Johan klein Haneveld – Het teken in de lucht

Ik hou van de korte verhalen van deze auteur. Hij weet als geen ander sciencefiction goed beeldend op papier te zetten, op een manier dat je bij elk verhaal moet nadenken,of dat je een boodschap meekrijgt. Ik kijk hierom ook altijd uit, naar nieuwe verhalen van hem. Over deze bundel kan ik uren doorpraten.

Let bijvoorbeeld eens op de tijdlijn. Het begint vlak nadat de aarde nooit meer hetzelfde zal zijn. Het eindigt heel veel jaren en eeuwen verder. En misschien, is het het wel het einde van alles? Heerlijk om bij na te denken. Komt de mensheid verder of niet?

In veel verhalen speelt de Autoriteit een grote rol. Dit is een soort rode draad, die steeds weer terug lijkt te komen.

In deze bundel reizen de personages, naar bijvorbeeld Mars, een asteroïde of een nieuwe toekomst. Ze zijn op zoek naar een nieuw thuis…

Ik zal de verhalen met een aantal korte zinnen samenvatten.

Als enigste mens overblijven in het universum.

Een vreemdeling neemt een jongen mee op zijn vlucht, naar een bekende wereldstad in de dystopische toekomst van de planeet aarde.

In een dystopische wereld een uitgestorven diersoort terug proberen te vinden. ( als we zo doorgaan, is dit echt onze toekomst ).

Het verhaal Vluchteling is mijn favoriet. Een jonge vrouw die zich wil bewijzen enneen man die iemand op het spoor is. Het leven op Mars in twee verhaallijnen. Erg boeiend en de titel wordt pas tegen het einde duidelijk. Iedereen rent wel eens ergens voor weg.

Komen dromen weleens echt uit? Hooper hoopt van wel.

Per ongeluk iets groots ontdekken.

Op zoek zijn, naar iets of iemand. Hoe kun je ze weer terug vinden?

Wil jij een zwart gat van dichtbij bekijken?

Alleen zijn, wanneer het einde van alles nadert.

Dit boek krijgt van mij 5 verdiende sterren en ik kijk uit naar de volgende bundel. Een echte aanrader voor SF liefhebbers! Leest toegankelijk en vlot.

SF maand: In de Rotterdamse Haven ( kort verhaal van Johan klein Haneveld)

