Boek van de maand juni 2018: Heren van Twist van Jasper Polane: kort verhaal,deel 2!

CYBERSTAADT
door Jasper Polane

II. Punkie en de Rovers
‘Hou mijn hand goed vast,’ zei de jonge vrouw met de suikerspinkleurige haren. ‘Als je verdoolt vind ik je nooit meer terug.’
Door de smalle lichtstraal leek de gang nauwer dan hij in werkelijkheid was en de zaklamp flikkerde af en toe zorgwekkend.
Edison kneep in haar hand. ‘Vasthouden, begrepen. Ik volg je.’
Ze was vaker in het onderaardse gangenstelsel onder Otrostaadt geweest, in een andere wereld, maar ze kende alleen de weg van de haven naar de kathedraal. Na vier of vijf keer afslaan was ze er zeker van dat ze de weg terug niet meer zou kunnen vinden. Haar begeleidster leek echter zeker van haar zaak en zocht zonder aarzeling haar route.
Ze was een jonge meid van de lastig in te schatten leeftijd tussen de zestien en vijfentwintig. Haar roze haren waren asymmetrisch kort, haar leren jack zat vol glanzende metalen spikes en de netkousen onder haar rokje zaten vol gaten. Haar blauwe ogen waren omlijnt door dikke lijnen zwart oogpotlood, ze had een neusringetje en in haar oren pronkten een aantal veiligheidsspelden. Ze deed Edison denken aan haar eigen jeugd, toen ze zelf lid was van de leren jackie-brigade, maar dan de ontplofte variant. Leuk, maar over de top.
‘Ik heet trouwens Edison. En jij?’
‘Ik ben Punkie. Ik ben een Rover. Hoe je die Stalkers in mekaar ramde, dat was glitter! BAM!’ Ze sloeg met een vuist in de lucht. ‘Wacht maar tot Bonzer dat hoort! Vijf gangsters, dat gelooft-ie nooit! Door een zus nog wel! Ik neem je mee naar ons hol, waar …’
Plotseling hield ze halt. Ze draaide zich om en scheen de zaklamp in Edisons gezicht. Die draaide haar ogen weg en knipperde een paar keer om de vlekken te verjagen.
‘Je bent geen kopper, hè?’ vroeg Punkie. ‘Pas op, Rovers mollen koppers.’
‘Natuurlijk niet,’ zei Edison. ‘Zo opvallend? Als ik had willen infiltreren had ik op zijn minst mijn haar geverfd en een leren jack aangetrokken.’
‘Ja, dan had je er niet zo tut uitgezien,’ beaamde Punkie. ‘En had je wel struiser gepraat, niet van die kaktaal!’
Edison grijnsde. Ook al had ze zich aangeleerd niet te plat meer te praten sprak ze met het accent van de straat, compleet met Ottèhwostaasseh èhw. Thuis zou niemand zeggen dat ze bekakt praatte.
‘Ik zoek een schuilplaats om mijn apparaat op te laden. Zodra dat klaar is ga ik weg.’
‘Wist ik toch!’ Punkies gezicht brak in een aanstekelijke glimlach. Ze tikte met haar nagel tegen het metaal van Edisons paraprojector. ‘Die cyber … Wat doet ’t?’
Edison glimlachte zonnig terug. ‘Opladen.’
*
Punkie bracht haar naar een ovaalvormige concertzaal, met een houten podium groot genoeg voor een symfonieorkest en balkons aan beide kanten. De muren, pilasters en zuilen waren met graffiti bedekt en de meeste stoelen waren eruit gesloopt. Hier en daar zaten jongens en meiden tegen een muur, of op de rand van het podium. Zodra ze Edison zagen sprongen ze op. De zaal werd gevuld met het geklik van uitvouwende stiletto’s. Edison telde twaalf bendeleden. Ze greep naar het vlindermes in haar kontzak.
Punkie beende vlug door het gangpad. ‘Hoho, Rovers, wacht! De zus hoort bij mij!’
Een kaalgeschoren bendelid in een rafelig spijkerjack sprong van het podium af, raapte een honkbalknuppel van de grond en slenterde quasi-ongeïnteresseerd naar hun toe. ‘Waarom breng je een vreemde in ons hol, Punkie?’
‘Bonzer, dit is Edison. Ze heeft in haar uppie vijf Stalkers ingemaakt!’
De ogen van de bendeleider werden groot. Hij bekeek Edison opeens vol interesse. ‘Vijf gangsters? Zo’n kippetje? Echt niet!’
‘Echt wel! Het was glitter! Judo chop-HAI!’ Punkie sloeg de lucht met een paar overdreven karatestoten. Daarna liep ze naar Bonzer en huppelde om hem heen. ‘Ze is geen kippetje, Bonz! Ze is een megaduchtige vechter! Precies wat we nodig hebben!’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Bonzer scherp.
‘Edison kan onze kampioen zijn en morgen strijden in de arena,’ zei Punkie. ‘Dan hoef jij niet!’
‘Ho, wacht,’ begon Edison. ‘Ik …’
‘Ik ben de baas! Ik vecht voor de Rovers!’ riep Bonzer. ‘We hebben geen zus nodig.’
‘Maar als Edison vecht winnen we!’ riep Punkie.
‘Ik ga niet …’ probeerde Edison ertussen te komen.
‘Ik vecht ook struis!’ riep Bonzer beledigd. ‘Ik ben duchtig!’
‘Je bent heel duchtig, Bonz,’ zei Punkie. ‘Maar je houdt het nog geen tien minuten uit tegen de kampioen. Die Duivel maakt appelmoes van je. Edison vecht struiser.’
‘Wacht, Punkie,’ zei Edison. ‘Ik ga niet voor jullie vechten. Opladen, daarna ben ik weg, weet je nog?’
‘Maar je móét! Alsjebelieieft,’ smeekte Punkie met droevige hondenogen. ‘De kampioen van de Duivelsbende wint elk arenagevecht. Alle bendes verliezen van hem. We zijn al drie bazen kwijt!’
‘Punkie heeft gelijk,’ gaf Bonzer toe. ‘We verliezen gangsters, terrein en glans. Niemand heeft kans tegen de Zwarte Rune.’
‘Ik wil niet …’ begon Edison weer, maar toen viel het kwartje. Haar haren stonden in één klap recht overeind. ‘Wacht … zei je Rune?’

Volgende week: Edison in de Donderarena!