed en kwaad. Daar kun je echt over meedenken. Op het eerste gezicht lijken sommige personages kwaadaardig, maar ga je toch anders naar ze kijken, naarmate het verhaal verder gaat. Als lezer ga je dus ook heen en weer, als het op gevoelens aan komt. En dat is heerlijk!

Er zit veel magie in dit verhaal. Waardoor bijvoorbeeld: vechtscenes en veldslagen een heel andere dimensie krijgen. Dat is heel erg origineel gedaan. De spanning maakt het boek tot een echte pageturner. Niet weg te leggen.

Het is een fantasy verhaal, maar er zitten behoorlijk wat horror elementen in ook. Door deze mix en het beeldend schrijven, komt het boek helemaal tot leven, terwijl je leest. Gewéldig!

De illustraties geven ook weer en extra beleving aan het verhaal. Je kunt de meeste zo in boek plaatsen. Je weet meteen waar ze voor staan of wat ze betekenen.

Het einde is erg open. Ik hoop dan ook dat het tweede deel niet jaren op zich laat wachten! Ik snak overduidelijk naar meer!5*****

Tom Fletcher – The christmasaurus

Dit boek neemt je mee naar de familie Trundle. William woont samen met zijn vader. Hij heeft geen moeder meer. Zijn vader (Bob) is dol op Kerstmis en de meeste mensen snappen er niks van. Zijn vader wil het hele jaar door de kerstsfeer proeven op zijn eigen manier.

William schrijft een brief aan de kerstman. Hierin vraagt hij om een dinosaurus. William is namelijk dol op dino’s. Maar kan de kerstman deze wens wel vervullen? De magie op de Noordpool is zeer krachtig, maar zo krachtig? De elfen oogsten kadootjes in plaats van ze te maken in Dit boek. De kerstman heeft een plan, maar het loopt helemaal anders dan hij ooit had kunnen voorzien.

Dit is en boek over vriendschap en verraad. Er sluipt een jager door Het dorp, die zeldzame dieren op zijn verlanglijstje heeft staan. Kan William zijn nieuwe vrienden veilig houden?

Het is spannend, grappig en soms ook zielig. Het lettertype wordt ineens heel groot, als er iets belangrijks gebeurt. En dat geeft ook weer een extra dimensie.

Het is levendig en krachtig op papier gezet. Eigenlijk zit er heel veel van Tom Fletcher in het boek, als je hem een beetje kent…. Dan denk je: Dit is typisch iets wat je van hem kunt verwachten. Hij heeft een grenzeloze fantasie.

De illustraties zijn erg leuk en zijn directe scènes, uit het verhaal. Dit maakt het boek zo compleet, dat ik niet anders kan.. Ik moet 5 ****** geven! Ik was al fan van Tom, om zijn muzikale talent. Maar schrijven kan hij geweldig goed. En ik hoop dat hij daar nooit mee zal stoppen!

**Winnen**–>Een Fantasy bladwijzer!!!

**Winnen**

Een bladwijzer!
Wat doe je om kans te maken?
Zorg dat je lid bent van de facebookpagina #ikhouvanhorrorfantasyenspannendeboeken en geef daar antwoord op de vraag, bij het winbericht! (Je kunt alleen daar meedoen).

(De vraag:

Welke elf, uit een boek (dus geen film), is de allerleukste?).

Ik verzend met Sandd,In NL en buitenland.
Deze actie duurt maar kort! 30 juni 2018 om 16.00 sluit de pot!

Paul van loon- Paniek in de leeuwenkuil

Dit verhaal schreef Paul toen hij geïnspireerd werd door de familie van Hooff. Zij zijn de familie in Nederland, die een dierentuin in hun achtertuin hebben. De leeuwenkuil bestaat ook echt. Het is een boomhut, waar de familie vele uurtjes heeft doorgebracht.

In dit verhaal herft Daniël vet pech. Hij moet een spreekbeurt houden, maar is doodsbang en heeft nog steeds geen onderwerp. Als hij dan thuiskomt en naar zijn favoriete plek gaat, ziet hij tot zijn grote schrik dat er iemand in de leeuwenkuil is geweest. En deze persoon heeft er een smeerboel van gemaakt. Het ziet eruit alsof er een moord is gepleegd, overal bloedrode spetters. Daniël en zijn zusje Suzina gaan op omderzoek uit. Wie is hier verantwoordelijk voor? Al snel hebben ze een aantal verdachte personen in het oog. Maar iedereen kan de dader zijn? Die rare jongen die niet praat en alleen maar tekent….. die akelige klasgenoot Bufo of is het toch de Pelikaanmaan?

