Voorproefje: Peter Nys – De laatste kans op kosmos

De hitte was ondraaglijk. Alexander von Humboldt kroop op handen en knieën over de harde grond. Hij merkte niet eens dat zijn palmen helemaal waren opengehaald. Het grootste deel van de rook kringelde langs de zoldering van de mijngang. Toch reten de hete walmen zijn longen open. Het leek wel alsof ze vol
gloeiende spijkers zaten, ondanks het mondmasker. Hij hoorde zijn zware ademhaling en voelde zijn hart bonzen in zijn borstkas.
Hij raakte in paniek. Dit komt niet goed. Ik weet niet eens welke
kant ik op moet!
Alexander had zich vaak proberen voor te stellen hoe het was
om in een mijnbrand terecht te komen. Iedere keer wanneer hij
aan zijn ademhalingsapparaat werkte. Het ding functioneerde
nog altijd niet naar behoren, dat was wel duidelijk. Hij verlangde wanhopig naar de openlucht en de bossen rond Berlijn.

Ademenwerd steeds moeilijker. Er bewoog iets in de schaduwen achter
hem. Begon het gebrek aan zuurstof hem nu al parten te spelen?
Het antwoord kwam onmiddellijk. Een hand sloot zich om zijn
enkels. Alexander was te uitgeput om te roepen, maar zijn hart
sloeg enkele slagen over. Hij keek om. Een bleek gezicht staarde
hem aan. De ogen groot en rooddooraderd. ‘Help ons, meneer
Von Humboldt! Alstublieft!’ De stem kraste.

Hoe weet die man wie ik ben? Beheers je, Alexander. Hoe-
veel mannen kruipen hier rond met een masker voor de monden een groteske mijnwerkerslamp in de hand? Het was niettemin
dankzij die lamp dat ze überhaupt nog iets konden zien. Bij ontploffingsgevaar leek een mijnwerkerslamp pure waanzin, maarAlexander had de zijne juist ontworpen met situaties als deze in
het achterhoofd.

Mijngas was een van de grootste gevaren voor een mijnwerker. De minste vonk kon genoeg zijn om de heleboel te laten ontploffen, maar hij had een manier gevonden om
dat probleem op te lossen: zijn lamp had een eigen reservoir met perslucht, en de vlam werd veilig van de omgeving afgeschermd.

Net terwijl hij die overdenking maakte, sputterde het licht. Niet
nu, niet uitdoven. Dan zijn we eraan! In het duister zouden ze
nooit hun weg naar de uitgang vinden.
Hij moest nadenken, maar bovenal handelen. Hij was Wilhelm niet. De oude rivaliteit tussen hem en zijn broer speelde weer op, maar ze prikkelde hem ook. Zijn oudere broer Wilhelm was een theoreticus. Een kanjer in de klassieke talen en een echte boekenwurm. Alexander daarentegen hield ervan zijn handen
vuil te maken. Open te halen, zelfs! De wereld leer je niet kennen vanachter een bureautje, zo was zijn overtuiging.

10 11

Alexander liet zijn vingers langs de wanden van de schacht glijden. Ondertussen kroop hij werktuiglijk verder. Hopelijk de juiste kant op. De hand van de mijnwerker die hem om hulp had gesmeekt, bleef om zijn enkel geklemd. In hun kielzog kroop
nog een aantal mijnwerkers mee door de gang. Hij liet het maar gebeuren: misschien kon hij ze mee naar buiten leiden, en anders zou hij tenminste niet moederziel alleen onder de grond creperen.

De vloer van deze gang helde licht omhoog, maar dat betekende eigenlijk niets. Misschien leidde dat hem juist verder van de uitgang weg. Hij bleef de wanden van de gang aftasten.
Er kriebelde iets onder zijn vingertoppen. Eindelijk ontdekten
zijn handen wat hij zocht: kleine worteltjes. Die vond je enkel
dicht bij de uitgang van de mijn. Leven verscheen op de meest
onwaarschijnlijke plaatsen, maar altijd in de buurt van zonlicht.