In de Rotterdamse haven

Johan Klein Haneveld

Ik ging bijna opnieuw kopje onder. Uit alle macht sloeg ik met mijn benen, maar mijn linkervoet deed weinig anders meer dan trillen. Terwijl het lauwe water in mijn gezicht sloeg en mijn neus en mondholte vulde, stak ik mijn hand uit. Mijn vingers schraapten over roestig metaal: de boeg van het schip. Een plotselinge golf trok me erbij vandaan, maar tilde me vervolgens op en wierp me weer naar voren. Opnieuw tastte ik langs het schip. Ik bleef met mijn vingers hangen achter een richel, waar een ijzeren plaat boven op een andere was genageld. Het was alsof mijn arm uit de kom werd gerukt. Mijn lichaam sloeg tegen het schip met een dreun als een gongslag. Nu dreigde ik plotseling naar onderen te worden gesleurd, naar de schroef, die spiralen in het water sneed. Ik strekte ook mijn andere arm uit en verstevigde mijn greep. Ik kwam boven het oppervlak uit. Glibberige olie kleefde aan mijn voorhoofd en mijn wangen en ik zag niks anders dan regenboogkleuren, tot ik met mijn ogen knipperde. Een roestbruin oppervlak, met een glibberige, donkere aanslag zover het water reikte. Daarboven de blauwwitte lucht, zwanger van verdamping. Een gezicht verscheen in beeld, met twee opgetrokken schouders en omlaag hangende grijze lokken haar. Ik zag twee blauwe ogen, met aan weerszijden waaiers van rimpels, geplooide wangen die vroeger duidelijk een stuk boller waren geweest en op elkaar geknepen, gebarsten lippen. Een vezelig, kapot getrokken baardje tooide de kin van de man. Zijn blik toonde eerst verbazing, maar verduisterde al snel, en de spieren in zijn kaken leken zich te spannen.
‘Help,’ zei ik. Ik wist niet of hij me kon horen, maar ik had niet de kracht meer om te schreeuwen. Mijn greep op de boeg begon te verslappen. Elke golf die tegen mijn lichaam beukte, maakte dat mijn vingers verder weggleden. Water sproeide over mijn gezicht en prikte in mijn ogen. ‘Help me, alstublieft.’
De man verdween uit zicht. Ik voelde de trillingen van zijn voetstappen op het dek. Even schoot het door me heen dat hij zou proberen me af te schudden. Paniek kwam opzetten Toen stopte het ronken van de motor. Nu trok het water me de andere kant op. Mijn benen zwiepten onder me weg. Ik krabbelde verwoed langs de boeg, negeerde de splinters roest onder mijn nagels. Maar uiteindelijk moest ik loslaten. Ik trapte met mijn gezonde voet, zodat mijn hoofd weer door het oppervlak brak. Een grof geweven touw spetterde vlak naast mij, met een lus over mijn rechter arm. De man op het schip riep iets. Ik hoefde hem niet te verstaan om te begrijpen wat hij bedoelde. Met beide handen greep ik de kabel vast. Hij begon te trekken. Ik steeg op. Werd door het water losgelaten. Bereikte de reling. Voelde een hand onder mijn oksel en rolde het dek op. Het lukte me niet om overeind te blijven. Mijn voorhoofd bonkte op de metalen ondergrond.
‘Ze hebben je flink te pakken gehad,’ hoorde ik schuin boven me. De man klonk schor, alsof zijn stem net zo door de roest was aangetast als zijn schip. Ik draaide mijn nek, zodat ik met mijn wang op de grond lag, en stelde op hem scherp. Ik kon zijn leeftijd moeilijk schatten, maar hij leek ergens in de vijftig. Hij droeg een grijze broek die met een stevige riem bijeen werd gehouden en een glanzende plastic jas zonder mouwen, maar met capuchon. Onder zijn schouder hing een holster, maar ik zag geen wapen. Hij bekeek mij net zo kritisch als ik hem, zijn armen op zijn borst gekruist en ondertussen met duim en wijsvinger aan zijn kin pulkend. ‘Er is weinig over van je been. En ik zie ook gaten op je rug. Maar er zijn geen vitale onderdelen geraakt, anders was je niet zover gekomen.’
Ik onderzocht of ik energie genoeg had om te knikken, maar mijn reserves waren op. Ik had nauwelijks genoeg om mijn pink te bewegen. Het koste al moeite om naar de man op te blijven kijken. Even leek het alsof hij nog iets wilde zeggen. Toen schudde hij zijn hoofd. Hij stapte over mij heen. Ik hoorde het piepen van een deur die open ging. Vervolgens merkte ik het luide ploffen van een motor ergens beneden mij, de geur van biogas, gevolgd door de beweging van de stroperige lucht, terwijl het schip in beweging kwam. Ondertussen zoog ik als een spons de hitte van het dek in mij op. Hoewel de zon wat waterig was, had hij er al wel de hele dag op geschenen. Ik liet de warmte tot diep in mijn ledematen trekken.
Uiteindelijk probeerde ik opnieuw me te bewegen. Ik kon mezelf nu omhoog drukken, tot op mijn knieën. Voor me zag ik een stuurhut. Er zat geen glas meer in de ramen en ik hoorde mijn gastheer in zichzelf mompelen. Ik kroop naar voren en trok mezelf uiteindelijk overeind aan de deurpost. Zo kon ik over de reling van het schip kijken. Ik zag rijen kleine golfjes onder een glimmend vlies, het water vol grijze en bruine vlokken en geen spoor van leven. Roestende schoorstenen staken boven het oppervlak uit. Stellages van pijpen, half ingestort. De brug van een vrachtschip, met bovenop wat vergeeld gras, en in het raamkozijn een halfvergane vogel, met teer aan zijn veren. Onze boeggolf liet druppels opspatten tegen de obstakels, glinsterend als diamanten. Er was geen vloedlijn te zien, dus kennelijk stond het water nu op zijn hoogst. Bij eb zouden meer eilandjes van puin en roest droogvallen.