Daniel heeft heel veel fantasie en tekent strips. Er zitten dus stripachtige tekeningen in dit boek. Hij vlucht vaak weg uit de realiteit. En in zijn verzonnen realiteit komt er altijd iemand om hem te redden. In het echte leven is dat niet zo. Zijn ouders hebben het altijd heel erg druk. Een dierentuin heb je na sluitingstijd ook. Dieren doen niet aan klok kijken. Ze zijn erg druk met de komst van een nieuw dier…….

4****. Leest erg vlot, vol fantasie en een spannende zoektocht. Kun jij raden wie de inbreker is?

Sophia Drenth- Bloedwetten 2: Verlossing

In dit tweede boek van de Bloedwetten serie heeft Roan Storm het zwaar. De mens waar hij verliefd op is, gaat trouwen met een ander mens. Dat is moeilijk te verkroppen voor hem.

Storm is een Ath’vacii en hij wil dat de verspreiding van bloedpulver aan banden wordt gelegd. Mensen kunnen het nu ook gebruiken. Maar de mensen krijgen er een vreselijke honger van, ze willen steeds meer. De Aht’vacii zijn hun onsterfelijke leven niet meer zeker, omdat de mensen achter hun aankomen, om hun lust naar bloed te bevredigen. Storm moet nu dus steeds over zijn schouders kijken. In zijn privé leven gaat het ook niet denderend. Hij beleeft de nodige avontuurtjes en er zijn veel vrouwen in zijn leven, Maar er is er maar een waar hij echt om geeft. Voor haar heeft hij alles over.

Het is een roman met fantasy en horror elementen. Liefde en vertrouwen spelen een hoofdrol in dit verhaal. Sommige scènes zijn bloederig, andere juist echt spannend en weer andere daar krijg je rode oortjes van. Normaal ben ik daar niet zo wild van… Maar Storm, tja hij heeft iets ongrijpbaars, waardoor ik zelfs geniet van zijn liefdesperikelen. Dus ik ben wederom verbaasd dat ik niet vies ben , van een beetje romantiek (het past ook zo goed in Het verhaal, ook al is het niet mijn ding).

Storm heeft een geweten… andere gemaakten hebben vaak geen geweten, ze doen waar ze zin in hebben. En kijken niet op van een dode meer of minder.

Natuurlijk mag Madame niet ontbreken. Ze heeft zo haar eigen agenda. Maar er overkomt haar ook iets, dat ze niet pikt. En haar wil je niet boos maken. No way. Ook Komen er meer oude bekenden, weer voorbij in dit boek. Een van mijn favorieten blijft Baba. Ze is echt de oma, die iedereen wilt hebben en heeft veel lef en power!

Het einde is een echte rollercoaster. Alles gaat snel,er is echt veel actie. Ook moest ik en traantje wegpinken, om wat er gebeurde. De laatste bladzijde laat je achter met vragen, omdat het einde vrij open is. Ik hoop dan ook dat het volgende deel niet te lang op zich laat wachten. Ben zo benieuwd hoe het verder gaat!
Ik geef dit boek 4****.

Voor mijn verjaardag: Grafzerken – Anthonie Holslag

Wat ontzettend gaaf… Een horror verhaal krijgen voor je verjaardag…. Met je grootste fobie erin verwerkt: grafkisten. Hier wordt je gegarandeerd claustrofobisch van. Ik kreeg letterlijk de kriebels en begon de paniek te voelen… Ook de soundtrack is geweldig. Mijn soort muziek. En heel erg toepasselijk.

Ik ben mega blij met dit originele verjaardagscadeau! #wow.

Huiveren jullie met me mee?

