Voorproefje: Bloeddorst- Mark van Dijk

HOOFDSTUK 2

Ze stapten in haar auto en reden over de provinciale weg richting Wassenaar. Jack was benieuwd waar ze naar toe gingen, maar kreeg niet de kans om dat te vragen, want Sylvia had over iedere bocht die ze maakten wel iets te vertellen. Ze namen het rotonde driekwart en daar ging ze weer.
‘Hier was vroeger een schitterend hertenkamp, met allerlei dieren. Vooral herten, die zag je toen nog niet zoveel.’
‘Oh.’
Bovenaan de heuvel draaide ze de Cantineweg op, een smalle landweg die langs de rand van de duinen liep en de scheiding vormde tussen nieuwbouw en duin. Onverstoorbaar praatte ze verder. Jack overwoog even om zijn vingers in zijn oren te steken, maar herinnerde zich net op tijd de belofte aan zijn vader.
‘Ik zie dat de oprukkende nieuwbouw hier ook al woekert als onkruid. Ach, zo is er weer een karakteristiek stukje Katwijk verworden tot niet meer dan een willekeurige jeugdherinnering.’
‘Het zal wel.’ Zou hij een grapje maken over haar zenuwtrek? Nee, beter van niet.
‘Het zal wel? Dit waren voorheen prachtige landerijen. Huizenbouw is haast even vernietigend als k… Oh, we zijn er.’ Ze parkeerde de auto halverwege aan de zijkant van de weg, tegen de duinen. Beiden stapten tegelijk uit.
‘Hier is het!’ riep ze. Triomfantelijk overhandigde ze Jack de zaklamp, die ze zojuist uit het dashboard had gehaald.
Jack nam aarzelend de lamp aan. ‘Wat moeten we hier nou doen? Ik dacht dat we naar een film ofzo zouden gaan?’
‘Nee,’ zei ze, terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Ik vroeg of je van oorlogsfilms hield.’ Ze knipte haar eigen zaklamp aan en uit, om te kijken of hij het deed.
‘Wat heeft dat dan met de duinen te maken?’
‘Dat zal ik je zo laten zien.’
Samen liepen ze de duinen in, het schelpenpad op. Het was rustig. Op Jack en Sylvia na, was er verder niemand te bekennen. Voor hen uit schoot een klein, bruin konijn weg van het pad. Het diertje sprong geschrokken in het groen achter het prikkeldraad. Een wit huppelstaartje verried waar het zich verscholen hield.
Al na een paar meter stond Jack even stil en ademde diep in. Hij rook die karakteristieke, frisse duinlucht, die alleen nóg lekkerder kan ruiken na een regenbui. Het begon al zachtjes te schemeren en naast zich hoorde hij een aantal krekels die in het helmgras voorzichtig begonnen te tjirpen. Opeens twijfelde hij of het wel een goed idee was om met een vreemde vrouw, waar hij eigenlijk alleen haar naam van wist, de duinen in te gaan. Maar zijn vader vertrouwde haar, dus moest hij dat ook maar doen. Hij trok een korte sprint, zodat hij weer naast haar kwam te lopen. Ze volgden het paadje tot ze voor een tweesprong stonden.
‘En nu?’ vroeg Jack.
‘Nu gaan we linksaf en lopen we door tot we aan onze linkerhand bunkers zien.’
Meteen stond Jack stil en staarde zijn oppas met grote ogen aan. ‘Echt waar? Zijn daar echte bunkers? Uit de oorlog?’ vroeg hij.
‘Echte bunkers, uit de tweede wereldoorlog,’ beaamde ze. ‘Ik kan niet geloven dat je nog nooit met je vader door de duinen hebt gewandeld. Dit is zo’n mooi gebied. Dan had je ze zelf al veel eerder zien liggen.’
‘Mijn vader heeft weinig tijd. Als hij tijd heeft, dan wil hij liever ontspannen en lekker op het strand liggen.’
‘Het zal inderdaad niet meevallen om een eenoudergezin draaiende te houden,’ zei ze meer tegen zichzelf dan tegen Jack.
‘Kunnen we gewoon bij die bunkers naar binnen?’ vroeg Jack hoopvol.
‘Dat kan. Er zijn er heel veel dichtgegooid met puin, maar er zijn er ongeveer evenveel waar we nog gewoon in kunnen. Dat is niet overal meer zo, maar hier gelukkig nog wel, voor zolang het nog duurt, tenminste. Het enige wat we nodig hebben is dit.’ Triomfantelijk liet ze een klein zaklampje zien, dat ze al die tijd in haar hand verscholen had gehouden en zwaaide ermee voor zijn neus. Jack begon onmiddellijk te grijnzen.
‘Waarom zijn hier toen eigenlijk bunkers gebouwd?’ Jack keek haar nieuwsgierig aan en zag dat Sylvia het een stomme vraag vond.
Ze haalde haar schouders op. ’Dat vonden de Duitsers een goede strategische plek.’
‘Wat was er dan strategisch aan?’
