Voorproefje: Poldergruwel – Mark van Dijk

Op de boerderij heerste een doodse stilte. Alle dieren sliepen, terwijl in de verte de klok van de Dorpskerk twaalf uur sloeg.
Uit de meidentent scheen een zwak licht. Nadat Erik naar binnen was gegaan, hadden de meiden het niet meer over zijn verhaal gehad. Na wat gegeten te hebben, waren ze in een cirkel bij elkaar gaan zitten en de avond was voorbij gevlogen met vrolijk geroddel en meidenpraat. Er waren wel honderd dingen om elkaar te vertellen, maar één onderwerp werd zorgvuldig vermeden, tot Zoë er toch over begon.
‘Dat verhaal van Erik zal toch zeker wel onzin zijn?’ vroeg ze hoopvol.
‘Ik weet het niet,’ zei Inge. ‘Het kan best echt gebeurd zijn.’
‘Er gebeurden wel meer gekke dingen in die tijd,’ zei Kim. ‘Weten jullie dat mysterie nog van die verdwenen boerderij?’
‘Van dat schoolproject?’ vroeg Zoë. ‘Dat was toch nóg eerder? Ik dacht ergens in vijftienhonderd.’
‘Ja, zoiets. Dat was ook een gaaf verhaal,’ riep Esmee opgewonden. ‘Dat was ik al helemaal vergeten. Hoe zat dat ook alweer? Die boerderij was in één nacht helemaal door de aarde verzwolgen, toch?’
‘Yep,’ zei Kim. ‘Opgeslokt door een zinkput, met vrijgezelle boerin en dieren en al.’
‘Helemaal verdwenen, nooit meer iets van terug gevonden,’ mompelde Zoë.
‘Maar dat is nu geen mysterie meer,’ zei Inge. ‘Het kwam doordat er heel veel zeezout in het zand zat, dat oploste toen het ineens met grondwater in aanraking kwam.’
‘Ja, hè, hè,’ zei Esmee en schoot in de lach. ‘Dat weten ze nu, maar dat wisten ze toen toch niet. En trouwens, een boerderij die in één nacht helemaal verdwijnt zou nu nog steeds wereldnieuws zijn.’
‘Even iets anders,’ zei Zoë. ‘Hebben jullie ook gezien dat het volle maan is?’ Ze keek de andere meiden vragend aan.
Esmee haalde haar schouders op. ‘Ja, dat heb ik gezien. Wat geeft het? Of ben je soms toch een beetje bang door dat stomme verhaal van Erik?’ Ze zette haar handen in haar zij en keek haar tweelingzus brutaal aan.
‘Het is wel toevallig dat het net vanavond volle maan is,’ gaf Inge toe.
‘Ach joh, dat heeft die idioot van te voren geweten,’ zei Kim over haar broer.
Inge stond op van haar plaats en ritste de tent een klein stukje open. Met een bezorgd gezicht gluurde ze door de kleine kier naar buiten. ‘Het is in ieder geval niet mistig,’ meldde ze. ‘We moeten het er maar niet meer over hebben. Het was gewoon een onzinnig verhaal dat hij verzonnen heeft om ons bang te maken.’
Esmee grijnsde en zei: ‘Jij begint ook al bang te worden!’ Ze keek Inge verbaasd aan. ‘Ik had jou toch wel iets heldhaftiger ingeschat.’
‘Ik ben niet bang! Ik keek gewoon even of het al mistig werd.’ Inge haalde ongeïnteresseerd haar schouders op. ‘Laat die mist maar komen, hoor, wat mij betreft. Ik hou wel van een beetje avontuur.’
Kim schrok. ‘Dat moet je niet zeggen. Straks krijgen we ineens echt mist.’
‘Welnee, maak je nou maar niet zo druk,’ zei Esmee. ‘Het is gewoon een stom puberverhaaltje.’ Ze keek Kim aan en zei: ‘Bovendien zitten we nog steeds vlak voor de deur van je huis, dus wat kan ons nou gebeuren?’
‘Dat is waar,’ beaamde Kim. ‘We kunnen zo naar binnen rennen als het moet. We zijn zo veilig als het maar kan.’
‘Ik vind wel dat we dit niet zomaar over onze kant moeten laten gaan,’ zei Inge. ‘We laten ons aardig gek maken door die etterbak.’
‘Precies!’ riep Kim. ‘We moeten hem zijn plek maar eens leren.’
‘Als we hem nou morgen zelf eens bang maken?’ zei Zoë.
‘Ja, we laten hem schrikken,’ zei Inge.
‘En niet één keer, maar gewoon de hele dag lang,’ zei Kim. ‘Dat zal hem leren ons van die stomme verhalen te vertellen.’
‘Goed idee, zeg,’ zei Zoë. ‘Nu ik weet dat gerechtigheid zal zegevieren kan ik met een gerust hart in slaap vallen.’ Ze geeuwde en rekte zich uit.
Door de koele zomeravond begon het fris in de tent te worden. De meiden nestelden zich met hun kleding aan in hun slaapzak en begonnen hun wraakplannen te perfectioneren tot ze door de slaap werden overvallen.