Grafkzerken
(Voor Tazzy en voor haar verjaardag)

Het begon eigenlijk allemaal als een grap. Iemand had iets op YouTube gezien, van iemand die het weer op YouTube gezien had etc. Het heette: “Gekke en enge dingen”. Zo sprongen mensen van hoge muren en gebouwen of namen een slok shampoo (die vaak niet verder gleed dan je ademsappel, want dan reageert je lichaam onmiddellijk en kots je de boel uit) en een spel “Truth or dare”. Dan mocht je tegen de mensen in je vriendenkring openlijk een truth of dare geven. Het meest tragische dat ik heb gezien dat iemand op YouTube had geplaatst, dat inmiddels door drie miljoen mensen was bekeken, was een meisje huilend tegen de camera die onder Truth moest opbiechten tegen haar vriendje dat ze op zijn feestje, zwaar beneveld en dronken, een trio met twee van zijn vrienden had gehad. Ik herinner me haar opgepofte ogen en de snottebel die uit haar neus stroomde. De vraag was geweest of ze ooit tijdens de relatie seks met anderen had gehad. En dit was haar antwoord. Het ging viral zoals ze dat noemden. Het was op Twitter te zien, op Facebook, op Reddit en zelf een aantal uren op LinkedIn. Voordat de moderators het hadden verwijderd. Het was triest om te zien, maar ook vermakelijk. Er waren zelfs hashtags: #the bitch and her other two friends. #diepgaande vriendschappen of, en die ik het meest vermakelijke vond, #de meest pijnlijke biecht van haar leven. Haar vriend had ook een filmpje gemaakt. Hij had in de camera gestaard, zijn ogen rood. Zijn lippen trilde. “Fuck you” was het enige dat eruit kwam. Het had 500 000 hits. Ik had het met haar te doen. Ik had het met ze allemaal te doen. Ook met een jongen die met een skateboard, op basis van een dare, de leuning van een trap afging, viel en met zijn ballen op de reling kwam. Hij gilde en kronkelde toen hij op de grond viel. Peter echter, de oudste van ons groepje; hij was zestien en we keken allemaal tegen hem op, had het idee gevat om ook een dare te doen.
‘We gaan iemand levend begraven,’ zei hij. We keken hem allemaal verbaasd aan. ‘Ja, we gaan iemand levend begraven en filmen het op YouTube en worden wereldberoemd.’ Eigenlijk vonden we het allemaal niks, maar Peter was de oudste en wijste en we waren ervan overtuigd dat hij wel wist waar hij het over had. We leefden in een tijdperk waarin je beroemd kon worden in enkele minuten. As je filmpje goed was en zelfs mensen in China of Australië het konden zien. We leefden meer in de mobiel dan daarbuiten.
‘Lijkt jullie dat een goed idee?’ Iedereen was bang, maar we wilden ons groot houden en ons niet laten kennen richting Peter. Hij kon boos worden als hij zijn zin niet kreeg. En niemand wilde een watje zijn vooral niet voor hem.
‘Ok,’ zei hij opgewonden. ‘Ik ga lootjes maken.’ En hij verdween in de bijkeuken. Er ging haast een zucht van verlichting door de groep. Ik was bang voor kleine ruimtes. Ik herinner me dat ik met mijn twee oudere broers ooit een spel speelde. We legden een matras op de grond en sprongen van de stapelbed af. Op een gegeven moment, het moest ergens tussen de twaalfde sprong zijn, zei mijn oudste broer die dezelfde temperament als Peter had : “We moeten het spannender maken. Johan als jij als eerste onder de matras gaat dan gaan wij springen. Mijn mond werd droog, terwijl de rest van mijn lichaam zweette. “Daarna is Roggie,” (afkorting van Rogier, zoals ik wel eens “Jo” werd genoemd) en dan ik”.
“Is dit wel verstandig,” zei ik. “Het klinkt gevaarlijk.” Ik keek naar het gezicht van Roggie en wist dat hij hetzelfde dacht.
“Tuurlijk, maar de matras vangt de klap op.”