Sylvia zuchtte geïrriteerd. ‘Ze verwachtten vanuit zee te worden aangevallen door onze bondgenoten, daarom leek een kustlijn vol bunkers en een grote, dikke muur hen de beste verdediging. Op deze manier hebben de moffen bijna de hele kust van West-Europa bedekt, van Noorwegen tot Spanje aan toe.’
‘Een hele muur langs de zee?’
‘Nee, de Atlantikwall liep niet aan één stuk door. Het concentreerde zich op strategische punten en na de invasie van Normandië hebben ze de bouw zelfs grotendeels stilgelegd.’
‘Ligt die dikke muur hier ook?’
‘Ja.’
Jack liet de informatie op zich inwerken en keek Sylvia ondertussen bewonderend aan. Ze wist blijkbaar erg veel over de tweede wereldoorlog, of ze kon snel dingen verzinnen. Maar ze had jammer genoeg weinig zin om er over te vertellen. Dan had ze hem maar niet hiernaartoe moeten nemen, vond Jack en waagde zich nog aan een laatste vraag. ‘Kunnen we straks ook bij die muur kijken?’
‘Als we tijd hebben wel.’
Het viel hem op dat haar linkeroog weer heftig knipperde. Bovendien werd het erger naarmate ze dichter in de buurt van de bunkers kwamen. Waar zou ze toch zo zenuwachtig voor zijn? Misschien mocht ze niet meer in de duinen komen? Misschien had ze hier wel eens iets stoms gedaan? Brand gesticht of zoiets. Dat zou best kunnen. Hij had ooit eens met Tim per ongeluk een houten speelhuisje in brand gestoken. Het was nooit de bedoeling geweest om het hele huisje plat te branden, ze wilden alleen maar een openhaardvuur maken in de hoek. Net als zijn vader thuis ook altijd deed. Dat was zo gezellig. Maar ineens was de muur in brand gevlogen en konden ze het niet blussen, omdat ze geen water hadden. De beheerder van de speeltuin was woedend geweest. Ze mochten na het ongeluk nooit meer terugkomen. Ze waren verbannen voor het leven, had zijn vader hem verteld. Wat niet helemaal eerlijk was geweest, want zijn vaders verzekering had een flinke vergoeding aan de beheerder betaald, die daarvan toen een veel mooier huisje had gekocht.
Misschien was dit ook wel zoiets en was ze daarom zo zenuwachtig? Tenzij ze iets met hem van plan was? Ze waren hier per slot van rekening helemaal alleen. Het onbehaaglijke gevoel groeide met iedere stap, tot hij zelfs een beetje bang begon te worden.
‘Wat gaan we daar ook alweer precies doen?’ vroeg hij voorzichtig. Ondertussen hield hij haar scherp in de gaten en zag Jack dat er heel even een geïrriteerde frons op haar gezicht verscheen door al zijn vragen.
‘We gaan daar gewoon even kijken,’ klonk het toch nog redelijk vriendelijk.
‘Maar het wordt steeds donkerder en we hebben maar twee zaklampen bij ons. Zitten er wel nieuwe batterijen in? We zijn daar helemaal alleen,’ wierp Jack tegen.
‘Kom nou maar mee. We zijn er bijna. Ik weet zeker dat je het leuk zult vinden.’
‘Hoe weet je dat nou zo zeker? Je kent me nog maar net.’
Hij zag haar rustige uitstraling als sneeuw voor de zon verdwijnen, haar ogen werden koud en fel en haar gezicht nam ineens scherpe lijnen aan.
‘Hou nou eens op met dat gezeur en stel niet de hele tijd van die stomme vragen! Je doet alsof je simpel bent! We gaan gewoon…’
Haar stem klonk ineens vriendelijk en de scherpe lijnen in haar gezicht werden meteen zachter. ‘Oh, kijk! Daar zijn ze!’ riep ze opgelucht. Ze strekte haar arm en wees de duinheuvels in.
Al was het volle maan, Jack moest zijn ogen tot spleetjes knijpen om ook maar iets in de grauwe verte te kunnen zien. Hij zag in een duintop iets dat op een smalle, maar hoge opening leek. Bovenop een andere heuvel stond nog zo’n stenen gleuf. Deze was nog slechter te zien, doordat de stenen verscholen lagen achter talloze struiken duindoorn. Maanlicht weerkaatste op de oranje besjes en gaven de heuvel bijna iets feestelijks, maar verder was er niets van de betonnen oorlogsmonumenten te zien.
Sylvia stapte over de lage, houten paaltjes waar prikkeldraad overheen gespannen was.
‘Dit zijn waarschijnlijk niet de beste schoenen om de duinen mee in te gaan,’ zei ze toen de hakken van haar rode pumps tot de zool in het zand zakten.
Jack hoorde het niet, hij was al een paar meter voor haar uit het dalletje in gerend. Op zijn hoede, maar opgejaagd door zijn nieuwsgierigheid, wachtte hij ongeduldig op haar.