Toen ik een stap wilde zetten, begon mijn linker been te protesteren. Ik kon onmogelijk mijn gewicht erop laten rusten. Hinkend verplaatste ik me naar binnen, mijn kaken op elkaar geklemd. De vaart van de boot had voor een warme bries gezorgd, als een grote föhn. De oude man zat achter het stuurwiel op een stoel waarvan de bekleding grote slijtplekken vertoonde. Hij keek naar voren. Daar naderden de verdronken torens van Rotterdam, oprijzend naar de hemel. De meeste waren skeletten van staal of beton, op sommige waren nog vlakken van spiegelende ramen zichtbaar. We voeren voorbij een hoge pilaar, besmeurd met vuil. Ik zag in de verte een tweede zuil, rustend op twee benen, waar kabels vanaf hingen. Een gebouw rechts van ons was monolithisch zwart, en rees als een heerser boven de andere uit. Maar ook deze bleek aan de onderkant hol, open voor de zee, die haar golven gorgelend over een verlaten kantoorvloer liet rollen. Uit sommige gaten in de gebouwen groeiden struiken, of de ranken van een klimplant, maar de takken waren meestal dor, met slechts een paar levenskrachtige blaadjes. Behalve het kabbelen van het water was het in de stad bedrukkend stil als op een begraafplaats. Niets bewoog.
‘Je bent een taaie,’ zei de man plotseling. ‘Ik had niet gedacht dat je nog zou herstellen.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Hij wierp een blik over zijn schouder, zijn wenkbrauwen vragend opgetrokken. ‘Jouw soort komt gewoonlijk toch niet zo ver noordelijk?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik dacht het al,’ vervolgde hij, terwijl hij zich opnieuw op het roer richtte. ‘Zo snel stijgt de temperatuur nou ook weer niet. Dan ben je waarschijnlijk ontsnapt aan een van de reddingsploegen.’ Ik zag zijn schouders verstijven. ‘Ik wist dat ze ver gingen om kostbaarheden op te duiken, maar van slavernij had ik nog niet gehoord.’
‘Ik kom van het noorden,’ zei ik zacht. ‘De koepelstad.’
Met een ruk draaide hij zich om. De boot schokte. ‘Uit Amsterdam?’
Ik knikte.
‘Dan ben je …’ Hij aarzelde. Zijn blik gleed mijn lichaam langs, van boven naar beneden en weer terug. ‘Je zult in trek zijn geweest.’
‘Ze maakten me kapot,’ antwoordde ik.
Hij keek me aan, zijn blik donker. ‘Waar ze bang voor zijn, dat willen ze bezitten. Controleren.’
Ik knikte. Hij wist beter wat die mensen gedreven had, dan ik. De man moest iets in mijn gezicht hebben gelezen, want hij wees opzij naar een korte trap naar beneden en een houten deur. ‘In de kajuit kun je rusten. Ik zal kijken of ik ergens kan aanleggen.’
De zwakte had me bijna opnieuw overmand. Dankbaar daalde ik de treden af. Ik moest met mijn schouder de deur open duwen. In het vooronder brandde een kleine ledlamp, zonder kap. In het klinische licht zag ik tegen de wanden boeken achter plexiglas, sommige open met een gewicht op de bevlekte pagina’s, andere zorgvuldig in plastic gewikkeld. Stapels dossiermappen werden met trekkabels op hun plek gehouden en daartussen stonden juten zakken gevuld met vierkante spullen. Ik zag een bed met een opstaande rand, maar geen stoel of andere luxe. Het geluid van de motor was een ogenblik aangezwollen, maar nam nu weer af. Er klonken voetstappen, heen en weer, en vervolgens de trap af. Ik keek over mijn schouder.
De man fronste. ‘Dat je nog op je benen staat.’
‘Eén been,’ antwoordde ik. Mijn andere kon mijn gewicht nog steeds niet dragen.
Hij liep aan me voorbij en ging zelf op zijn bed zitten. Hij strekte zijn eigen been voor zich uit alsof hij spierpijn had. Vervolgens wreef hij over zijn voorhoofd, vlak boven zijn pluizige, grijze wenkbrauwen. ‘Ze zijn weer net zo kortzichtig,’ mompelde hij. Ik had het idee dat hij meer tegen zichzelf aan praatte dan tegen mij. ‘Eerst maar doorgaan met het stoken van brandstoffen en het kappen van bos. En niet stoppen, ook al werden ze gewaarschuwd. Bang dat een ander volk dan op ze vooruit ging lopen. Tot het evenwicht onherstelbaar was verstoord. En nu hetzelfde. Alsof de Aarde dadelijk weer zou kunnen afkoelen. Alsof we elk moment naar hier terug zouden kunnen. Alsof jullie geen recht hebben het in onze plaats te proberen.’
‘We zijn niet hetzelfde,’ zei ik.
‘En dat vinden ze niet eerlijk,’ antwoordde de man. ‘Niemand heeft hen gevraagd of jullie een goed idee waren.’ Hij keek op, vermoeid, zijn ogen diepe putten. ‘Ik wilde naar het noorden. Spitsbergen, Groenland, Siberië. Daar schijnt nog vruchtbare grond te wezen. Een vorm van beschaving.’
‘Dat zeiden ze in Amsterdam,’ fluisterde ik. ‘En ze lachten.’
‘Ik dacht al dat het weinig zin zou hebben.’ De schouders van de man bewogen als zuigers op en neer. Hij leek een beslissing te maken. ‘Vertel me waarmee ik je kan helpen.’
‘Ik heb weinig nodig. Schoon water. Koolstof. Sporenelementen.’
‘Je mag mijn kombuis plunderen.’
Ik zwaaide met het schip heen en weer. Mijn kapotte been protesteerde, maar ik behield mijn evenwicht. Het voorhoofd van mijn gastheer rimpelde. ‘Ik had gehoord dat jullie jezelf konden herstellen. Maar niet dat het zo snel kon gaan. Geen wonder dat ze zich bedreigd voelen.’ Zijn gezicht verstrakte. Ik zag zijn lippen bewegen. ‘Je kunt je verwondingen niet in Amsterdam hebben opgelopen,’ concludeerde hij na een paar seconden. ‘Dan zou je nu al wel weer heel zijn. Het is dichterbij gebeurd. Ze hebben je achtervolgd.’
Ik bleef hem aankijken. ‘Misschien hebben ze het opgegeven.’
“Dat doen ze niet zo snel.” Hij klemde zijn kaken opeen en duwde zichzelf overeind. Het was alsof hij zich door een kleverige barrière moest duwen. Kleine druppels glinsterden op zijn voorhoofd. ‘Ik ga naar boven. Pak jij ondertussen wat je nodig hebt. Ik heb plastic tassen genoeg.’