Ik moest plotseling aan iets anders denken. Hij was 18, had zijn rijbewijs en was racend naar een feestje gegaan. Op de terugweg, zo zei de agent, was hij uit de bocht gevlogen. “Hij had waarschijnlijk gedronken.”, zei de agent. Natuurlijk was hij dronken. Welke 18 jarige zou zich niet klem drinken als het erop aankwam? Het meisje die hij meehad had het overleefd. Ze had verteld dat hij tegen een boom aan knalde, en dat de luchtkussens zich openvouwden, maar dat zijn luchtkussen opgeblazen bleef, zodat hij door de witte stof stikte. Mijn moeder huilde. Mijn vader probeerde haar te troosten, maar leek plotseling klein en fragiel. Roggie en ik keken elkaar slechts aan. Het deed me aan die middag van de matras denken. De eerste sprong was Roggie. Hij sprong, maar hij sprong zo dat ik hem niet voelde. Toen sprong mijn oudere broer. Hij nam een duik, kwam geheel op me terecht. Het witte stof duwde tegen mijn gezicht. Mijn hoofd, armen en benen deden pijn en dat witte stof verstikte me. Ik had het benauwd. Ik wilde gillen, maar er kwam niets. Toen verloor ik mijn bewust zijn. Het was eng, doodeng. Later hoorde ik van Roggie dat het gezicht van mijn oudere broer asgrauw was, terwijl hij mond op mond beademing deed. Ik overleefde het. Kantje boord. Maar ik wist wat Roggie dacht: wie was er voor mijn broer geweest? Hij zou gevochten hebben tegen het kussen. Klauwend. Slaan. Totdat zijn krachten verslapte en ook hij zijn bewustzijn verloor. Maar voor hem was er niemand. Het meisje was te hysterisch. Er was niemand in de buurt, terwijl hij daar stikte. Starend naar het eeuwige wit.
Ik heb hem nog gezien bij de opbaring. Mijn ouders waren er tegen, maar ik wilde hem zien. Hij lag daar in een bruine kist in zijn beste pak. Met stropdas en alles. (En hij had een hekel aan stropdassen.) Maar na de dood maakte dit niets meer uit. Als je goed keek, ook al waren zijn ogen gesloten, zag je dat de ballen van de ogen iets naar voren staken. Hij had zo hard gegild dat zijn ogen bijna uit zijn kassen popten. Een schreeuw die door de kussen onverstaanbaar was.
Het meisje was ook in de kerk. Ze had een gebroken been en hinkte met twee krukken. Ze bleef tijdens de ceremonie maar snotteren en huilen. Ik kon niet huilen in het openbaar. Dus liep ik naar haar toe en troostte haar.
Peter kwam enthousiast uit de keuken. Hij glimlachte, was blij. Hoopte waarschijnlijk beroemd te worden op YouTube. (Dat werd hij ook trouwens en ik ook, maar niet voor de reden dat we dachten.)
‘Ik heb vijf lootjes. Één is de kortste, wie aan deze trekt gaat de kist in.’
De eerste trok, de tweede trok en toen was ik aan de beurt. En ik had uiteraard mijn typische vorm van geluk: ik trok de kortste.
‘Daar ga je Jo,’ bulderden ze van het lachen. Ja, daar ging ik. Weer precies mijn domme geluk.
We kozen een datum en een vrijdag, weer een teken van geluk: het was vrijdag de dertiende. Ik zag mijn broer weer in de kist en mijn ouders, die allebei in drie dagen zoveel kilo’s hadden verloren. De kleding leek te groot voor hen. Mijn moeder had een verpulverde zakdoek in haar hand. Ze drukten elkaars hoofd tegen elkaar aan, terwijl mijn vaders arm slapjes op de schouder van mijn moeder lag.
Ik huilde nog steeds niet. Ik huilde pas toen ik in de slaapkamer zat en naar dat stomme stapelbed keek. Hij lag altijd op de bovenste. Deze was netjes opgemaakt, alsof hij ieder moment kon terugkomen. Toen huilde ik, toen niemand me kon zien. Ik gooide het bed opzettelijk door de war; zoals hij het altijd achterliet en keek voor het eerst vanuit zijn gezichtspunt naar onze achtertuin. Naar de boom die daar stond. Waar we onze boomhut hadden gebouwd. Ik zag het door een prisma van druppels. Het regende. Loodrechte stralen waardoor de tuin een zilveren kleur kreeg. Sommige druppels beleven aan de ramen plakken. “Waarom reed je zo hard!” schreeuwde ik. Ik wist dat iedereen me kon horen. Roggie die met mijn vader in de huiskamer zat en zonder veel plezier schaakten. En mijn moeder die met een valiumpje op bed lag.