Hij trok het masker voor zijn mond weg en schreeuwde het uit:

‘Hierlangs! Deze gang leidt naar buiten.’
De man achter hem knikte. De rest kon hij niet meer zien.
Maar er klonk gehoest, dus ze waren er wel nog!
Met donderend geraas stortte een deel van een verderop gelegen zijgang in. Alexander hoorde geschreeuw. Nog meer mijnwerkers! Hij kroop sneller vooruit. De nieuwe schok liet hem de pijn aan zijn handen vergeten.

Voorzichtig schoof hij de
lamp in de zijgang. Een rotsblok lag boven op een hoop gruis en kleinere stenen. Hij versperde een groot deel van de gang. Een stuk van de zoldering was naar beneden gekomen.
‘We krijgen er geen beweging in. Het is te zwaar. Help ons, alsjeblieft!’
Alexander draaide zich om. Hij rukte de hand die zijn enkel omklemde los en trok de man naast zich. ‘Help me, we zullen proberen van deze kant uit te duwen. Het is hier smal, we kunnen
maar met z’n tweeën bij de rots. Ik tel tot drie en dan duwen we zo hard mogelijk!’ Hij richtte zich daarna tegen de mijnwerkers aan de andere kant van het massieve stuk steen: ‘We proberen het jullie kant op te duwen. Ga achteruit!’ Hij wachtte even, om
er zeker van te zijn dat de mannen in de zijgang afstand hadden genomen. ‘Oké, ik tel tot drie. Een, twee, drie … duw!’

Ze probeerden het verscheidene keren, maar het was hopeloos: de steen bewoog geen millimeter. Von Humboldt liet zich op zijn achterwerk zakken en sloeg met beide vuisten tegen zijn voorhoofd. Denk na, die mijnwerkershebben je hulp nodig. De
oplossing lag recht voor zijn neus: eenvan de stutbalken was scheefgezakt en een andere lag er los tegenaan. ‘Een hefboom!

Natuurlijk, dat is het: een hefboom!’
Wederom sputterde de lont van zijn lamp. Niet nu, verdomme!
Hij vloekte opnieuw en al was het dan bij zichzelf, normaal deed hij dat nooit. Alexander sloeg nogmaals tegen de lamp. Ze flakkerde weer wat op. Er restte niet veel tijd.

‘Iedereen die nog een beetje adem in zijn longen heeft: help me deze balk tussen die andere en het rotsblok te schuiven.’Handen werden uitgestoken en spieren werden gespannen.
Met meer geluk dan kunde lukte hun opzet.
‘Op drie duwen we de balk naar de wand van de schacht. Geef
alles wat je nog in je hebt. We hebben niet lang meer.’
Deze keer gaf de grote steen meteen mee.

De wetten van de fysica wonnen van de onverzettelijkheid van een log rotsblok.
Dat schoof ratelend van de hoop kleinere rommel. Tellen later
kropen de eerste mijnwerkers erover, richting hun redders. Er was echter geen tijd dit kleine succes te vieren. Alexander was dan ook al terug tot in de hoofdgang gekropen. Klaar om zijn
treintje van ellende naar buiten te loodsen.
Het vlammetje in de lamp danste op en neer. Von Humboldt sloeg opnieuw met de vlakke hand op de koperen voet van de lamp. Het mocht niet baten. We zijn verloren. In het laatste flikkerende licht zag Alexander nog net een schim opdoemen uit de donkere gang voor hem. De man kroop ook op handen en
knieën. Hij had een zakdoek voor de mond gebonden. Alexander
probeerde de man te herkennen,maar de ogen kwamen hem niet
bekend voor. Bovendien liep een lelijklitteken dwars door de
wenkbrauw van de onbekende. Dat zou hem zeker zijn opgevallen
als hij de man ooit eerder had ontmoet.
Het licht doofde onherroepelijk. De duisternis wikkelde zich als een rokerige vod om het hoofd van de uitvinder. Alexander bonkte met zijn vuisten op de grond. Alsof hij hiermee een of andere occulte rite had uitgevoerd, floepte er opnieuw een licht aan. Niet afkomstig van zijn lamp, maar van het hoofd van de
mysterieuze schim voor hem. Het licht scheen veel feller dan
Alexanders lampen ooit hadden gedaan. Hij kreeg geen tijd er
vragen over te stellen.
‘Hierlangs! Grijp mijn been vast!’
Alexander deed wat hem werd opgedragen. De onbekende
wist blijkbaar welke kant ze op moesten. Ze baanden zich een
weg door de donkere gang, die zich steeds meer met rook vulde.
De felle lichtstraal was zelfs hiertegen opgewassen. Alexander had zijn mondmasker opnieuw voor zijn mond getrokken. Hoe de anderen er nog in slaagden te ademen, was hem een raadsel. Niet veel later klonk een opgewonden stem. ‘We hebben de
uitgang gevonden. We zijn gered!’

