Voorproefje: Dragan Duma, Een onbreekbare band – Patty

* Een Onbreekbare Band speelt zich 330 jaar voor de Drägan Duma trilogie af en kan als stand-alone worden gelezen. Het is een verhaal over moeilijke keuzes, angst voor het onbekende, diepe banden aangaan en een wanhopige strijd om te overleven. *

Duisternis. Een angstaanjagende leegte waar geen einde aan lijkt te komen.
Mijn borstkas zwoegt op en neer; ik krijg bijna geen lucht! Het is alsof er een band om me heen is geslagen die steeds strakker wordt aangetrokken. De totale afwezigheid van licht en geluid is huiveringwekkend. IJskoude kettingen lijken me op mijn plaats vast te snoeren. Gevangen. Ik kom hier nooit meer weg.

Groen.
Groene schubben, groene vleugels.
Angst.
De kou kruipt in mijn botten.

Het duister verdrijft de vreemde beelden en gevoelens. Wat was dat? Net als de verstikkende atmosfeer van mijn omgeving voelde het angstaanjagend echt aan.
Een helder licht verblindt me en het gebrul van draken vult de lucht om me heen. Ik gluur door mijn wimpers en zie tot mijn verbazing een berglandschap voor ons opdoemen. Achter een hoge berg waar drägan ons vanaf de uitsteeksels begroeten, ligt een dorp, beschenen door het licht van de ondergaande zon. Is dit Dragon Stone? Hoe zijn we hier zo vlot gekomen?
O ja, de Poorten! Draken reizen via portalen door het Niets en duiken zo in een oogwenk ergens anders in Xydoyla op. Dus dat was die duisternis… Ik ril van top tot teen. Dat draken en hun ridders op deze manier reizen vind ik onbegrijpelijk.
Ataloth daalt rustig in cirkels naar beneden en landt op het plein voor de berg. Dat viel me alles mee, zeker na het abrupte vertrek. Bian tikt me op mijn schouder en gebaart me af te stappen. Gehoorzaam zwaai ik mijn been over Ataloths nek om achterwaarts naar beneden te klimmen. De sleep blijft echter aan de nekstekels van de draak hangen en ik verlies mijn evenwicht. Ik slaak een gil wanneer de sleep afscheurt en ik naar beneden stort.
Juvo krijst in mijn oor en klampt zich aan me vast.
Vlak voordat ik tegen de keien sla, word ik opgevangen door twee sterke armen. Opgelucht zet ik mijn voeten neer en kijk omhoog naar het gezicht van degene die me nog altijd stevig vasthoudt. Het is de jonge ridder met het vriendelijke gezicht. Hij heeft een karamelkleurige huid en mooie hazelnootkleurige ogen met pretlichtjes erin.
‘Bedankt’, fluister ik ademloos.
‘Graag gedaan. Het gebeurt niet elke dag dat er een mooie dame uit de lucht komt vallen’, zegt de jongen met een knipoog.
‘Zo kan die wel weer, Trench.’ Bian staat inmiddels naast me en zegt: ‘Ze is al laat, dus vooruit met de tjalika.’
Trench grijnst en neemt de tegenstribbelende mialou van me over. Met ferme passen loopt hij naar de enorme, houten deuren die in een opening van de berg hangen. Ataloth beweegt zijn kop in mijn richting en ik verstijf. De dräga is echt monsterlijk groot!
Bian geeft me een zetje tegen mijn schouder: ‘Kom op meid, er staat een leven op het spel.’ Zijn dringende toon zorgt ervoor dat ik in beweging kom. Ik schop mijn schoenen uit, til de gescheurde rok op en dribbel op blote voeten achter Trench aan.

