Voorproefje: De boomridder- Peter Varg

Het Ultieme Wapen

In blinde razernij smeet ik mijn bureau van massief eikenhout door mijn werkkamer. Al mijn documenten vlogen als papieren vogels door de lucht. Nieuwsgierig geworden door mijn gebrul opende mijn secretaris de deur en kwam binnen. Hij kreeg prompt de monumentale schrijftafel tegen zijn lelijke trollenkop en stond niet meer recht.
Ik was het beu. Beu van lijsten te controleren van manschappen, voor-raden en wapens. Beu van strategieën te bedenken voor mijn zwarte legioenen. Beu om de rapporten van infiltranten te lezen. Beu om te zijn wie ik was. Prins van de Duisternis, Heerser over de onderwereld, of een armzalige controlefreak? Ik greep mijn vest en trok de deur met zoveel geweld achter mij dicht dat een deel van de zoldering instortte. Dat luchtte wat op en de trol was netjes begraven. Dat verdiende hij wel na zoveel jaren dienst.
Honderd meter verder botste ik op een gnoom. De problemen bleven me volgen. Boos trapte ik het onvoorzichtige wezen de gang door. Het maakte nog een paar vreemde geluiden en toen zweeg het voor altijd. Een langsvliegende harpij wierp me een bezorgde blik toe. Dat had ze beter niet gedaan.
Tijdens de tocht door mijn paleis floot ik een melancholisch wijsje terwijl ik met de nagels van mijn rechterhand een spoor van krassen op de granieten muren achterliet. Langzaam kwam ik tot rust. Ik zag tot mijn verbazing dat mijn dienaren voorbeeldig aan het werk waren. Er was er niet één die in mijn richting keek. Dat was vreemd, zo werklustig waren ze meestal niet. Ach, wat maakte het uit.
In gedachten verzonken kuierde ik verder. Ik begreep mezelf niet meer. Ik was altijd een controlefreak geweest en daar had ik tot op heden best mee kunnen leven. Waarom werd ik nu humeurig, ja zelfs woedend over het feit dat ik was wie ik was en waarom, bij alle duivels groot en klein, stond ik in de kelder met het hoofd van een harpij in mijn hand? Ik gooide het bloederige ding in een hoek en keek verdwaasd om me heen.
Op dat moment besefte ik het: ik was op weg naar Amit. Hij was een van de dertien gevallen engelen die, net zoals ik, na de opstand in de hemel door Akash uit zijn glorie was verstoten en aan de Aarde was gebonden. Het was een vervelende vent met merkwaardige talenten. Amit gebruikte in de strijd als wapen de angst. Heel lang geleden had hij mij verteld dat de strijd op de Aarde niet gewonnen zou worden op het slagveld. Op mijn vraag ‘hoe dan wel’ had hij geantwoord: ‘In de hoofden en in de harten van de mensen.’
Het waren deze woorden die woekerden in mijn geest. Onbewust had ik me gerealiseerd dat al mijn inspanningen om een machtig leger uit te bouwen nutteloos waren. Ik had mijn zwarte legioenen, de dienaren van de Leegte hadden hun elitekrijgers. Ik had een reus, zij hadden een mutant. Ik had een geest, zij hadden er twee, en zo ging het maar door. Geen wonder dat ik gefrustreerd was. Ik had iets anders nodig om het laatste gevecht te winnen. Misschien kon Amit mij helpen bij het ontwikkelen van het ultieme wapen.
Ik dwaalde wat rond tot ik uiteindelijk voor een nis stond waar een groot schilderij hing. Ik stapte door het doek en kwam in de stille, roerloze wereld van Amit terecht. Ik stond op de binnenplaats van een Spaanse haciënda. De gebouwen waren voor het grootste gedeelte ingestort. Marmeren zuilen lagen gebroken op de grond. Een tuin vol verrotting, waarvan de grond vervuild was met stukjes hard plastic, werd omringd door tegels in vale kleuren. In het midden van de binnenplaats stond een fontein. Een gevleugelde draak, van wie het lichaam bestond uit roestige stukken ijzer, spoot bruin water naar de altijd grijze hemel. Het dikke, gekleurde glas waarvan zijn vleugels waren gemaakt, was op tientallen plaatsen gebarsten. Onder een zwarte, bladerloze boom stond een edelhert van zeker twaalf jaar oud met een indrukwekkend gewei. Zijn ingewanden hingen uit zijn opengescheurde buik.
Ik stapte door een gat in de muur de woning binnen en liep via een draaitrap, waar hier en daar een trede ontbrak, naar zijn atelier in de wetenschap dat Amit daar altijd te vinden was.
