Schrijver van de maand Oktober 2021: Johan Klein-Haneveld- Het huis op de heuvel

Deze hele maand, deelt Johan allerlei leuke dingen op de Facebookgroep ik hou van horror fantasy en spannende boeken!!!! Ga daar heen, als je niets wilt missen! Hier op mijn blog deel ik alleen een kort verhaal:

Schrijver van de maand Oktober 2021: Johan Klein Haneveld – Een kort verhaal

Sinds 9 Oktober is mijn Young Adult-roman ‘Het denkende woud’ uit en overal te koop. Ik liep echter al een hele tijd rond met het idee voor dit verhaal. In 2016 schreef ik al dit korte verhaal, dat zich afspeelt in dezelfde wereld als ‘Het denkende woud’. Wil je een gesigneerd exemplaar van mijn boek? Bestel het dan alvast bij:
https://www.godijnpublishing.nl/galerij-en-webshop/nieuw/het-denkende-woud/

Het huis op de heuvel

Johan Klein Haneveld

Vlak boven mijn hoofd spatten splinters weg. Een ervan sneed in mijn wang. In de vlekkerig grijze muur bleef een rond gat achter. Ondertussen rolden de echo’s van de knal heen en weer tussen de half ingestorte gebouwen.
‘Dat zal jullie leren op mijn terrein rond te hangen’, klonk een rauwe stem. De eigenaar ervan stond in een van de ruïnes, waar een groot deel van de buitenmuur was weggevallen en de tussenvloer zichtbaar was. Achter hem bevonden zich roodbruine klossen, tegen elkaar leunend alsof ze elk moment konden instorten. De man droeg een grijs gewaad, dat wapperde om zijn dunne ledematen, en hield een stok vast die in onze richting wees. ‘Hier is geen plek voor jullie soort, raddraaiers!’
De dreun had me geschrokken door mijn knieën doen zakken. Ik kwam langzaam weer overeind en stak mijn handen boven mijn hoofd. Ik wenkte met mijn kin naar Simon dat hij hetzelfde moest doen. Hij zag bleek en zijn vingers trilden. ‘Ik zei toch dat het een slecht idee was?’ Maar hij vond bijna alles wat ik voorstelde gevaarlijk. En dat terwijl hij altijd zijn oudere zus bij zich had.
‘Maak je geen zorgen’, zei ik tegen hem. Toen riep ik zo hard als ik kon naar de man in het vervallen gebouw: ‘We wilden juist vertrekken! We hebben hier toch niks gevonden!’
Simon fronste. Hij keek omlaag. Bij zijn voeten lag een voorwerp van metaal. Er zaten glassplinters in en draaiende uitsteeksels boven een witte plaat. Op een teken van mij duwde hij het met zijn voet in de schaduw onder een schuine steenplaat. Vervolgens stak hij zijn armen zo mogelijk nog hoger.
De man zei iets, maar de eerste woorden kon ik niet verstaan. ‘ … respect voor iemands eigendom. Alsof het niets kost!’
‘We zullen hier nooit meer komen!’, riep ik terug.
‘Dat is jullie geraden!’ Een tweede, echoënde dreun en nu stoven er stukjes steen op, nog geen twee meter bij onze tenen vandaan. We keerden ons om en klauterden tegen de muur op. Van een afstandje leek hij glad, maar er waren genoeg richels voor onze vingers en tenen. Bovenaan hadden we de schilferende, roestige metalen draden eerder die dag al opzij geduwd. Ik wachtte tot mijn broertje over de top heen was. Toen ging ik hem snel achterna. Ik keek nog een keer terug over mijn schouder, maar de man was al verdwenen.
De laatste anderhalve meter liet ik me vallen. Mijn voeten zakten diep weg in het veerkrachtige, koele mos en ik moest met mijn armen zwaaien om overeind te blijven. Ik lachte hardop. ‘Dat was geweldig! Wat een avontuur!’
Simons gezicht bleef een ogenblik vlak, maar uiteindelijk bewogen zijn mondhoeken zich omhoog. Zijn wangen hadden ook weer kleur gekregen. ‘Wacht tot de anderen hiervan horen!’ Hij legde zijn hand tegen de stam van de dichtstbijzijnde boom. Een patroon van witte lijnen verscheen op zijn onderarm. Hij bewoog zijn vingers er overheen, ondertussen dingen mompelend. Ik zag letters verschijnen op zijn huid, een plaatje, en vervolgens rolden er hele lappen tekst voorbij. Simon gniffelde om de reacties. Toen keek hij om naar mij. ‘Je bloedt!’
Ik bracht mijn hand omhoog en voelde aan mijn wang. Een pijnlijke steek. Mijn vingers waren rood.