“Waarom moest je zo hard rijden,” huilde ik. “Waarom? Waarom? Waarom moest je dood…”
Op vrijdag de dertiende verzamelde we ons bij het huis van Peter. Er hing een soort elektrische spanning in de lucht. Als we de televisie hadden aangedaan was het allemaal anders gelopen. Dan hadden we de chaos gezien die zich in de grote steden voltrok. Maar net zoals dat stapelbed en stomme luchtkussen; het leven liep als een zijdendraadje door alles heen. Als mijn broer niet had gesprongen, had ik geen last van claustrofobie gehad. Als mijn broer niet had gedronken was hij niet gestikt in dat stomme luchtkussen dat hem moest redden.
Zijden draden van actie en reactie.
We stonden met een schop in de hand in Peters tuin.
‘Vinden je ouders het niet erg als we een gat in een tuin gaan graven?’ vroeg één van mijn vrienden. Hij klonk angstig. Peter haalde zijn schouders op.
‘Ze zijn toch weg, dus wie kan het bommen?’
Ik keek naar de provisorische kist die Peter de afgelopen weken had gemaakt. Hij had me opgemeten en alles en nu ik er naar keek, zag ik hoe gammel het was.
De anderen waren aan het scheppen en er begon al een flinke gat in de tuin te ontstaan.
‘Houdt die kist de aarde wel?’ vroeg ik.
‘Tuurlijk,’ zei hij. ‘Het is onbewerkt hout en het kan lichtelijk buigen en daardoor veel gewicht hebben.’
Hij zei het allemaal geruststellend, maar ik voelde de angst hoe meer en des te groter opkomen. Ik dacht aan het matras. Ik hield niet van kleine ruimtes. Vooral niet als deze donker waren.
Mijn vrienden stapten uit het graf. Het was gelukkig zomer en dat was misschien ook wel de reden waarom we het deden. De zomervakantie was saai. Het was snikheet en we verveelden ons kapot. De kist werd zonder deksel in de grond gelaten en ik weet nog goed dat ik naar het gat keek en met alle zekerheid wist dat ik gek was.
Ik dacht weer aan mijn broer en hoe zijn glanzende bruine kist de grond inzakte.
‘Wil de levende dode het graf ingaan,’ zei Peter op een plechtige manier. Ik gromde iets en ging met mijn korte broek in dat houten kist liggen.
‘Op deze dag,’ zei mijn vriend plechtig, terwijl een andere vriend hem filmde. Hij had zelfs een bijbel in zijn hand. ‘ Zullen we onze vriend Johan Dekker ter aarde leggen.’ Mijn andere vrienden stonden als een kring om het graf heen. Sommigen grinnikten.
‘Hij was een goede jongen, onze Dekker, en met een bezwaard hart liggen we hem nu ook te rustte.’ Sommigen begonnen te schateren. ‘Zodat hij in vrede verder kan gaan.’ Ik moest niet lachen. Daar in de kist, dacht ik aan mijn broer. En toen kwam het moment dat ik het meest vreesde. Ze pakten de deksel, keken, lachend en grijnzend naar beneden en legde de deksel in “mijn graf”.
Het was meteen donker.
‘Niet langer dan een uur,’ schreeuwde ik nog, terwijl ook de laatste kier zich sloot. Ik hoorde iemand op de deksel springen. Het hout bewoog inderdaad mee en zag hoe iemand met spijkers de deksel dichtsloeg. Dat hadden we niet afgesproken en sloeg met mijn gebalde vuisten tegen het hout. ‘Geen spijkers,’ schreeuwde ik. Maar ze luisterden niet of wilde me niet horen. Het werden tien spijkers in totaal. Toen ging de jongen van de kist. (Om onverklaarbare redenen dacht ik dat het Peter zelf was.) Op de achtergrond hoorde ik iemand schreeuwen: ‘Draait de camera al?’ Het werd ongetwijfeld met een knik bevestigd, want ik hoorde daarna als een nieuwslezer zeggen: ‘Op deze mooie vrijdag avond, de dertiende wel te verstaan, gaan we onze vriend Johan Dekker begraven. Over een uur halen we hem eruit.’ Terwijl Peter dat op de meest zakelijke toon zei, hoorde ik hoe mijn andere vrienden, nog steeds lachend, aarde op de kist smeten. Smak. Smak. Smak. En met iedere knal werd het donkerder en leek de lucht in de kist dichter en stroperig te worden. Dit was nog erger dan de matras. Die was wit geweest. Dat had op daglicht geleken. Ik legde mijn hand op het hout, zodat ik wist dat er een afstand was, tussen mij en de deksel. Op een gegeven moment hoorde ik geen smak meer, omdat er nu aarde op aarde werd gegooid. Wel hoorde ik de kist piepen en klagen en voelde ik dat het hout inderdaad naar beneden boog. Wat zou er gebeuren, vroeg ik me af, als het hout brak. Dan zou de aarde op me afkomen en ik besefte dat als de kist in het midden brak en het hout dus op mijn middel viel, ik geen enkele kans had om naar boven te komen. De stemmen klonken steeds meer gemoffeld. Ik kon het wel verstaan, maar het klonk verder weg.
Ik bonsde met mijn handen tegen het hout en schreeuwde: ‘Ik wil hier weg.’ Maar ze hoorden me niet. Met stampende laarzen werd de aarde plat gedrukt. Compacter gemaakt. Ik wist dat ze me niet meer konden horen. Ik kon hun vreemd genoeg wel horen. Wat misschien logisch was, want in de kist, in de binnenkant was het muisstil, terwijl er buiten heel veel andere geluiden waren die mijn stem deed verdrinken.
Had mijn broer het ook zo ervaren. Hij had geschopt en geklauwd, maar had hij ook iets gehoord?
Ik begon te hyperventileren. De lucht was zo dik. Ik wist dat ik dat niet moest doen. Dat het zuurstof, wat ik zeer zeker nodig had, zou verspillen. Dus deed ik wat een dokter me ooit had geleerd. Vooral omdat ik als kind paniekaanvallen kreeg als ik in een lift zat of als de auto door een tunnel heen reed. Allemaal sinds die verdomde matras. De gedachte dat er honderden kubieke meters water boven me was en duizenden auto’s in de tunnel reden, maakte me altijd ontzettend angstig, Tunnels waren eng. Liften waren eng. Matrassen en kisten ook. Een teug ademhalen, acht seconden wachten, (1… 2… 3… 4… 5… 6… 7… 8…) uitademen, weer acht seconden wachten en weer inademen, Het leek te helpen. Ik werd rustiger, maar ook warmer. Daar was ik enigszins op voorbereid. Daarom had ik een korte broek aan. Maar het was niet afdoende. Mijn lichaamswarmte maakte van de kist een broeikast. En omdat ik niets kon zien, namen andere zintuigen, zoals gevoel (ik voelde iedere splinter van het onafgewerkte hout in mijn dijen en rug prikken) en mijn gehoor toe. Iemand deed een radio aan. Dat was goed. Daar kon ik me op concentreren. Hoelang duurde een nummer gemiddeld? Vier minuten? Dat betekende dat ik maar vijftien liedjes hoefde te luisteren en dan was het uur om. Dus ik sloot mijn ogen, luisterde naar de muziek en probeerde de kilo’s aarde boven me te negeren. Ik hoorde het nummer November Rain van Guns and Roses, waar ik vreemd genoeg nog alle teksten van kende, gevolgd door Black van Pearl Jam. Dit was goed nieuws, want deze waren langer dan vier minuten, wat de gemiddelde van vijftien nummers naar beneden drukte. Het volgende nummer was Shaftesbury Hill van Peter Gabriel. Het was duidelijk dat iemand, ongetwijfeld Peter, de radio op een rockzender had gezet. Had mijn broer ook naar muziek geluisterd als hij zo snel reed. Het volgende nummer was dan ook Enter Sandman van Metallica. Het was tijdens dit nummer, tijdens het refrein dat ik de ambulance hoorde. Ik hoopte stiekem dat één van de buren de politie had gebeld.
Exit, light
Enter, night
Take my hand
We’re off to never-never land
Ik zong het bijna opgetogen mee, terwijl de sirenen ons loeiend naderde en ons toen voorbij reed. Wat eerst een opluchting was, werd nu angst en zonk letterlijk als een stuk steen naar mijn sokken. Tenminste als ik sokken aanhad. Ik had een vreemd voorgevoel. Mijn voeten lagen bloot tegen het hout. En ik begon het plotseling koud te krijgen.
