Gastrecensie: Johan Klein Haneveld over: Mijn naam is Jack- Ton den Dekker

Jack is mijn naam
Ton den Dekker

Ik kreeg de trilogie ‘Vrede van Gaul’ van Tazzy Jeninga om gastrecensies te schrijven voor haar blog. Ik had wel ‘ja’ gezegd, maar ik had het daadwerkelijk lezen van de boeken toch uitgesteld, omdat ik dacht dat het met de kwaliteit abominabel gesteld zou zijn. Immers, dit waren in eigen beheer of via publishing on demand uitgegeven boeken van iemand wiens naam ik nog nooit was tegengekomen in bundels of tijdschriften of in lezers- en schrijversgroepen op het internet. Dan zou het wel niet veel voorstellen, geloofde ik. In mijn recensie van het eerste deel schreef ik al dat ik tot mijn verrassing mijn woorden moest terugnemen. Ik gaf het boek zelfs vier sterren (zij het net aan, een 7,5). Het was een fascinerend SF-verhaal in een toekomstige wereld waar een nieuwe beschaving Europa en een groot deel van Azië heeft ingenomen. Dit land, ‘Gaul’, wordt gekenmerkt door een hoog ontwikkelde technologie in combinatie met spiritualiteit en zorg voor de omgeving. Het lijkt een utopie, maar er zijn schaduwkantjes aan, zo zorgt de angst voor vreemdelingen van de Galliërs dat landen buiten Gaul zich daadwerkelijk tegen hen gaan keren, en is er een familie die in het geheim de koers van de wereld lijkt te bepalen. Hoofdpersoon Detlev blijkt tot deze familie te behoren en moet al snel op de vlucht slaan voor misdadigers van buiten en voor de Gallische wet, en dreigt zijn vrienden en familie mee te sleuren in zijn val. Mijn belangrijkste problemen met het boek waren het wat trage tempo en de overdaad aan verklarende teksten. Dit is een geval waarbij de regel ‘show, don’t tell’ nou wel een keer wat meer mocht worden toegepast. Op deze punten en een zeker melodramatisch toontje in de beschreven relaties na vond ik het boek zeker tot de verbeelding spreken en het tweede deel liet ik dan ook niet zo lang liggen. Dit boek speelt zich af zeven jaar na het eerste. Detlev is onder de naam Jack in dienst van het leger van een buitenaardse satelliet. Zijn geheime familie is aan het organiseren dat hij kan verdwijnen en zijn opleiding kan vervolgen. Maar voor dat kan gebeuren raakt hij in conflict met iemand die hij van vroeger herkent, Diel Nyquist. Bovendien is hij als doedelzakspeler uitgenodigd voor de bruiloft van een vroegere vriend (die niet weet dat Jack eigenlijk Detlev is) waar hij een duet moet zingen met April, een meisje dat op Detlev verliefd was. Complicaties volgen elkaar vanaf dat moment natuurlijk in een hoog tempo op.
Laat ik met de negatieven beginnen. Mijn kleinste kritiekpuntje is dat er een paar redactiefoutjes in staan: een of twee d/t-foutjes, een paar ontbrekende woorden, dat soort dingen. Niet veel en ik zag geen kromme zinnen, storende herhaling van woorden of begrippen of beschrijvingen die niet klopten. Verder valt de schrijver nog steeds in zijn oude valkuil van het teveel willen beschrijven. Verklaringen van gebruiken en achtergronden zijn vaak langer dan een pagina. De wereldbouw had eerder gesuggereerd kunnen worden want al deze details zijn niet nodig voor de ‘suspension of disbelief’. Ik ben sowieso niet heel groot fan van de alwetende verteller die hier gebruikt wordt, waarbij we in ieders gedachten kunnen kijken. Ik leef liever per scene met één persoon mee. Maar het leidt ook tot goedkoop spanning opwekkende zinnen als ‘Hij zou spoedig ontdekken, dat hij zich daarin had