De kombuis was klein en ik moest me voorover buigen. Een paar blikken zonder labels, met de inhoud er met viltstift op geschreven. Kannen met water, met een zweempje geur van desinfectiemiddelen. Bladen gedroogd zeewier. Het zou me weer even verder helpen. Ik propte alles in een tas met bruine plekken – kennelijk ooit uit de zee gevist. Voetstappen naar voren en naar achteren over de lengte van het schip. Steeds sneller. De deur van de stuurhut klapperde. Toen klonk zijn stem van boven bij de trap. ‘Je moet je haasten.’
De klim omhoog was moeilijk, met één hand vol, en de andere op de touwleuning. De man pakte me bij mijn arm en hielp me de laatste treden op. In de holster onder zijn oksel zag ik de kolf van een pistool. Hij beet op zijn onderlip. ‘Je kunt jezelf nog niet redden, zo te zien.’
Ik schudde mijn hoofd, zelf ook teleurgesteld. Maar het zou niet lang meer duren. Hinkend volgde ik hem het dek op. We lagen in de schaduw van een torenflat, maar toch voelde het duidelijk warmer dan in het vooronder. Stof dwarrelde uit de lege raamopeningen op ons neer. Mijn gastheer kuchte. Hij wees over zee, tussen twee andere skeletten van gebouwen door. ‘Ik zag zo-even drie boten voorbijkomen.’ Hij praatte snel, terwijl zijn ogen onrustig de horizon afzochten. ‘Ze hebben ons niet gezien. Maar als ze dadelijk terugvaren, zullen ze wel beter kijken.’
‘Ik wilde je niet in gevaar brengen,’ merkte ik op. Ik liet mijn schouders hangen.
De man wuifde met zijn hand. ‘Ik heb je zelf aan boord gehaald. Terwijl ik eigenlijk alles hier achter wilde laten. Dat krijg je ervan. Heb je voldoende om het te kunnen redden?’
Ik wees naar de tas. Hij klopte me op mijn schouder, behoorlijk hard. ‘Dan is het tijd om van boord te gaan.’
‘Hier?’ Ik keek omhoog. De flat leek boven ons over te hangen, alsof hij elk moment voorover kon storten en ons begraven. Waar ik vandaan kwam bouwden we niet zo hoog. We leefden onder de open hemel, badend in de zon, onze voeten in het water. Geen zorgen. De ruïnes van de steden –bakkend in de zon- vermeden we liever.
De man knikte. Hij pulkte weer aan zijn baard en liet zijn blik van mij afdwalen naar het water. Het middaglicht schiep rode en blauwe glimmers op de golven. Was er een zwarte spikkel zichtbaar, die zich langzaam leek voort te bewegen? ‘Het is zo ver.’
Een van de lege ramen bevond zich op onze hoogte. In de sponning hingen nog twee glaspunten, maar de rest was helemaal weggebroken. Binnen zag ik bleke mossen wuiven in de golven van de wind. Er stonden archiefkasten, twee tafels waarvan het tafelblad was ingezakt en een kantoorstoel op zijn kant, de zitting grijs van het stof. Ik leunde naar voren en zette mijn handen op het kozijn. Een golf deed het schip onder mij bewegen. Ik zette me af. Eerst ging mijn bovenlichaam naar binnen. Mijn gezonde voet trapte nog tegen de reling van het schip. Vervolgens gleed ik verder, mijn gewonde been schokkend en trillend. Ik viel op mijn schouder en maakte een halve koprol. Ik klemde mijn kaken op elkaar om te voorkomen dat ik zou schreeuwen.
Moeizaam duwde ik mezelf overeind en met mijn vrije hand veegde ik het vuil van mijn lichaam. Toen ik opkeek, zag ik mijn gastheer niet meer. De motor van de boot sloeg aan en het dek begon te verschuiven. Eerst langzaam, maar al snel zag ik de achtersteven en het tot schuim gemalen water. Ik stak mijn hoofd naar buiten. Door het achterste raam van de stuurhut kon ik het silhouet van de oude man onderscheiden. Hij keek niet meer om. Het schip begon te draaien, met de neus naar de twee gebouwen toe. Daar tussenin waren nu duidelijk drie snel naderende boten te zien, met erachter een mist met regenbogen. Mijn gastheer voer hen tegemoet.
Signalen uit mijn vingers maakten me ervan bewust dat ik het kozijn wel heel stevig omklemde. Alleen met bewuste aandacht kon ik ze losmaken. Ik dwong mezelf achteruit te lopen, de duisternis van de ruïne in. De mechanische geluiden van buiten vervaagden. Ik hoorde alleen het klotsen van water van de verdieping onder mij.
Nog verder trok ik mij terug, bij het raam vandaan. Er klonk een knal, die echode tussen de torens. Nog een. Ik hield me stil. Luisterde, maar hoorde niets meer. Er waren drie schepen naar me op zoek geweest. Kwam de derde nu mijn kant uit? Of had hij genoeg aan een boot met boeken en mappen? Ik tastte achter me. Een deurklink. Voorzichtig duwde ik de deur open, zorgend dat ik geen geluid maakte. Van achter mij viel licht genoeg om de wit betegelde ruimte te kunnen onderscheiden. Een prullenbak met stof op het deksel. Een drooggevallen toiletpot. En een spiegel.
En daarin zag ik mezelf. Mijn gezicht was androgyn, zonder rimpels, de kin glad. Mijn ogen waren wijd open en knipperden niet. Mijn huid was groen en glom als kunststof, mijn haar was dik en golvend. Ik stond rechtop als een standbeeld, zonder enige trilling, zelfs mijn borst volledig stil. Ik was een androïde. Gemaakt met de meest hoogstaande biotechnologie van voor de overstromingen. In staat om warmte en zonlicht om te zetten in energie en beschadigingen aan het eigen lichaam te herstellen. Niet gevoelig voor straling, hitte of vervuiling, en nooit ziek. Voorzien van een brein met de mogelijkheid zichzelf te kopiëren en dus een eigen, onafhankelijke vorm van leven. Ik trok de deur achter me dicht en het beeld in de spiegel verdween. Ik was opnieuw alleen met mezelf.
Onder de wasbak zakte ik door mijn hurken. Ik schoof mijn tas onder mijn knieën en maakte me vervolgens klein, met mijn handen op mijn achterhoofd. Ik wachtte af wat er ging gebeuren.