Advertenties

Charles Dickens- De krekel bij de haard

Verhaal over liefde en vertrouwen. Ruim 175 jaar geleden geschreven door Charles Dickens en nu opnieuw vertaald door Mark van Dijk. Met prachtige illustraties van René Hazendonk, scènes die zo uit het verhaal lijken weg te lopen.

Het brengt je de echte kerstsfeer weer.

Het is spannend, mysterieus en roept melancholische gedachtes of gevoelens bij je op.

Je volgt de jonge vrouw Dot met haar wat oudere man John Peerybingle. Ze krijgen een baby en hebben een aparte vrouw (Tilly) in huis, die voor de baby zorgt. De familie krijgt bezoek van een vreemde man. Vanaf dat moment komen ze erachter wat gelukkig zijn inhoudt. En hoe voelt het als je dat verliest?

Je moet wel je hoofd erbij houden. Anders raak je de draad kwijt. Best veel personages en het leest vlotter dan het het originele verhaal. Maar doordat deze vertaling een stuk makkelijker leest, kom je toch heel snel in het verhaal terecht. De taal is wat makkelijker dan de originele versie.

Het plot zit goed in elkaar. Het zou bijna een klucht kunnen zijn. (Een soort toneelstuk). Ik zag het niet aankomen.

Meer personages zijn bijvoorbeeld een nogal merkwaardige speelgoedfabrikant. Een man met een blinde dochter. Zij ziet het leven heel anders, dan het in werkelijkheid is. Dit vond ik het mooiste personage: het blinde meisje Bertha.

Boodschapp: Soms zijn dingen te mooi om waar te zijn. Ookal schets je ze heel anders om iemand anders een beter gevoel te geven. Je handelt uit liefde. Dus is het niet zo erg verkeerd toch? Vaderliefde. De liefde voor een kind. Mooi stukje van het verhaal.

Ik heb er van genoten en kijk alweer uit naar de volgende!

4****

Voorproefje: Zielenmenners

Ongeduld beheerste zijn emoties. Prettig ongeduld. Deze avond ving al veelbelovend aan: een smogvrije herfstlucht, onbewolkte hemel boven Manhattan, rossige pracht aan de horizon, bloed van witten in het vooruitschiet.
Het kind noch haar moeder deelde zijn haast. Zij wilden dat hij vertrok, hen in leven liet. IJdele hoop, wat ze beiden beseften. Ze wisten wie hen gevangenhield, dat ze oorlogsslachtoffers werden.
Het meisje ondernam een poging om door de lap voor haar mond te schreeuwen. Tranen drupten uit haar ooghoeken. Ze vocht zwak met de touwen die haar gebonden hielden. In haar zetelde de kennis onvolkomen. Oud genoeg om te weten wie ze was, wat zij was, te jong om te weten waarom haar afkomst de reden was dat ze moest sterven.
Haar moeder vestigde haar blikken star op haar dochter. Blikken waarin wanhoop de hoop traag overwoekerde. Ze duwde met haar tong tegen de doek die haar monddood hield, rukte aan haar boeien. Alleen de leunstoel waarin ze zat kraakte onder de last van haar worstelen.
Hun begrip was onbelangrijk, zijn wil was onbelangrijk. De meester had hem bevolen hen te doden.