In het schemerachtige gangenstelsel van de berg moet ik haast rennen om de twee mannen bij te houden. Ik vloek binnensmonds als ik mijn kleine teen tegen een stuk rots stoot. Tijd om stil te staan heb ik niet; Bian en Trench lopen stevig door en verdwijnen de volgende gang in. Ik volg ze de hoek om en blijf dan met bonzend hart staan.
De zwarte draak zwaait haar kop in mijn richting, opent haar muil en ik sla mijn handen voor mijn oren als haar gebrul weerkaatst tegen de stenen wanden.
Een onherkenbaar verbrand lichaam smeult nog na in het zand dat rood kleurt van het bloed…
Bian pakt mijn polsen beet en kijkt me doordringend aan. ‘Dit is niet het moment om te aarzelen. Je stapt nu met zelfvertrouwen en rechte rug het zand op, hoor je me? Draken ruiken angst en reageren er over het algemeen heftig op, dus zorg dat je jezelf onder controle hebt. Het drakenjong kiest jou. Ataloth heeft nog nooit een onterechte kandidaat aangewezen.’
Hoewel ik maximaal de helft begrijp van wat hij heeft gezegd, knik ik beduusd. Het drakenjong kiest mij? En dan? Moet ik die dan temmen of zo? Hoe doe je dat? De vragen kolken door mijn hoofd, maar Bian heeft zich alweer omgedraaid en gebaart me op te schieten.
Ik schuifel over het zand, dat tussen mijn tenen kriebelt, naar voren.
Gatver, nat! Met een vieze blik kijk ik naar mijn voet. Is dat … bloed?
Met een rommelend geluid zuigt de draak lucht in zijn longen, spert zijn bek open en spuwt een straal vuur uit. Ik hef mijn rechterarm beschermend voor mijn gezicht…
Verwoed probeer ik het bloed aan het zand af te vegen. Ik wil er niet aan denken dat ík straks gebroken en onbeweeglijk op de broedplaats lig.
De draak spant haar spieren aan om ons te bespringen. Tranen beginnen uit pure angst over mijn wangen te stromen.
Het zweet breekt me uit en ik wil niets liever dan rechtsomkeert maken; wegrennen alsof een Morbide me op de hielen zit. Wat doe ik hier?
Ik slik en maan mezelf tot kalmte, terugdenkend aan de woorden van Tarun. De moeder wil haar jongen beschermen. Ze is geen kwaadaardig monster, alleen een moeder. Het ei, dat is belangrijk. Daar moet ik me op focussen.
Ik neem de omgeving in me op. Daar! Tussen de voorpoten van de zwarte dräga ligt een eenzaam ei, omringd door de schalen van de reeds uitgekomen eieren.
Is het nu de bedoeling dat ik naar het ei loop? Nerveus hef ik mijn gezicht naar de moederdraak. Dat blijkt een vergissing; haar kop schiet naar voren en haar kaken klappen vlak voor mijn neus op elkaar. Van schrik zet ik een paar passen achteruit. Ik struikel en kom onelegant op mijn billen terecht.
De muil van de draak hangt vlak boven me, ik ruik het vuur in haar adem. Draken ruiken angst.
Ik probeer uit alle macht mijn razende hartslag onder controle te krijgen. Enerzijds ruiken zij de angst, anderzijds voelen zij dat je iets probeert te verbergen.
Hoe toon je geen angst als je doodsbang bent?
… met een misselijkmakende klap tegen een van de grote pilaren terecht. Hij blijft doodstil liggen.
Ik schud de onaangename herinnering van me af, zo ga ik niet eindigen!
De draak opent haar muil en ik kijk recht tegen de rijen vlijmscherpe tanden aan. Zonder na te denken zet ik mijn handen tegen haar onderkaak en duw zo hard ik kan. De draak trekt met een ruk haar kop weg en loert naar me. Zonder te knipperen staar ik naar het grote, oranje oog terwijl ik overeind krabbel.
Ik recht mijn rug en neem op de bluf een stap in de richting van het ei. Waarschuwend gegrom laat me aarzelen.
De stem van Castian duikt op uit mijn herinneringen: ‘Drägan kunnen dus gedachten lezen?’
Ik raap al mijn moed bij elkaar en richt me mentaal tot de zwarte dräga: Ik ben Feniksa Drakena, vrouwe van Slot Silverfang! Ataloth heeft me gestuurd om verbonden te worden.
Tjorks lachende gezicht verschijnt voor mijn geestesoog.
Ik wil tegen Morbiden vechten! voeg ik er in gedachten aan toe.
De draak houdt haar kop schuin. Heeft ze me begrepen, of denkt ze aan hoe gemakkelijk ze me op kan peuzelen?
Op hoop van zegen dan maar… Ik stap naar voren.
Tot mijn verbazing trekt de zwarte draak zich terug. Het ei begint woest te schommelen en barstjes verschijnen over het oppervlak. Gefascineerd zie ik hoe de scheuren groter en groter worden tot het ei openbarst en er een groen drakenjong op het zand belandt. Nog nat struikelt het over haar eigen poten. De vleugeltjes hangen opgevouwen en verfrommeld tegen haar zij aan gedrukt.