Somethings wrong, shut the light
Heavy thoughts tonight
And they aren’t of Snow White
Dreams of war, dreams of liars
Dreams of dragon’s fire
And of things that will bite
Ik vroeg me opeens af of er zich al ongedierte in mijn kist bevond. En met deze gedachte voelde ik overal jeuk. Ik begon onbedoeld weer te hyperventileren. Terwijl ik mijn mobiel pakte en het licht aandeed. Het licht ging maar vijf seconden aan. Misschien verbeeldde ik het me. Maar al mijn benen en voeten waren zwart van regenwormen, kevers, kakkerlakken. Het licht verdween. Ik drukte snel op een toets en zag mijn vertrouwde benen weer.
Now I lay me down to sleep
Now I lay me down to sleep
I pray the Lord my soul to keep
I pray the Lord my soul to keep
If I die before I wake
If I die before I wake
I pray the lord my soul to take
I pray…
Het nummer ebde weg, maar werd opgevolgd door een ander nummer, dat ik op dat moment helemaal niet wilde horen. Lullaby van The Cure. Mijn adem werd nog zwaarder.
On candy stripe legs the Spiderman comes
Softly through the shadow of the evening sun
Stealing past the windows of the blissfully dead
Looking for the victim shivering in bed
Searching out fear in the gathering gloom and
Suddenly
A movement in the corner of the room
And there is nothing I can do
When I realize with fright
That the Spiderman is having me for dinner tonight
En ik voelde ook spinnen op dat moment. Ik voelde overal spinnen. En ik kon ze voor me zien. Zes kleine puntige pootjes, met gulzige kaken, die op zoek waren naar een zacht stukje vlees.
And I feel like I’m being eaten
By a thousand million shivering furry holes
And I know that in the morning I will wake up
In the shivering cold
For the Spiderman is always…
Hungry…
Er kwam weer een ambulance voorbij en dit keer hoorde ik Peter duidelijk zeggen ‘Wat is daar verdomme aan de hand? Ze verpesten onze film.’
‘Waar?’
‘Aan het einde van de straat. Er staan twee ambulances en drie politieauto’s.’ En op dat moment hoorden we de schoten.
Ik dacht weer aan mijn broer en de luchtkussen die mijn broer had proberen open te klauwen.
Ik kreeg plotseling een kil gevoel. Alsof iemand een bak ijswater over me heen gooide. Ik wist dat er iets fout was. Ik wist niet wat, maar ik kreeg een heel naar gevoel. Terwijl ik gevangen zat in deze nare kist. Op de radio kwamen de eerste akkoorden van Fear the Reaper van Blue Oyster Cult. Ook dat nog, dacht ik.
‘Wie gaat er kijken?’ vroeg iemand.
‘Ik niet… Bekijk het even.’
‘Gewoon een gijzeling ofzo,’ maar de persoon die het zei klonk zeer onzeker.
‘Ok, ik ga wel,’ zuchtte Peter. ‘Stelletje mietjes? Letten jullie op de tijd. We hebben nog 40 minuten.’
40 minuten, dacht ik. 40 godverdomde minuten. De paniek sloeg zich onmiddellijk om me heen.
All our times have come
Here but now they’re gone
Seasons don’t fear the reaper
Nor do the wind, the sun or the rain, we can be like they are
Come on baby, don’t fear the reaper
Baby take my hand, don’t fear the reaper
Er waren nog meer schoten. Ik hoorde zelfs geschreeuw. Ik begreep dat het een politieagent was. ‘Hij heeft me gebeten, hij heeft me verdomme gebeten…,’ gevolgd door een gorgelend geluid alsof hij stikte in zijn eigen bloed. Er kwamen meer schoten en één agent hoorde ik roepen: ‘Waarom vallen ze niet neer?’
Valentine is done
Here but now they’re gone
‘Jongen, jongen,’ schreeuwde een agent, en ik wist dat hij Peter bedoelde. ‘Ga uit de weg. Ren. Hij komt recht op je af.’
Op dat moment werd het nummer op de radio gewelddadig onderbroken.