***zie voor meer:
https://www.ambilicious.nl/boeken/fragmenten/LE_Zielenmenners_TerrenceLauerhohn_def_02102018.pdf

Website Terrence: http://www.123website.nl/lauerhohn

(Gast)recensie: Johan Klein Haneveld over Ton den Dekker- Sleutel van het universum

Gast-Recensie

Sleutel van het universum – Ton den Dekker

Science fiction van Nederlandse bodem is nog steeds een relatief zeldzaam voorkomend verschijnsel en dat alleen al is reden om enthousiast te zijn over deze boeken van Ton den Dekker. Flinke pillen, die hij ook nog eens in eigen beheer uitbrengt. Ik heb begrepen dat in 2018 deel vier van de serie zou moeten uitkomen. Het enthousiasme van de auteur voor zijn verzonnen verhaalwereld moge daaruit wel duidelijk zijn, net als zijn doorzettingsvermogen.
Dit is het derde deel van de reeks, waarvan ik de eerste twee delen ook heb gerecenseerd. Lezers die de eerste twee delen niet hebben gelezen, raad ik af om met dit deel te beginnen. Als je de eerste twee delen wel hebt gelezen zal het logisch zijn ook dit deel aan te schaffen. Maar een waarschuwing is op zijn plaats: ik vond dit derde deel minder interessant dan het tweede en vooral het eerste deel. Je moet echt behoorlijk geïnteresseerd zijn in het verhaal van de familie Ayton om ook hiervan te kunnen genieten. Ikzelf geef het drie sterren in plaats van de vier die ik aan de eerste twee delen gaf.
Voor mij is drie sterren nog steeds voldoende. Den Dekker’s schrijfstijl bevalt me wel. Goede afwisseling in zinslengte en opbouw, natuurlijk klinkende dialogen, af en toe wat humor. Geen storende taalfouten of grammaticale missers. Ik kwam in dit boek wat d/t-fouten tegen, maar dat was het enige (vooral voor een zelf gepubliceerd boek een compliment waard). Als Den Dekker zich aan actiescènes waagt blijkt hij daar talent voor te hebben. Deze passages zijn altijd spannend, met een gruwelijk randje. Dat mag ik wel.
Ik meende in dit deel bovendien op te merken dat de auteur als schrijver gegroeid was. De dialogen waren minder uitvoerig dan in het eerste deel. Daar had ik het idee dat elk woord dat mensen uitspreken werd weergegeven, ook als dat voor het verhaal niet nodig was. Hier waren de dialogen meer gestroomlijnd. Ook kwam ik niet meer zoveel storende uitwijdingen tegen over de geschiedenis en de technologie van de Aytons. Deels omdat de meeste details al in de eerdere boeken voorbij waren gekomen, maar ook omdat meer informatie middels dialogen en gebeurtenissen werd overgedragen. Dat zorgde voor een prettigere leeservaring.
Waarin deze verhalen uitblinken is de wereldopbouw. De toekomstige wereld van Gaul is tot in detail uitgedacht en is ook nog eens overtuigend. Ik genoot van dit aspect van deze verhalen, ook hier weer. En als bonus krijgen we in dit deel ook nog eens niet alleen beschrijvingen van andere planeten, maar ook een tijdreis naar het Rotterdam van 2024.
Mijn belangrijkste kanttekeningen bij dit boek zijn in de eerste plaats dat dit een tussenroman is. Er gebeurde relatief weinig en twee verhaallijnen die belangrijk zijn, hebben relatief weinig met elkaar te maken. Middels dromen van een van de karakters wordt gesuggereerd dat er heel veel mis kan gaan, maar uit het verhaal blijkt dat niet. Alleen het deel in het Rotterdam van 2024 was echt spannend. Dit komt mede doordat de kant van de hoofdpersonen veel machtiger is dan die van hun tegenstanders. Dit leidt tot het vreemde effect dat je als lezer op de hand gaat zijn van de ‘slechten’ – en ze zijn ook heel slecht, met aanrandingen en martelingen en aanslagen. De familie Ayton, die we volgen, heeft intelligente ruimteschepen, poorten waarmee ze door ruimte en tijd kunnen reizen, machtige robots (die ook de toekomst kunnen voorspellen), een vorm van meditatieve dans waarmee ze bijna alles kunnen (zoals de tijd bijna stilzetten), verborgen bases en ga zo maar door. Het misdaadimperium dat hen bedreigt beschikt eigenlijk alleen maar over de kroontechniek (die ooit van de Aytons is gestolen) en doet verder in alles voor de Aytons onder. Omdat je als lezer toch bijna automatisch voor de ‘underdog’ bent, zoals in het verhaal van David en Goliath, en bijna elk sprookje (en Star Wars), begin je hier te hopen dat het Consortium de bovenhand behaalt. De Aytons geven ook nog eens niet het idee dat het ze moeite kost. Zelfs als een van hen in vermomming door de vijand gevangen wordt gehouden bestaat er eigenlijk geen twijfel of ze alles onder controle heeft. Ik denk dat de schrijver zich heeft laten meeslepen door zijn enthousiasme over zijn wereld en de Aytons en dat hij pas daarna heeft bedacht dat hij een vorm van conflict moest introduceren. Dat het Consortium op de tweede plek kwam, en voor hem ook minder belangrijk is dan het laten zien van de glorieuze toekomst die de Aytons mogelijk maken. Maar daardoor is het evenwicht van het verhaal zoek. Ik vond dat jammer.
Tenslotte leunt dit boek wel heel veel op ‘magische technologie’ van poorten door ruimte en tijd tot meditatieve dans van patronen waardoor iemand zelfs van een man in een vrouw kan veranderen. Het verstoorde voor mij in elk geval de ‘suspension of disbelief’. Het verhaal is hierdoor meer fantasy dan science fiction geworden. Meer dan het in het eerste deel was – daar was het nog een beetje geloofwaardig.
Kortom, wat mij betreft gemengde gevoelens over dit boek, maar het leest vlot en de wereldopbouw is boeiend. Dus voor wie enthousiast was over deel 1 en 2 toch wel een aanrader.