Jorrit de Klerk -Revolte

Dit is het eerste deel in een serie van 5 boeken. Elk boek heeft een andere auteur. Ik was al heel lang nieuwsgierig naar dit sciencefiction project.

In dit boek ga je mee naar de wereld en het leven van Raik Minnema. Hij krijgt een promotie, waar hij helemaal door in de wolken is. Hij mag gaan werken in het management van de Vestakolonie in de asteroïden gordel. Het leven op aarde is niet meer wat het is geweest. De mensheid koloniseert nu onder andere een asteroïde.

Maar zijn droom lijkt een nachtmerrie te worden, als ze het contact met de Aarde verliezen en de werknemers in opstand komen. Hij zit vast op de asteroïde en moet hier vandaan zien te komen, maar hoe?

Freddie is een vrijgevochten piloot en is niet op haar mondje gevallen. Ze laat Raik ook merken wat ze van hem vindt. Máár zij is de énige, die hem kan helpen, omdat zij in het gezit is van een schip. Hij heeft namelijk een missie en dat is een tikkene tijdbom aan het worden. Gaat hij het op tijd redden? Je voelt de tijdsdruk.

De humor van Freddie is echt heel erg leuk. Ook heeft zij Fluffy, een robotpoes. Deze poes vond ik echt geweldig gaaf. Je moet het maar verzinnen. Fluffy speelt een vrij grote rol en de stukjes van deze mensenredder vond ik echt genieten. Een robot met voorkeuren.. of is het toch een ziel, wat haar stuurt? Het is iets om over na te dénken.

Wat erg fijn is, vind ik het feit dat het dichtbij huis voelt, omdat Raik Nederlands aanvoelt. Het schept snel een band, met zijn personage.

Het einde belooft nog veel meer, ik kijk er naar uit. Dit eerste boek was een spannende race tegen de klok. Verraad, vriendschap, vertouwen en technische snufjes om van te smullen.

De zwijgende aarde serie.. ik kijk alweer uit naar het volgende boek. Ik geef dit eerste deel 4****.

Sf maand: De 3d wold van Dizary

Als je op Patrick Berkhof zijn site kijkt, of hem tegenkomt op een beurs, zie je zijn wereld tot leven komen door middel van 3d prints. Er staan prints die bijna letterlijk uit een van de verhalen zijn weggelopen. Ook heeft hij prachtige bladwijzers en Art.

De 3d leentrap en het schip uit Acmala zijn echt prachtig.

3d printen om een verhaal nog meer diepte te geven is echt een super idee!

De meeste foto’s die je ziet zijn de losse onderdelen van het model van de leentrap. Dat is de uitvinding uit het eerste boek. De andere twee plaatjes zijn losse pootjes en onderdelen van het bosschip dat Johan heeft beschreven in Acmala. Het 1 na laatste plaatje is een voorbeeld van het bosschip.

