Voorproefje: Evolutie – Ursula Visser

hoofdstuk 1 (begin)

In het schijnsel van het felle licht zag ik de vrouw waaruit ik als eerste van de drieling was geboren. Ze huilde toen mijn broer en zus nauwelijks ademend ter wereld kwamen. Dokter Jefferson gaf de lichaampjes aan een zuster, die ze snel meenam. Troostend zei hij dat hij haar de aanblik van haar stikkende kinderen wilde besparen. De natuur selecteerde de sterkste: mij. Mijn zus en broer… Ik ben niet zoals zij.
Claire, de vrouw die mij gebaard had, liet duidelijk merken dat ze blij was dat ik leefde. Murmelde onverstaanbare woorden in mijn zwarte haar. Ik haatte haar, de mensen die mij dit aangedaan hadden en dit weerloze lichaam dat me gegeven was. De op kleine wormen lijkende aanhangsels van vingers; de blubberende nutteloze benen. Het feit dat ik mijn hoofd nauwelijks omhoog kon houden.
Vrouwen in witte jurken brabbelden tegen mij met hoge opgewonden stemmen en legden me in een bedje bij andere pasgeborenen. Ik schrok me wezenloos toen ik besefte dat ik er waarschijnlijk ook zo uitzag. Ze keken doelloos naar het plafond. Kwijlend, huilend. Ze konden niets, niet eens communiceren. Geloof me, ik heb van alles geprobeerd om een gesprek met hen te beginnen, er kwam geen zinnig geluid uit. De andere wezens konden niet zelfstandig bewegen. Het enige wat we gemeen bleken te hebben was ons hulpeloze lichaam.
Ik hoorde hier niet, het voelde zo afhankelijk. Ik zou moeten wachten tot de tijd juist was om degene te vinden die hiervoor verantwoordelijk was. Dan zou ik op zoek gaan naar mijn echte ouders.
Voordat mijn benen het zwakke lichaam konden dragen sprak ik al vloeiend. De vrouw die Claire werd genoemd gaf me genoeg te eten, baadde me iedere dag en zorgde ervoor dat ik warm bleef. Ze noemde me John Water.