‘Ik kijk of ergens een printer in de buurt is’, zei mijn broer en hij toetste commando’s in op zijn arm. Uit de begroeiing klonk geritsel. Een apparaat op gebogen pootjes kwam tevoorschijn. Het stak een grijper uit naar een boomstam en bovenop de constructie van samengeperst hout en aaneen gesmolten zand begonnen lampjes te gloeien. Aan de voorkant ging een klep open. Een rol kleefverband. Ik pakte het en keek de printer na terwijl hij waggelend weer uit zicht verdween. Op zoek naar nieuw materiaal om mee te werken. Ik drukte het gladde spul dat het apparaat had achtergelaten op de snee, waar het zich direct vasthechtte.
‘Ik heb al zestig bravourapunten gekregen’, zei Simon, die weer naar zijn arm staarde, met verwondering in zijn stem. ‘Genoeg om naar het tweede avonturiersniveau te gaan. Er waren zelfs reacties van mensen van Congo en Nieuw-Texas en een uitnodiging voor de volgende tiener grottentocht.’
‘Nu niet overdrijven, he? Je vergeet toch niet dat je dit alleen gedaan hebt omdat ik het heb voorgesteld?’
‘Dat is toegestaan’, zei Simon zelfverzekerd. Hij wees naar mijn arm. ‘Ben jij niet benieuwd hoeveel punten ze jou hebben gegeven?’
‘Ik wil techniekpunten, geen avonturierspunten’, antwoordde ik. ‘Ik heb al niveau vijf. Genoeg om zonder volwassenen zomaar op reis te kunnen. Meer heb ik niet nodig.’ Ik zuchtte. ‘Kom, laten we teruggaan voordat iemand ons minpunten geeft voor betrouwbaarheid. Ik wil niet buiten het dorpshuis moeten blijven.’
‘Te laat.’ Onder ons duwde onze vader een met flinke bladeren bezette tak opzij. Hij klom tegen de helling op, terwijl er zweetdruppels over zijn rode wangen rolden.’Ik heb mijn corvee in het datalab moeten omruilen om jullie te halen. Had ik niet gezegd dat jullie hier nooit mochten komen? Dat dit verboden terrein was?’
Ik wilde antwoorden dat hij ons daarmee juist nieuwsgierig had gemaakt, maar het vuur in zijn ogen suggereerde dat slimmigheden zijn boosheid dit keer niet konden temperen. En wie zich zo tegen zijn ouders keerde, had behoorlijk veel kans negatief te scoren.
‘Ik had gelukkig voldoende collegialiteitskrediet’, zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen ons. Zijn blik ging naar de grauwe muur en omhoog naar de verbogen draden. ‘Die man is gevaarlijk. Hij vindt dat dit terrein van hem is en dat hij dus mag bepalen wat er gebeurt met wie de muur over komt.’
‘Ik snap het niet’, zei Simon. Hij had zijn hand opgetild en de lijnen op zijn arm vervaagden. ‘Waarom zou hij die puinzooi willen hebben? Er groeit niks. Ik kon zelfs mijn computer niet gebruiken.’
Vader schudde zijn hoofd. ‘Dit was vroeger een energiecentrale en hij was de directeur.’
‘Wat is een energiecentrale?’, vroeg Simon, een diepe groef in zijn voorhoofd.
‘Hier werden kolen verbrand, zodat elektriciteit ontstond. En die man bepaalde wie die elektriciteit vervolgens mocht gebruiken: de mensen die hem ervoor wilden betalen. Mannen en vrouwen moesten in kantoren en fabrieken werken om van hem te kunnen kopen wat ze nodig hadden. En hij werd rijker en rijker, alleen omdat hij toevallig hier de baas was.’
Mijn broertje huiverde. ‘Wat afschuwelijk.’
Ik haalde adem. Mijn vader leek door de onderdrukkende sfeer van de centrale zijn woede te zijn vergeten. ‘Dat was voor we bij planten de fotosynthese leerden aftappen, toch?’
‘Voordat de energie gratis werd’, bevestigde hij. ‘En de productie. En de communicatie. Er was niks meer over om te bezitten.’
‘En de man dan?’, wilde Simon weten.
‘Die bevond zich opeens onderaan de rangorde. Dat kon hij niet verdragen, dus verliet hij ons en sloot zich hier op. In zijn eigen stukje wereld.’
‘Ik snap hem niet’, zei Simon. ‘Hij vindt dingen belangrijker dan mensen.’
‘En daar geef ik je tien wijsheidspunten voor.’ Onze vader glimlachte. ‘En de minpunten laat ik voor deze ene keer schieten. Kom mee, dan kunnen we nog wat appels plukken voor het donker wordt.’
Simon en ik knikten. We daalden achter hem af tot we volledig waren omgeven door ruisende bladeren.