vergist …’ Ik vond soms de emoties van karakters wel heel groot uitgemeten (er wordt veel gehuild, vooral door vrouwelijke karakters). Verder was dit wel heel duidelijk een tussenboek. Het verhaal was veel kleinschaliger, in ruimte zowel als in tijd, en er gebeurt veel minder dan in het eerste boek. Hoewel ik aanvankelijk dacht dat het daardoor trager las (ook door alle uitleg) ben ik er uiteindelijk toch vlug doorheen geschoten. De schrijfstijl is, ondanks mijn aantekeningen daarbij, toch plezierig te noemen. Niet hoogdravend, maar passend bij het verhaal dat de schrijver voor ogen stond.
Wat me vergeleken met het eerste deel meeviel was dat de dialogen waren aangescherpt. Ik had veel minder het idee dat gesprekken onnodig volledig waren uitgeschreven met inbegrip van standaard interacties die ervaren schrijvers zouden weglaten. In het eerste boek waren de dialogen daardoor traag, met opvulling die niet veel toevoegde, maar hier waren de gesprekken relevanter en daardoor interessanter. Daar had de schrijver veel van geleerd. Ook vond ik een aantal van de SF-ideeen die in het laatste deel van het boek om de hoek kwamen kijken heel erg boeiend. De bijzondere familie blijkt een grootschalig ideaal te hebben, me toen ik erover las even de adem benam. Ik hou van grote ideeën in mijn verhalen, dus ik kon dit wijdere perspectief wel waarderen. Het maakt me ook heel benieuwd naar het derde deel, waarin we er volgens mij nog veel meer over zullen lezen.
Een laatste opmerking die ik nog wil maken is meer ideologisch. Ik had er in het eerste boek al last van, maar nu nog meer, dat ik de neiging had om voor de slechteriken te zijn. Ik vroeg me al af waarom die zo slecht werden weergegeven, als meedogenloze misdadigers, die het hele zonnestelsel willen vernietigen en niets anders kennen dan haat. Als ze subtieler waren geweest, had ik ze als de ‘goeien’ gezien. Je bent namelijk als lezer meestal geneigd te kiezen voor de zwakkere partij in het verhaal, voor de ‘underdog’, degene die niet al bij aanvang van het verhaal de touwtjes in handen heeft. We zijn voor het verzet in Star Wars, niet voor de Empire, voor de hobbits, niet voor Sauron. De ‘goeden’ in dit verhaal, de familie Ayton, zijn echter hoog verheven boven de vijanden, die gewone mensen zijn als jij en ik. Detlov en zijn familie kunnen tot wel duizend jaar blijven leven, beheersen gevechtstechnieken beter dan ieder ander, hebben een eigen eiland, worden gediend door androïden en ruimteschepen, blijken te beschikken over levensvormen van nanotechnologie die eigenlijk alles kunnen, zelfs in de tijd en door de ruimte reizen, en ze kunnen ook nog eens zonder repercussies in het veiligheidsnetwerk van Gaul binnendringen. Dat maakt ze eigenlijk vanaf het begin de gedoodverfde winnaar en hun vijanden de ‘underdogs’. Ik weet dat de hoofdpersoon de erfenis van zijn familie als een vloek ziet, maar zo werd het niet echt door de schrijver gebracht. Bovendien, als de vijand nu wordt verslagen, is dat omdat die slechts een gewoon mens is, en de familie Ayton gewoon ‘beter’. Alsof de gemodificeerde Khan het wint van kapitein Kirk omdat hij sterker is. Daar had de schrijver wat beter over kunnen nadenken.
Toch ben ik over het algemeen positief over dit boek. Een originele wereld, leuke ideeën en een vlotte schrijfstijl (hoewel met ‘infodumps’) maken dit een welkome toevoeging aan de het nog kleine terrein van de Nederlandstalige sciencefiction.

Johan Klein Haneveld