Johan Klein Haneveld

Jorge Zepeda Patterson – Zwarte trui

Dit boek neemt je mee naar de wielerwereld. Een bikkelharde wereld. Een wielrenner moet zich letterlijk en figuurlijk naar de top knokken.

Marc is de knecht van de frontman Panata in zijn team. Hij maakt het meeste kans om de tour De France te winnen. Er vallen steeds meer mensen uit, of krijgen vreemde ongelukken, als ze ook maar een beetje dichtbij Panata komen…… maar de winst lonkt ook voor Marc. Elke renner lijkt een verleden te hebben. Er vallen slachtoffers. De moordenaar kan op de fiets achter je rijden….

De spanning komt vooral van De tour zelf. Ik vond het voor een thriller niet spannend genoeg. Je leest en leert veel bij over de wielerwereld, maar ik heb geen moment op het puntje van mijn stoel gezeten. Ik werd niet door het verhaal gegrepen. En dat maakt een boek…. of breekt het…

Ik ben er sinds de zomer meerdere keren aan begonnen, maar steeds weer gestopt. Deze hele wereld is er een, waar ik weinig mee heb. Het is wel origineel gevonden. Voor echte wielerfans is het waarschijnlijk een geweldig boek. Ik vond het teveel informatie. Soms van de hak op de tak springend. Er werd gewezen naar verdachten, waarvan ik dacht nee die hebben het echt niet gedaan. Ik raakte echt in de war van dit boek en voelde er niets bij. Helemaal geen boek voor mij. Ik kan het ook niet meer als 2,5 sterren geven.