Zwijgend kijken we elkaar aan, mens en draak. Alles om me heen vervaagt. Alsof het er niets toe doet, alsof de rest van de wereld niet meer bestaat. Een onzichtbare bubbel waar alleen het groene drakenjong en ik in zitten.
Waar wacht je nog op? Ga naar haar toe!
Ik schrik me een ongeluk van de zware stem in mijn hoofd. Ataloth?
Mijn slapen steken en duizelig beweeg ik me in de richting van de kleine dräga.
Vlak voor haar blijf ik staan. Haar gele ogen met groene en blauwe stippels erin sprankelen van nieuwsgierigheid en ze snuft met haar natte snuit aan mijn hand. Opeens heb ik dubbele gevoelens; ik voel me verwonderd en tegelijk bevreesd. Het is een heel aparte gewaarwording, alsof ik uit twee personen besta.
‘Jij daar! Met je groene draak!’
Met moeite ruk ik mijn aandacht los van het prachtige schepseltje voor mij en richt me op. Een dame met een lange, blonde vlecht komt van achter de zwarte dräga tevoorschijn. Achter haar staan Bian en een onbekende man. Ze gebaren naar me.
‘Kom’, fluister ik tegen het draakje. Gehoorzaam volgt het wezentje me naar de blonde vrouw en de twee mannen.
Het drakenjong schuurt met haar kop langs mijn bovenbeen en ik krijg spontaan ontzettend honger. Afwezig streel ik over de geschubde kop en het beest begint zacht te brommen. Het is een aangenaam geluid dat door mijn vingertoppen trilt. Haar huid voelt zachter en gladder dan gedacht. Waarschijnlijk omdat ze nog zo jong is; de schubben van Ataloth zijn veel ruwer. Mijn maag trekt knorrend samen. Vreemd, zo lang is het nog niet geleden dat ik heb gegeten. Of wel?
Ik blijf voor de vrouw met de blonde vlecht staan. De man naast haar is lang, heeft felrood haar en donkerbruine ogen, die mij onderzoekend aankijken. Ik houd mijn adem in. In gedachten hoor ik hem roepen dat er een vergissing is gemaakt en dat het draakje dat zich tegen mijn been aan drukt iemand anders toebehoort. Tot mijn eigen verbazing spannen mijn spieren zich alsof ik bereid ben om voor het drakenjong te vechten.
De man zwijgt. Waarschijnlijk vraagt hij zich af waar ik opeens vandaan ben gekomen, Slot Silverfang ligt niet eens in het territorium van de Dragonstoneclan.
De vrouw met de vlecht pakt de kop van het groene draakje naast mij vast. ‘Jouw naam is Danaleth. Je bent een draak van de Drakenburcht van Dragon Stone.’ De ogen van het draakje gloeien op, waarna de vrouw haar loslaat.
‘Jullie leggen nu de Eed af die jullie voor altijd verbindt. Spreek, Silseba.’
De Eed? Welke eed? Zenuwachtig graaf ik in mijn geheugen naar iets wat Bian misschien tegen me gezegd heeft over een eed, maar ik vind niets.
De vrouw merkt mijn verwarring op en zegt in de Oorspronkelijke Taal: ‘Voor nu, voor altijd. Onze zielen verbonden. Samen zullen wij strijden voor vrijheid en veiligheid.’
De Eed der Verbondenheid! Sianna heeft me daar les over gegeven; het is de gelofte die de drakenridders uitspreken om hun ziel aan een dräga te verbinden. De oude woorden zijn doordrenkt met magie.
Ik lik langs mijn lippen om ze te bevochtigen en dreun de woorden op: ‘Fort toh, fort älfinia. Siëst slysma donren. Sielaya ekai siesta blädren fort libermay int tûstmay.’
Zodra het laatste woord over mijn tong rolt, vult mijn hoofd zich met kleuren en ik wankel als ze exploderen. Gedachten die niet van mij zijn dringen mijn geest binnen en duiken in mijn geheugen.
Herinneringen aan mijn jeugd flitsen op en de plaatjes van mensen die ik ken trekken in een razend tempo voorbij. Castian komt het vaakst langs; de band met mijn tweelingbroer is dan ook erg sterk. Ik mis hem nu al.
Gelijk voel ik een troostende aanwezigheid die me vreemd genoeg kalmeert. Mijn lichaam schokt terwijl de vreemde gedachtetentakels zich met mijn geest verstrengelen. Mijn huid begint te gloeien.
Dan klinkt een zachte stem: Feniksa? Niet verdrietig zijn, ik ben bij je.
Een gevoel van intense liefde en trouw overspoelt me. Het gegloei trekt zich langzaam terug uit mijn ledematen tot er een vonkje blijft branden op de plaats van mijn hart.
Aarzelend open ik mijn ogen en kijk het drakenjong naast me aan. Ik moet heftig slikken om de brok in mijn keel weg te krijgen. Ik ben verbonden met een draak!

Drägan Duma – Een Onbreekbare Band is verkrijgbaar bij alle (internet) boekhandels en natuurlijk op de site van Celtica Publishing: http://www.celtica-publishing.nl/opencart/Boeken/Young_adults/Een_Onbreekbare_Band