Waar gaan de boeken van Patrick en Johan over? Lees dat hieronder:

Dizary-Het levende systeem

Zes personen ontmoeten elkaar bij het Vredesgilde van Moed en Daad. Ze komen er al snel achter dat ze allemaal iets gemeen hebben: Een Maark. Een Maark is een merkteken dat je krijgt als je de wet hebt overtreden. De Maark zal hun dood betekenen, als niet iedereen in de groep binnen 7 dagen een goede daad verricht. Dit is absoluut niet makkelijk! In de wereld van Dizary zwerven namelijk duistere wezens rond. Het zijn eerste klas monsters en hoe kun je die verslaan? Gaat iedereen het halen, of gaat hun Maark ze fataal worden?

Het levende systeem is ook erg bijzonder en eigenlijk ook gruwelijk tegelijk. Als er iemand sterft, komt het levende systeem in actie. Hoe dat is beschreven, daar kreeg ik de kriebels van. Geweldig!

Mijn favoriete personage is een dier: De Poes Zeliska. Zij heeft een bijzondere gave. Ze kan met mensen communiceren. Ze is ook een sterke tante en speelt een belangrijke rol in het verhaal. Haar kijk op de wereld is net een beetje anders. Ze is namelijk een weledelgeleerde Poes!

De personages Arak En Ileas, leer je enorm goed kennen. Deze jongen hebben een onbreekbare band en zijn beste vrienden. Maar doordat ze beiden een Maark krijgen, komt er druk om hun vriendschap te staan. Maar ook de andere personages zijn heel bijzonder. Stapje voor stapje kom je meer over ze te weten.

Wat een prachtige wereld heeft Patrick geschapen!

Meteen van af het begin sleept hij je mee naar Dizary. Deze wereld is echt heel apart. Niets is wat het lijkt en je kunt er ook niet snel je weg (terug)vinden. Je weet nooit waar je terecht komt of wat er in de straat voor je ligt. Dit is zo origineel! Het gaf mij het gevoel van een doolhof, omdat je uit sommige plaatsen in de wereld van Dizary echt je weg terug moet zoeken. Mensen gebruiken leentrappen waar men geld voor moet betalen om over een muur te komen of ergens anders waar ze heen moeten. Daar komt bij dat het beeldend op papier staat, dus je ziet alles zo voor je! Ook doen sommige dingen een beetje steampunk-achtig aan, zoals de sieraden (M-klik) met technische snufjes of bepaalde vervoersmiddelen. Het is echt super spannend en zit vol actie. Dit is een boek dat je niet zomaar kunt wegleggen! Een pageturner! Deze wereld laat mij voorlopig niet meer los.

De taal is ook zeer origineel. Door zijn eigen wereld te schapen, heeft de auteur ook eigen woorden en benamingen bedacht voor voorwerpen. Dat is echt enorm leuk. En door de beschrijving gaat je fantasie aan het werk. De auteur heeft ook bijvoorbeeld een Leentrap uitgeprint met een 3d printer. Deze kun je zien op zijn stand, op Fairs, markten en Cons. Hij heeft ook de cover zelf gemaakt. Deze past enorm bij het verhaal. Het is een scene die je nooit meer gaat vergeten.

Ik kan uren doorpraten over dit boek. Maar eigenlijk moet je dit gewoon zelf ervaren! Dus duik jij ook snel in deze originele wereld????

Het is Fantasy met Science Fiction. Maar ook is het een dystopische wereld. En er zit ook veel humor in! In mijn ogen is het niet echt in een hokje te stoppen en dat maakt het een uniek en origineel boek! Ik kijk stiekem al uit naar zijn volgende boek. Dit smaakt zeker naar meer! Weer een pareltje in mijn boekenkast erbij! Ik hoop dat we nog veel van deze auteur gaan horen in de toekomst! Het boek krijgt van mij 5 dikke sterren*****.

—————————-

Acmala

Dit korte verhaal speelt zich af in de wereld (wold) van Dizary. Dizary is een aparte wold…. De techniek geeft je een steampunk gevoel. Er kruipen wezens rond, die jij nooit wilt tegen komen.Gigantisch grote motten, bomen en planten metmeen eigen wil, insecten zo groot als een flatgebouw…

Farenal en een aantal anderen, gaan mee op een missie. Ze willen weten waar de reuze mot vandaan komt. Deze wezens terroriseren hun steden. Ze moeten gestopt worden. Het brengt ze naar onbekende gebieden, waar nog nóóit mensen levend uit teruggekomen zijn. Naarmate de reis vordert, komen ze steeds weer in gevaar terecht. Het liefste waren ze nooit meegegaan. Komen ze ooit nog levend thuis? In een wereld waar niets is wat het lijkt en niets lijkt op wat het werkelijk is: kan het gevaar overal vandaan komen. Zelfs de grond onder je voeten kan gevaarlijk zijn.