Johan Klein Haneveld- Een voorproefje van *De afvallige ster*

Voorproefje ‘De afvallige ster’

7 december 2018 komt mijn elfde boek uit, ‘De afvallige ster’. Deze SF-roman combineert sciencefictionelementen zoals Dysonbollen, intelligente materie en niet-menselijke wezens met persoonlijke thema’s zoals de gevolgen van pesten en de verwachtingen van ouders.

Politieagent Mogart Silvon komt tijdens een missie een mysterieus symbool tegen. Het is het begin van een spoor, dat hem uiteindelijk leidt tot voor de grote godin Firona. Nu krijgt hij van haar een bijzondere opdracht. Om te achterhalen wat er is gebeurd met haar zoon, reist Mogart naar een andere wereld. Een omgeving waar vreemdsoortige wezens over de velden dwalen, op hol geslagen technologie het leven bedreigt, en de mysterieuze zwarte god het voor het zeggen heeft …
Het boek is te bestellen op de website van uitgeverij Macc (http://www.uitgeverijmacc.nl/product/de-afvallige-ster-johan-klein-haneveld/) en verder overal waar boeken te verkrijgen zijn.
Hieronder vind je alvast een voorproefje van het eerste hoofdstuk.

Hoofdstuk 1. Aan de andere kant van de muur

Ik weet niet wat ik had gedacht dat er zou gebeuren als ik op het dak van een rijdende auto zou springen. In elk geval niet dat ik me even later uit alle macht zou vastklemmen aan de rand van het portier terwijl het voertuig door een stenen muur brak. Ook niet dat ik meters beneden me golfplaten daken en modderige stegen zou zien en de met open mond omhoog kijkende gezichten van de verschoppelingen. Ik had echter altijd een onbesuisde kant gehad.
Mijn ochtend was nog zo gewoon van start gegaan met het dreinen van de wekker, zo schel dat ik het niet kon negeren, gevolgd door de sensatie van de koude linoleum vloer onder mijn voeten. Ik wierp een blik naar buiten tussen de gordijnen door. De straat was nog alleen verlicht door flakkerende lampen. In het oosten kon ik echter al wel een dunne band blauw onderscheiden en ik hoorde gedempt het fluiten van vogels. Ik zocht de woonkamer op om mijn regime van oefeningen af te werken: opdrukken, buikspiertrainingen, dat soort dingen. Ondertussen sprak een stem uit het wandscherm me ernstig toe: ‘Mogart Silvon, je tijd voor de strekoefeningen was 0,5 seconden langer dan het gemiddelde van je collega’s vanochtend. Ik adviseer je beter je best te doen op dit onderdeel.’
‘Ik ben nog niet helemaal wakker,’ antwoordde ik, terwijl ik met mijn handen achter mijn hoofd uit mijn liggende houding overeind kwam. ‘De rest zal op niveau zijn, dat beloof ik. Laat me het vervolg van het programma zien voor vandaag.’
Op het scherm verschenen de kaarten en lijnen. Een groot bouwbedrijf zou een nieuw appartementencomplex neerzetten, speciaal voor de burgers die het afgelopen decennium extra productief waren geweest. Dit betekende dat de geautomatiseerde akkers in het noorden een eind zouden opschuiven, het braakliggende achterland in. In de loop van de dag zou een delegatie uit Delgoi arriveren per raketschip. De grote stad lag bijna een half miljoen kilometer ten noordoosten van ons – met speciale kijkers konden kinderen vroeg in de morgen de omtrek ervan zien in het blauw van de hemel, ingeklemd tussen de vierkante silhouetten van nachtschermen. Van elf uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags was dichte bewolking en regen voorzien, zodat de zon weer gewoon kon schijnen op het moment dat het gezelschap in het paleis ontvangen werd. Beelden van het evenement zouden op de avonduitzending getoond worden. Ook kregen de burgers het verzoek verdachte activiteiten direct te melden, aangezien misdadigers en uitgestotenen op dit soort gelegenheden wachtten om hun kwartier te verlaten en de openbare orde te verstoren. ‘Laten we ze niet de kans geven ons af te leiden van onze taak, tot meerdere eer en glorie van de grote Godin, geprezen zij haar naam.’
‘Geprezen zij haar naam.’ Ik wist niet goed waarom ik de woorden van het scherm herhaalde. Waarschijnlijk puur uit gewenning. Op deze manier werd immers de uitzending altijd afgesloten en al op school had ik geleerd hoe ik erop moest reageren, zelfs als er niemand toekeek. Ik wierp een blik op de wand. Als het scherm kon zien hoe vaak ik me opdrukte, kon het ook controleren hoe enthousiast ik me uitte over de Godin. Dus zei ik het nog maar een keer. ‘Geprezen zij Firona.’