Dit is een noodoproep van de overheid. We weten nog niet zeker wat er aan de hand is, maar we willen iedereen adviseren binnen te blijven en de ramen en de deuren goed dicht te doen. Totdat we de situatie onder controle hebben.
Op dat moment hoorde ik een van mijn vrienden een stuk glas op de grond laten vallen en hoorde ik iemand anders schreeuwen: ‘Pas op Peter hij komt op je af. Peter! Peter!’ Ik hoorde een gil en vervolgens de ijskoude woorden: ‘De man bijt hem in zijn nek. Oh mijn God, het bijt hem in zijn nek. In de verte hoorde ik een gorgelend geluid en ik wist dat het Peter was, waarna ik iets als een natte zak op het trottoir hoorde vallen. Er klonken nog meer schoten en de paniekerige stem van een agent: ‘Ik heb hem geraakt. Ik heb hem verdomme geraakt. Ik heb geen kogels meer.’ Door een mobilofoon hoorde ik een andere agent tegen de kinderen schreeuwen: ‘Ga naar binnen en doe de deur op slot, hij komt recht op jullie af.’ Ik beukte inmiddels met mijn schouders tegen het hout en schreeuwde: ‘Laat me eruit. Laat me er verdomme uit.’ Op dat moment hoorde ik een vriend iets zeggen wat het meest ijzige was, dat ik ooit had gehoord: ‘Peter staat op. Mijn God Peter staat op, maar het bloed gutst nog steeds uit zijn hals.’ En toen een kalmer en nog onheilspellendere stem, die de eerste mee naar binnen trok. ‘Kom het is Peter niet meer.’ Op dat moment hoorde ik geschuifel van een paar voeten. In de verte ging het schieten en schreeuwen door. De politie verloor duidelijk het gevecht. Ik beukte nog steeds tegen het hout, maar toen ik de voeten hoorden, hield ik meteen op. Ik hield zelfs mijn adem in. De persoon, wie het ook was, stond recht boven me en ik hoorde tussen zijn zware ademhaling door een aantal woorden. ‘Vlees. Zacht vlees.’ De voeten maakte rondjes, alsof hij mijn aanwezigheid voelde, maar niet wist waar ik was. Het matras, mijn broer, de luchtkussen, kleren die te groot waren – ze schoten door mijn hoofd. Ik hield beide handen voor mijn mond, terwijl de urine langs mijn been stroomde. Hij maakte rondjes. Tientallen rondjes en stapte toen van het graf af. In de verte hoorde ik op de radio dezelfde noodoproep. Ik negeerde het. Zodra de voeten wegslenterde, begon ik als een gek in het hout te klauwen. Het was zacht hout en de splinters ramden zich onmiddellijk onder mijn vingers. Toen ik het idee had dat de sloffende voeten ver genoeg waren, schreeuwde ik tegen mijn vrienden, hoewel het meer gefluister was: ‘Help me. Help me dan toch.’ Ik had een gat gemaakt. Een klein gaatje. Brokken aarde vielen naar binnen. Het was toen ik mijn vingers in de aarde drong en me een weg naar buiten probeerde te graven, dat ik de nieuwe slenterende voetstappen hoorde. Ik hield mijn adem in. De voetstappen hielden op met lopen. Iets viel op de grond. Of beter gezegd, liet zich op de grond vallen en ik wist precies wie het was.
‘Vlees,’ zei het. Het was allang de stem van Peter niet meer. ‘Warm sappig vlees.’ Ik begon te gillen, te graaien. Beukte tegen de houten wanden. Bloed stroomde van mijn vingers over mijn polsen. Aarde viel op me. Hout viel op me. Ik maakte een groter gat en merkte dat de persoon boven me ook begon te graven. Ik begon zijn gezicht te zien. Nog nauwelijks zichtbaar. Een blauw gezicht. Met in zijn hals een gigantische wond waar nog een beetje bloed vanaf droop. Ik zag zijn vingers door de aarde graaien, totdat ook hij, onder het kleine kijkgaatje dat ik had gemaakt, zijn vingers over het hout schuurden. ‘Vlees,’ zei hij. ‘Zoet, sappig vlees.’ En terwijl ik mij blaas opnieuw leegde besefte ik met een duidelijke wrangheid, dat ik geen enkele kant op kon. Net zoals tijdens het matras. Net zoals bij de luchtkussen.
‘Vlees. Warm sappig vlees.’ En toen de belofte, de angstige belofte: ‘Ik kom er aan.’
Anthonie Holslag, juni 2018