Ze stapten samen door een kaal zanddalletje omhoog en ontweken zoveel mogelijk de stekelige duindoorn met zijn zachtgroene bladeren en vlijmscherpe doornen. Jack herkende de struik uit “Wat vind ik in de duinen”, dat boekje dat hij ooit eens van zijn vader had gehad. Hij had er maar een handvol planten uit kunnen onthouden. De rest was gewoon een plant. Boven op de heuvel aangekomen moesten ze nog een meter of tien door helmgras en over een tapijt uitgebloeide witte duinroosjes en andere duinflora, die om de beurt opdoemden in het schijnsel van de zaklamp. De schemer had intussen definitief verloren van de invallende nacht en in het zachte maanlicht kon Jack nog net de contouren onderscheiden van de bruine bakstenen gang die achter een ruim twee meter hoge sleuf schuil ging. Aangekomen bij de stenen sleuf, zag hij dat Sylvia zenuwachtig om zich heen keek voordat ze hem de bunkeringang introk.
Met grote ogen van verbazing liet hij zich meevoeren. De sleuf was ongeveer vijftien meter lang en anderhalve meter breed. Tussen de muren lag zand, met hier en daar een verdwaald polletje gras. In het midden van de sleuf waren aan weerszijden twee deuropeningen. Jack bekeek de openingen en zag de grote, stenen kamers die erachter lagen. Toen hij met zijn zaklamp de kamer in scheen, zag hij dat er aan het eind nog meer kamers aan vast zaten. Maar Sylvia bleef hem maar meetrekken en ze liepen de kamers gehaast voorbij. Met grote passen liep Sylvia voor hem uit en Jack deed zijn best om bij te blijven. Voordat hij er erg in had wandelden ze aan de andere kant de sleuf uit en stonden weer buiten. Vanaf die plek zag Jack dat er nog meer van dezelfde hoge sleuven her en der in de aangrenzende duinheuvels verspreid lagen. Sylvia stond even stil en leek zich te oriënteren. Jack maakte van de pauze gebruik om vlug weer naast haar te gaan staan. Hij vond de kolossale bouwwerken enorm indrukwekkend en wilde eigenlijk graag in de kamers rondkijken. Maar omdat ze steeds zo vinnig reageerde, durfde Jack dit niet voor te stellen.
Hij merkte dat Sylvia sneller begon te ademen en ze duwde hem nu voor zich uit. Ze daalden de heuvel af en uit het duister doemde er rechts van hem een vierkant blok beton op.
Het was overwoekerd met duindoornstruiken en hoog helmgras. Aan de zijkant groeide een flinke meidoorn. De witte bloemen aan de boom leken op te lichten in het donker en trokken even Jacks aandacht. Bovenop het blok beton lag een mat met half verdord gras, dat misschien nog wel uit de oorlog stamde. Daarmee was de bunker gecamoufleerd, zodat er vrijwel niets van te zien was.
Ze liepen behoedzaam om het grauwe blok beton heen, terwijl zich aan de achterkant een halve eeuw wildgroei openbaarde. Vol ontzag scheen Jack zijn zaklamp op de met planten begroeide trap, die, opgesloten tussen twee baksteenbruine muren, naar beneden leidde. Er groeide een kleine boom tussen een traptrede en de muur omhoog en de trap zelf was links en rechts met varens begroeid. Van onder naar boven liep een wirwar van dode takken en op iedere tree groeide een dikke laag mos. Bovenaan gedijde een grote boom. Zijn lange takken vol bladeren hingen precies boven het gat en verscholen met gemak het grootste gedeelte van de ingang. Er was slechts een klein, donker gat dat als doorgang kon dienen.
‘Gaan we hier naar beneden?’ vroeg Jack opgewonden.
‘Dat is het plan, lijkt je dat niet spannend?’
Even twijfelde Jack, maar nu hij dit allemaal gezien had, waren zijn eerdere huiveringen geen enkele partij meer voor de nieuwsgierigheid die hem nu volledig in zijn greep had. Toen zijn avontuurlijke besluit eenmaal vaststond, bedacht hij zich ook geen moment meer en liep haastig naar de trap. ‘Mag ik eerst?’
‘Vooruit dan, maar let goed op. Het kan glad zijn.’
Jack stapte over een grote tak, die voor de trap lag en zocht voorzichtig met zijn schoen de eerste tree. Zodra hij zijn gewicht erop zette, hoorde hij het zompige geluid van nat mos. Sylvia volgde hem en terwijl Jacks ene hand steun vond bij de koele muur, greep zijn andere hand de overhangende takken van de boom vast. Behoedzaam zette hij zijn ene voet voor de andere op de glibberige treden. Bezorgd keek hij achterom en zag Sylvia’s opgewonden blik en gloeiende wangen. ‘Je pakt me toch wel op tijd vast, als ik uitglijd?’ Zonder op antwoord te wachten zette hij zijn voet op de volgende tree en zocht opnieuw naar houvast tegen de muur. Hij was benieuwd hoe het er beneden uitzag. Misschien lagen er nog dingen uit de oorlog.
Op dat moment gleed zijn voet van de mossige tree en viel hij achterover tegen Sylvia aan. Onvoorbereid op wat er gebeurde, greep ze hem te laat vast en onmiddellijk schoof hij de laatste treden hard naar beneden. Van schrik gaf hij een luide schreeuw, maar die hield abrupt op toen zijn achterhoofd met een harde klap op de rand van een tree terecht kwam.