Ik stapte onder de douche, waar ik ervoor zorgde dat ik niet meer dan de voorgeschreven hoeveelheid water gebruikte, liet me door warme luchtstralen afdrogen en trok mijn donkerblauwe uniform aan, de laarzen en handschoenen als laatste. Toen ik mijn appartement verliet, was de blauwe strook in de verte al een stuk breder geworden, maar de lucht boven mij was nog ononderbroken donker, bijna zwart. Er was nauwelijks iemand op straat, alleen mensen zoals ik die vroeg op hun werk moesten zijn. Als ze geen auto hadden, liepen ze net als ik met grote passen over het trottoir, hun schouders opgetrokken, hun ogen gericht op de grond voor hen. De enige groet die ze uitwisselden, was een gemompeld ‘Goedendag’. Vooral mij leken ze bewust te ontwijken, waarschijnlijk vanwege mijn kleren, die in één oogopslag duidelijk maakten dat ik bij het politiecorps hoorde, zelfs al brandden de lichten op mijn epauletten nu niet. Ik was eraan gewend. Ikzelf bleef echter vriendelijk knikken en probeerde de mensen aan te kijken. Zo had ik het immers van mijn vader geleerd.
Ik liep de grote winkelstraat in en stapte de koffie- en ontbijtzaak binnen. Mijn vaste stop, elke morgen. Er stond geen rij voor de toonbank. Ik hield mijn hand tegen de gevoelige plaat en mijn bestelling verscheen op het scherm daarboven. Dit keer maar één reep gebakken spek in plaats van twee, had het systeem berekend. En een extra dosis vitaminen in mijn sap. Mijn belofte dat ik mijn trainingsresultaten zou verbeteren, was kennelijk niet verder in het systeem opgenomen. Ik keek opzij naar waar de winkelbediende op een kruk zat, met zijn rug tegen de wand, zijn ogen half gesloten. Hij hoefde voor mij niet in actie te komen. De kosten van mijn maaltijd werden automatisch van mijn rekening afgeschreven. Ik moest drie minuten wachten tot het luik openklapte en mijn bestelling verscheen. In die tijd kwamen er vijf mensen achter mij te staan, in een keurige rij allemaal op dezelfde afstand achter elkaar. Met het broodje in mijn linkerhand en de plastic beker rechts haastte ik me verder. De kunst van het lopend eten en drinken had ik de afgelopen jaren geperfectioneerd.
In de etalages zag ik op elkaar lijkende kleren: antracietgrijze broeken, witte shirts en zwarte jassen. De dames hadden iets meer keuze, maar niet veel. Zelfs de duurste outfits hadden bescheiden kleuren, al waren ze wel totaal anders van model dan de koopjes. Alsof ze er vooral toe dienden groepen mensen van elkaar te scheiden. Boven de winkels rezen flatgebouwen op, steeds uit beton of baksteen opgetrokken, zonder tierelantijntjes. De balkons waren allemaal voorzien van dezelfde witte stoelen, nu nog opgeklapt tegen de zijmuur. In de nog steeds voortdurende schemering, zonder de drukte van slenterende, mompelende mensen, zorgde het voor een naargeestig eentonig uitzicht.
Het werd er niet beter op toen ik op een kruispunt de weg overstak en in het zakendistrict terechtkwam. De enige onderbreking van de uniformiteit was het standbeeld op het plein voor het politiebureau. De grote Godin Firona was uit marmer gehouwen, drie keer zo groot als ik, en stond op een donkere granieten sokkel. Op haar voorhoofd glom een diadeem en witte krullen vielen als een waterval over haar blote schouders. Haar ogen stonden streng boven een haviksneus en haar perfecte lippen waren recht en toonden zelfs niet een spoor van een glimlach. Ze droeg een geplooid gewaad, met een brede gordel om haar middel en poffende mouwen. Met één hand hield ze de zoom van haar rok opgetild, zodat te zien was dat ze met de hak van haar laars op de zilveren bol van de wereld stond. Er zat een rond gat in. Jaren geleden had ik me een keer op mijn knie laten zakken. Door de opening zag ik de omtrek van reusachtige zeeën en oceanen, lichtjes op de plaats van de grootste steden, te veel om te tellen, en de suggestie van kronkelende bergketens. De buitenkant van de bol was echter volledig glad.
Boven aan de trap, voor de glazen deur, keek ik nog een keer achterom. De hemel was nu half zwart, half blauw, en van het ene op het andere moment lichtten de gebouwen aan de overkant van de weg op. Het saaie grijs was plots vervangen door warm geel en spiegelend glas. De grote Godin bevond zich echter nog net in de duisternis, een grauw gat in de levendige, gedetailleerde achtergrond. Een paar seconden later had de schaduw van het nachtscherm ook haar achter zich gelaten en was er niets verontrustends meer aan haar verschijning.