Geweldig verhaal, neigt naar duistere fantasy / horror. Om lekker bij te griezelen of gruwelen. Ik ben mega benieuwd wat deze wereld allemaal nog meer te bieden heeft.

Leest enorm vlot. Op het einde wil je gegarandeerd meer! 5*****

SF maand: Ferry Visser over Sciencefiction

SF maand: Ferry Visser over Sciencefiction

Dankzij H.G.Wells ben ik science fiction gaan waarderen. Het eerste boek dat ik van hem las was ‘De onzichtbare man’ (1897). Deze klassieker behandelt onder andere het onderwerp wetenschap zonder menselijkheid
en laat zien hoe iemand van zichzelf kan vervreemden als hij zich laat meeslepen door extreme wetenschap en technologie. Vervreemding is een proces waarbij mensen zich niet meer eigen voelen omdat men het idee heeft geen invloed te kunnen uitoefenen op de ontwikkelingen. Dit is een reden waarom scifi belangrijk is.
Want ze houdt de wetenschap een spiegel voor die laat zien hoe de mens van zichzelf kan vervreemden doormiddel van wetenschap en de cognitie.

Twee auteurs die voor mij ieder hier een geweldig voorbeeld van geven zijn Hannes Wielant met ‘Arkhaii’ (2017) en Johan Klein Haneveld met ‘Conquistador’ (2017). Beiden laten op uitstekende wijze zien wat de relatie tussen mens en wetenschap kan zijn en geven een verschillend antwoord op de invloed die vervreemding heeft op de mens.

‘Arkhaii’, het debuut van Hannes Wielant, heeft een ontologisch ethisch karakter. In het verhaal zijn de hoofdpersonen twee onsterfelijke broers, die elkaars tegenovergestelden zijn qua karakter en leven. Daarmee laat hij twee menselijke uitersten zien, die gezamenlijk voor een enorme taak staan. De auteur laat in het verhaal zien dat er een wisselwerking behoort
te zijn tussen de vredelievende emotionele factor en de militaire rationele in de confrontatie met het bestaan. De vervreemding zit hem hier in het eeuwige leven van de broers, waardoor hun tijdloze bestaan leeg is en ieder daar een invulling voor moet vinden, en het gebruik van techniek en wetenschap voor vernietiging van anderen om het voortbestaan van de mens te kunnen waarborgen. De pacifist moet het hierbij steeds afleggen tegen de militair.

‘Conquistador’ van Johan Klein Haneveld laat zich omschrijven als ethisch ontologisch. Het is het titelverhaal van de bundel en gaat over Jonas Janquill, die vanuit innerlijke onrust steeds op zoek gaat naar nieuwe werelden. De auteur laat op treffende wijze zien dat technologie een ondersteunde functie heeft in het leven en niet dient als surrogaat voor
het menselijke. Dit verklaart voor een deel de onrust van Jonas, die voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van zijn ruimteschip en alle apparaten die daarbij horen. Het conflict zit hem voor ‘Conquistador’ in het verlangen en daarbij behorende innerlijke onrust en de manier waarop daar gehoor
aan gegeven wordt. Het rationele antwoord op zijn onrust door steeds meer te willen, van de hoofdpersoon veroorzaakt de vervreemding, omdat dit als gevolg heeft dat Jonas steeds verder van zijn gevoel komt te staan.

Hoe hij uiteindelijk het juiste antwoord vindt op zijn onrust door naar zijn gevoel te luisteren en daardoor weer dicht bij zichzelf komt te staan,
maakt voor mij dit verhaal tot een mustread binnen de speculatieve literatuur.

Dit is dus de reden waarom voor mij science fiction waarbinnen vervreemding een belangrijk rol speelt belangrijk is binnen de
speculatieve literatuur. Het laat zien wat de mogelijkheid is als de mens zich laat meeslepen door wetenschap en technologie en wat de consequenties zijn als we teveel vanuit de ratio antwoord geven op het diepste innerlijke verlangen.

SF maand: Arkhaii + winactie!

Arkhaii zijn onsterfelijke mensen. Zij leven echt enorm lang. Sommigen zijn honderden jaren oud. Maar ze beginnen zeldzaam te worden. Vladis is een Arkhaii. Vladis zit niet lekker in zijn vel. Hij is het eeuwige leven een beetje zat aan het worden. Hij kijkt nergens nog van op. De mens heeft al zoveel meegemaakt en planeten verwoest. Hij is depressief en toe aan iets nieuws. Als hij Celestine ziet, komt er een ommezwaai. En zijn broer Kain verschijnt ook weer in zijn leven. Arkhaii zien het als hun plicht om de mensheid te beschermen. Maar verdienen ze dat eigenlijk wel? Met Kain komen ook de problemen mee: de wolvenroedel. Deze problemen bedreigen het bestaan van hun Kolonisator.

