Schrijver van de maand Maart 2021: Carla Scheepstra

Naast Doodgewoon is er nog een boekje verschenen; Jagerskind. Het boekje speelt af in dezelfde wereld als Doodgewoon. Een wereld waar de dood geen einde is, een wereld die niets is wat het lijkt.

In Doodgewoon focussen we op Destiel en de opgestane Ramon, maar in Jagerskind leggen we onze kijk op Nienke.
Nienke is een echt meisje-meisje en alles lijkt normaal in haar gewone leven.
Maar wat als haar nieuwsgierigheid haar ergens brengt waar ze liever niet wil zijn en wat als haar leven toch niet zo gewoon blijkt te zijn?

Graag deel ik een stukje tekst uit het boek met jullie.

HOOFDSTUK 7
Op het eerste oog leek er niets aan de hand. De verlichting van de kelderlamp was niet optimaal, waardoor ze bijna niets zag. ‘Waar zit je?’ vroeg ze met een bevende stem. Ze keek de gevangenis in en zag zwarte contouren in de hoek. Die had ze gisteren niet gezien. Voorzichtig ging ze erop af en zag dat het een persoon was. De persoon keek op, maar Nienke zag zijn ge- 50 zicht niet. Haar ademhaling werd zwaarder en ze wist niet waar ze moest kijken. In alle paniek keek ze naar de trap, de uitweg naar boven. Ze draaide zich in één beweging om, om weg te vluchten. ‘Nee, wacht!’ klonk de man wanhopig. Nienke had de trapleuning beet en keek angstig naar de man, die zich omhoog probeerde te trekken aan de tralies. Door de slechte verlichting zag ze niet hoe zijn handen eruit zagen. ‘Help me…’ vroeg hij zwak. Nienke bleef verstijfd op haar plek staan en herkende het silhouet van de man. Het was die man uit de steeg. Hij stak zijn hand door de tralies en reikte naar haar. Nienke keek naar de uitgestoken hand, die door de straal van het licht goed zichtbaar werd. Ze schrok en durfde niet dichterbij te komen. Zijn handen waren niet ongewoon. Ze probeerde het gezicht van de man te zien, maar die bleef gehuld onder zijn kap. Ze keek over haar schouder naar de trap en vervolgens naar de man, die zijn hand naar haar uitgestoken hield. 51 Waakzaam liep ze dichterbij en hield de houtenpop gestrekt voor zich uit. Zijn kaken werden zichtbaar door de schemering van de lamp. Verstijfd bleef ze staan en keek naar de hand. Een witgeel skelettenhand was naar haar uitgestoken. Nienke vroeg zich af hoe dat mogelijk was. Wat voor wezen was hij?