Hij stond in het midden van een grote ruimte voor een wit doek met een verfborstel in de hand. Op de grond stonden verschillende verfpotten. Hij leek te wachten op iets. Hij keek me even aan, groette me met een knikje en concentreerde zich weer op zijn werk. Door een groen beslagen dakraam viel een streep licht naar binnen. Ik keek aandachtig toe. Een druppel zweet zocht zijn weg over Amits gezicht, viel op de grond en ontplofte in het stof. Zijn penseel schoot vooruit met de snelheid van een slang.
Terwijl hij als een bezetene aan het werk was, keek ik wat rond. De muren hingen vol schilderijen.
Een mager meisje dat gevangen zat in een kader gemaakt van botten, vroeg om mijn aandacht. Het was een levend skelet met een bleke, droge huid en lange, smerige haren. Ze stond naakt voor het deurgat van een krot en spoot met een gouden naald chemische rotzooi in haar buik. Ze likte met haar tong over haar gebarsten lippen en met haar linkerhand streelde ze haar rechtertepel. Als ik in haar groene ogen keek, keek er iets wilds en ontembaars naar mij terug. Ik schrok, dat had ik niet verwacht. De ellende had haar niet gebroken, maar had haar sterker gemaakt. Door een venster zag ik een oud wijf. Ze sneed met een groot mes een plastieken pop met uitgestoken ogen en afgebrande lokken open op een tafel met drie poten. Door een gebroken spiegel gluurde ze begerig naar het meisje.
Amit kwam naast mij staan.
‘Neem wat meer afstand, Lucifer. Kijk zonder verwachting. Kijk niet naar wat je zou willen zien, maar naar wat er staat.’
Ik schrok van zijn stem. In deze stille wereld leek elk geluid misplaatst. Ik deed twee stappen achteruit en keek opnieuw.
Een schittering trok mijn aandacht. Het viel me op dat het meisje en de oude vrouw beiden een ring droegen met een robijn. Ze hadden ook alle twee een heel klein litteken boven hun linkeroog. Inzicht overspoelde me.
Ik wilde mijn pas verworven kennis met Amit delen, maar hij stond weer bij zijn schilderij. Zijn tong flitste uit zijn mond en zijn hand speelde gedachteloos met zijn ring. Een ring met een rode steen.
Terugkijkend naar het meisje herkende ik moeiteloos het gezicht van Amit in haar uitgemergelde gelaat. Ook in de oude vrouw vond ik hem terug. De rimpels en de wellustige grijns konden hem niet meer verbergen. Zelfs in de pop was hij aanwezig. Hoe kwam het dat ik dat de eerste keer niet had gezien? Misschien door mijn weerzin voor rauwe emoties? Blind voor de zielenpijn waaruit het was geboren, had ik naar zijn kunstwerk gekeken. Ik besefte dat hij schilderde met bloed en tranen. Nu ik wist hoe ik moest kijken, kreeg ik een heel nieuw werk te zien. Het was gruwelijk, het was mooi. Het was te veel voor mij. Snel richtte ik mijn blik op het volgende doek.
Een straatbende trok op strooptocht door de eindeloze sloppenwijken, gewapend met ijzeren staven, bijlen en basketbalknuppels. Ze wandelden door grachten vol uitwerpselen en rottende lijken. Ze staken krotten in brand en maakten ze met de grond gelijk met de bewoners erin. In hun houding zag ik geen woede of haat, enkel dodelijke verveling. Amit was alom tegenwoordig. Hij wachtte en verbeet zijn tijd.
Op een ander schilderij speelden diezelfde jongeren voetbal tegen een rivaliserende groep. Het spel was wild en uitgelaten. De energie spatte van het doek. Ze gebruikten een hoofd als bal en de scheidsrechter bestrafte een speler die in de fout ging met een vlijmscherpe vleeshaak. Helemaal alleen op een bank naast het veld zat een jongeman in een mooi voetbaluniform. Hij was gewassen en geschoren en zijn haar was netjes geknipt. Hij keek smekend naar de scheidsrechter. Hij wilde spelen. Werd hij een reservespeler, of een reservebal?
Een volgend schilderij, een volgende confrontatie. Een amokmaker moordde in het wilde weg. Hij maaide met een machinepistool tientallen mensen neer. De mannen, vrouwen en kinderen in zijn buurt waren niet onder de indruk. Ze wandelden rond alsof hij er niet was en zij die stierven deden dat met een glimlach.
‘Waar heb ik je bezoek aan te danken?’ vroeg Amit die naast mij op-dook.