De wereld is mooi opgebouwd. De kolonisator heeft een aparte vorm. Maar het staat zo op papier, dat je het echt voor je ziet.

De manier van oorlog voeren is bijzonder. Ze maken gebruik van zwarte gaten. Dit vond ik een heel origineel idee!

Dit boek zet je aan het denken?!!! Is het wel zo’n goed idee, dat de mens de ruimte gaat ontdekken? Als je ziet wat de mensheid de aarde (nu al )aan doet. En in het boek gaat de verwoestingsdrang van de mens nog verder. De mens kun je zien als een soort virus. Ze kunnen niet stopen. Ze willen altijd meer. En nog meer!! Je begint je af te vragen of dit misschien ons toekomstbeeld kan zijn! Ik denk van wel. Mensen blijven ruzie maken en willen macht. Dat dit onze ondergang zou gaan worden… zou mij niets verbazen.

Het boek heeft spannende momenten, maar richt zich vooral in het begin meer op menselijkheid. Later komen er spannende scènes voorbij, die je zo voor je ziet. Maar je blijft nadenken over de mens, tot de allerlaatste zin en ver daarna. Als dat De bedoeling was, van de auteur…? Dan is hij daarin, helemaal geslaagd!

De cover past goed bij het boek. Het is een scène uit het boek. Het krijgt van mij een 8! (4****).

Wil je meer weten en bijvoorbeeld de eerste hoofdstukken gratis lezen? Klik dan hier : https://www.hanneswielant.com/


Wil jij dit boek winnen?

Geef dan antwoord op de vraag:

Zou jij onsterfelijk willen zijn?

Zo ja, waarom.. zo nee, waarom niet?

Je antwoord plaats je op ik hou van horror fantasy en spannende boeken op Facebook, bij het originele bericht.

Deze actie loopt tot en met 31 maart 2019 (16.00) en Hannes of ik trekt dan een winnaar.

Te moe om te lezen…

Iedereen heeft het wel eens. Te moe om te lezen…

Ik heb al bijna 2 weken helemaal niets gelezen.

Eerst kwam de griep met oorpijn. Oren uit laten spuiten…..

Toen kreeg ik gigantische hoofdpijn. De bloedtest gaf aan dat ik 1 of meerdere ontstekingen heb. Voorhoofdsholteontsteking en waarschijnlijk een virus. Ook heb ik iets te weinig Kalium en veelste weinig Vitamine D in mijn bloed. Dat verklaart de spierpijn en de 0.0% energie.

Kalium krijg ik genoeg binnen via mijn eten, maar dat kan ook een afwijkende uitslag hebben gegeven omdat ik slecht te prikken ben. Vitamine D krijg ikeigenlijk ook, genoeg binnen. In eten en bewegen. Ik ben geen stilzitter, wandel en fiets in mijn normale doen altijd veel. Ben een buitenmens. Daarom is het zo vreemd…..Maar vitamine d, krijg je dus het meeste binnen aan zonlicht. En die hebben we dus weinig gezien. Ik zeg altijd dat de zon me oplaadt en dat is dus ook echt waar. Het kan ook met het virus te maken hebben… Het is moeilijk te zeggen. Feit is: ik moet meer vitamine D in mijn bloed zien te krijgen. Een maand lang dubbele dosis, elke dag. Ik heb nooit gebrek gehad aan vitamine d. Ben een buitenmens, geen binnenzitter….

Nu mag ik niet in de zon vanwege de voorhoofdsholteontsteking medicijnen. De medicijnen helpen. De extra vitamine d ook, maar ik wil dat het sneller gaat. Ik ben zo gigantisch moe….. Ik ben geen afwachter. Rustig aan doen, zit niet in mijn aard. Zeker omdat ik pas nieuw werk heb… Ik wil dat niet kwijtraken…. Maar ik moet accepteren, dat ik echt eerst zelf op de been moet komen…. Ik zou het liefste: Hoppa! Weer de oude zijn… maar ik kom erachter dat het niet zo makkelijk gaat…. Ik leer hier ook van…om naar mijn lichaam te luisteren. Hoe graag ik ook iets wil… Mijn lichaam moet het er ook mee eens zijn…. Mind, body, spirit.

Dus… Ik doe mijn best om weer de oude bezige bij te worden… Maar het is niet 1,2,3 over, daar ben ik nu wel achter. Ik moet maandag weer bloedprikken. Ik hoop zo, dat het de goede kant op gaat….

Groetjes en een fijn weekend.-×- Tazzy

Ps: Gaan jullie naar Comic Con? Dan hoor ik graag, hoe het was! Ik ga zelf niet. Heb er gewoon geen energie voor (en die heb je daarvoor echt nodig, met al dat lopen en slepen van je merchandise). Have fun.