Blake Crouch – Vlucht

Met dit boek heeft hij weer een van mijn favoriete boeken geschreven. Blake Crouch is echt een top auteur. Hij heeft het weer geflikt! Ik heb het boek in 1 ruk uitgelezen, het is nagelbijtend spannend.

De wereld is helemáál gek geworden. De mensheid is verdeeld in twee kampen.

Kamp 1: De ménsen die een mysterieus licht aan de hemel hebben gezien. Zij gaan op jacht naar iedereen, die volgens hun niet meer verder mogen leven.

Kamp 2: De mensen die het licht niet hebben gezien en moeten vluchten, omdat ze anders op ern brute wijze om het leven gebracht zullen worden.

Waarom het licht er opeens was, weet niemand? Heeft God een besluit gemaakt en straft hij de mensheid? Of is er iets heel anders aan de hand?

Jack moet vluchten, samen met zijn vrouw, dochter en zoontje. In 5 dagen tijd, is de wereld niet meer te herkennen. De jacht is geopend. Ze roepen namen af op de radio, deze mensen moeten dood. Zijn naam wordt ook opgenoemd.

Je volgt het gezin op een bizarre roadtrip door verschillende staten in de V.S. Ze zijn nergens echt veilig. Het is de spanning, die je ook in the walking dead voelt. Alleen zijn Dit geen zombies, maar gek geworden mensen, met auto’s en geweren. Ze willen maar 1 ding… En dat is Jack en zijn gezin vermoorden.

De angst, wanhoop en de honger springen van de pagina’s af.

Dit spannende horror, die de gruwelijke kant van de mensheid laat zien. Iemand waar je zielsveel van houdt, kan je gewoon ineens vermoorden. Ze kunnen het niet tegengehouden, de drang is te sterk.

Deze hele wereld is Dystopisch en de overlevingsdrang van Jack kent bijna geen grenzen. Hij heeft er alles voor over, om zijn gezin te beschermen. Dit zorgt voor bloederige en gruwelijke momenten. De wereld ligt in puin, de mensheid lijkt niet meer te redden. Wat zou jij doen in deze situatie? Geef je op, of ga je door tot je niet meer kunt? Horror om over na te denken!!

Ik vond dit boek echt super goed. Het is weer een boek dat ik 6 sterren, zou willen geven. De spanning is nagelbijtend goed! Ik ben al mijn nagels kwijt! 5*****