Ineens schoot Inge in haar slaapzak overeind. Haar blauwe ogen stonden wijd open van de schrik. Langs de zijkant van de tent klonk vreemd geritsel. Ze kneep haar ogen tot spleetjes om iets in de pikdonkere tent te zien, maar tevergeefs. Het was te donker om ook maar iets te kunnen onderscheiden. Met tegenzin vroeg ze zich af of ze voorzichtig met een half oog buiten de tent moest kijken, om te zien wat het was, maar ze besloot meteen dat dit een waardeloos idee was. De anderen wakker maken en dán een kijkje nemen sprak haar veel meer aan, dus gaf ze voor de vorm een gilletje en liet zich over Kim vallen, die meteen wakker schrok.
‘Wat is er?’ vroeg Kim nijdig en veel te luid, waardoor Zoë en Esmee ook wakker werden.
‘Ik hoorde iets buiten de tent,’ zei Inge zacht.
‘Wat hoorde je dan?’ vroeg Zoë slaperig.
‘Weet ik niet. Ik hoorde gewoon iets geks.’
‘Zullen we kijken wat het is?’ vroeg Esmee opgewonden.
‘Ja, dág!’ zei Kim. ‘We zitten hier tegen de duinen aan. Het barst hier ’s nachts van de vossen.’ Ze klonk vastbesloten, maar Esmee was vliegensvlug uit haar slaapzak gekropen en had de rits van de tent al in haar vingers.
‘Ik heb nog nooit een vos gezien,’ zei ze. Langzaam trok ze de rits naar boven. In hetzelfde tempo zakte haar mond open. Niemand durfde meer iets te zeggen toen ze het zout in hun neuzen voelden branden. Onzeker staarden ze de dichte mist in en keken vervolgens naar elkaar. Zoë was de eerste die de stilte verbrak: ‘Oké, ik wil niet zeuren, maar nu ben ik echt bang.’
‘Ik ook,’ zei Kim.
De blikken van Inge en Esmee kruisten elkaar vluchtig, toen Esmee de grote Maglite zaklamp pakte.
‘We willen toch weten wat Inge net hoorde? Ik ga even kijken.’
‘Niemand wil dat weten, alleen jij,’ snauwde Zoë tegen haar zus.
‘Geen stomme geintjes uithalen,’ waarschuwde Kim.
‘Wees maar niet bang. Ik ga alleen even kijken. Er zal wel een egel of zoiets naast de tent lopen.’
Esmee zette een voet buiten de tent en speurde met de zaklamp de omgeving af.
‘Zie je iets?’ vroeg Kim.
‘Nee, het is veel te mistig om iets te zien.’ Esmee bleef twijfelend staan en draaide zich naar Inge. ‘Ga je mee, even kijken?’ vroeg ze hoopvol. ‘Ik heb nog nooit zo’n dichte mist gezien.’
‘Ben je nu toch bang?’ plaagde Zoë haar zus.
‘Misschien kunnen we beter met zijn allen gaan kijken,’ probeerde Inge.
Weinig enthousiast werden er onderling twijfelende blikken uitgewisseld. Met tegenzin kwam de rest ook overeind. Ze liepen voorzichtig achter Esmee aan en schuifelden één voor één de tent uit. Gespannen keken ze om zich heen. De krachtige bundel licht van de zaklamp bleek geen partij voor de dikke mist, zodat ze amper een meter zicht hadden. Voetje voor voetje liepen ze om de tent heen en hielden hun ogen op de grond gericht, maar er viel niets vreemds te bekennen.
Net toen Esmee de tent weer binnen wilde stappen, zag Kim, die achteraan liep, vanuit haar ooghoek iets schitteren.
‘Wacht, ik zie iets,’ zei Kim en pakte Zoë’s arm vast. Ze stond stil en keek in de richting waar de vreemde schittering was verschenen. In de verte brandde een klein en helderwit licht.
‘Zien jullie dat ook, daar in de verte?’ vroeg ze en wees in de goede richting.
De anderen tuurden door de dichte mist om ook een glimp van het schijnsel op te vangen.
‘Ik zie het ook!’ riep Zoë nerveus. ‘Wat kan het zijn?’
De kleine lichtbundel leek feller te worden, alsof het dichterbij kwam. Plotseling vervaagde de heldere witte kleur en ging langzaam over in een zacht gele tint. Het leek nu alsof het altijd geel geweest was. Door het fonkelen en de subtiele verandering die de kleur steeds onderging, bleven de meisjes gefascineerd naar de kleine lichtbron kijken. Nu werd het geel wazig en veranderde zelfs van vorm. De schittering leek zich uit te rekken en werd langzaam ovaal. Het waas verdween en ineens was de glinstering paars.
Zonder dat ze het zelf door hadden, pakten de meisjes elkaars hand vast.
De ovale, paarse gloed had steeds stil in de lucht gehangen, maar begon nu traag rondjes te draaien. Plotseling schoot het met een noodvaart op ze af en nog voordat iemand kon reageren, explodeerde het schijnsel in een enorme paarse flits, die de dichte nevel om hen heen volledig mee kleurde. Eén moment kon geen van hen ademen, alsof ze zich in een vacuüm bevonden. Kim probeerde te gillen, maar er kwam geen geluid. Even plotseling was de flits weer voorbij. Ze hapten naar lucht en zogen gretig de zoute zeelucht op, die nog nooit zo verfrissend had gevoeld. Met grote ogen en angstige gezichten keken ze elkaar aan, maar niemand durfde de stilte te verbreken.
Na een seconde of tien was het Esmee die haar rug rechtte en vroeg: ‘Wat was dat?’ Haar stem trilde een beetje.
‘Geen idee en ik wil het ook niet weten,’ zei Zoë.

“Eindelijk weer eens een fantasievol verhaal met alle ingrediënten: een dosis humor, fijne spanning en volop actie. Het verhaal prikkelt de verbeelding en voedt de fantasie. Iets wat je niet vaak meer tegenkomt.”
Helen Vreeswijk (auteur van onder andere Loverboys, Zwijgplicht en De Kick)