Halloween Horror Week: Anthonie Holslag – Schaduwen van angst

Schaduwen van angst

Er werd mij gevraagd wat “angst” is. Hoe ik als horror schrijver met “angst” omga. Het is een lastige vraag. Een vraag die je een horror schrijver niet dient te stellen. Als horror schrijver heb je namelijk een dubieuze relatie met angst. Je voelt het en ervaart het als mens. Maar gebruikt het ook als een middel om iets op te wekken. Laten we daarom, om te beginnen, kijken naar het woord en de enorme impact die het vaak achterlaat.

Angst, is een klein woordje, bestaande uit 5 letters, terwijl voor ieder die het ervaren heeft – voor een seconde of een minuut of zelfs nog langer – weet dat angst allesomvattend kan zijn. Het dringt zich op en laat je soms niet met rust. We kennen het allemaal. Maar hoe omschrijf je zoiets als een schrijver? Hoe zou je het kunnen omschrijven zonder het te benoemen? Of nog geslaagder: als je de lezer wilt meenemen naar die duistere plekken, waar ze eigenlijk niet willen zijn. Hoe doe je dat? En waarom lopen de lezers met je mee? Als ze weten dat aan het einde van de tunnel een slachtbank wacht?
Het is een vraag die ik me vaak stel. Misschien doen lezers het voor de adrenaline. Misschien omdat het onbekende trekt, zoals de diepte trekt voor iemand die hoogtevrees kent. De lezer gaat met je mee en jij probeert als verteller de bezienswaardigheden aan te tonen en aan te wijzen: het geheel zo te structureren, dat angst voorzichtig onder de huid van de lezer kruipt, totdat je maag als een steen is veranderd. Angst sluimert en zoekt altijd naar een warme plek om zich daar te nestelen. Als schrijver weet ik dit. Je plant een zaadje. Een suggestie. Een idee. Het is de lezer zelf die het zaadje water geeft en het doet opbloeien. Angst is immers altijd persoonlijk en subjectief. Er beslaat niet zoiets als “objectieve” angst. En het is jouw doel als schrijver om de lezer met nuances en schaduwen naar een plek te brengen, ze te besprenkelen met benzine en dan een lucifer aan te steken om te zien wat er gebeurt. Met andere woorden: je maakt jouw sociale werkelijkheid, hun sociale werkelijkheid. En dan neem je afscheid en laat je de lezer alleen in de duisternis achter, waar ze zelf de schaduwen uitdiepen en vaste vormen geven van de woorden op papier.
Lezen is een dwaalspoor door het onderbewuste.
Angst is namelijk het tegenovergestelde van het “normale”, “het dagelijkse”. Het is iets tegennatuurlijks dat diep in de kern aanwezig is en voor iedereen een andere betekenis heeft. Mijn taak als schrijver is om de lezer, jou dus, naar de diepte van de zee te varen en je vervolgens te laten springen, zonder te weten of er hamerhaaien of witte haaien onder de oppervlakte zwemmen.
Ik hoef ze zelfs niet te benoemen. Ik wijs slechts de schaduwen aan, die ik denk in het donkere blauwe water te kunnen zien. Suggesties en verwijzingen. Jouw geest als lezer doet de rest. Jij geeft er invulling aan. En probeert weg te zwemmen.
Horror is dus meer dan afgezaagde ledematen, monsters en andere bloederige partijen waarbij de hoofdpersoon veelal bij een ontdekking de boel onder kotst. Dat is gruwelen, maar geen horror. Horror is angst opwekken. De tegennatuurlijke reactie op het onbekende, die jij als schrijver voor de lezer hebt geschetst.
In deze zin is angst eigenlijk behoorlijk intiem. Een intieme afspraak tussen de lezer en de schrijver, waar de eerste zich vrijwillig overgeeft aan de handen van de auteur. Maar of dit een verstandige keuze is, dat is ten tweede. Want als jij je overgeeft, geef je mij als schrijver macht. Macht om te plagen, te confronteren, om in je hoofd te kruipen en een plek te vinden, die kwetsbaar en broos is en waar ik het zaadje met woorden plant. Ik maak degene meestander van mijn angsten, maar laat het de lezer inkleuren zodat de angst voor hem of haar persoonlijk wordt en daarmee niet langer van mij is.
Maar nooit direct. Altijd met schetsen en contouren. Het zijn de suggesties waar angst uit voortvloeit.
En dit is moeilijk. Net zoals een schrijver van komedie: het draait om het weergeven van een gevoel, een emotie. Niet om het benoemen ervan. Een lachje om een grap, waar je eigenlijk niet om zou moeten lachen. Of de lezer verrassen met een plotselinge wending waardoor alles wat hij of zij kent op zijn kop komt te staan. Het is een snaar die je bij de lezer raakt en langzaam laat vibreren. Totdat de vibraties gekmakend worden.
Ik weet dit natuurlijk omdat ik in mijn verhalenbundels (Zwarte muren, Een bloedovergoten dageraad en In het kille ochtendlicht.) angst als motief en thema heb gebruikt. Nooit duidelijkheid geven, nooit een beschuldigende vinger aanwijzen. Maar slechts schetsen en contouren aanbrengen; die jij – jij mijn beste lezer – invult en internaliseert. Ik zet de setting, maar jij doet de rest. Zo is de verbintenis tussen lezer en schrijver. De stille afspraak die je als schrijver met je publiek maakt. Mijn angst is plotseling jouw angst en daar, precies op dat kwetsbare moment, laat ik je los. En dat is intiem. De kwetsbaarheid. De broosheid. Het alleen zijn. Het is de waanzin van angst, dat angst creëert. Het zijn de schaduwen die je opvreten. Het is de grens tussen de realiteit en krankzinnigheid, waarbij het eerste langzaam verdwijnt.
In mijn bundels, maar ook in mijn de roman Toevluchtsoord laat ik je in de schemer en mist achter in de hoop dat jij je de weg zelf naar huis vindt. Zo niet dan ben je verloren in de fijne spinnendraden die ik heb geweven en weet je, voel je, dat het monster op je afkomt.
Zo heb ik in mijn verhalen diverse angsten beschreven. Normale en existentiële angsten. De angst voor de dood, het leven, relaties, ouderschap. Dingen die we allemaal herkennen, maar zelden wordt benoemd. Ik maak ze zichtbaar. Veeg de stof van de spiegel af, zodat je de nieuwe lijnen op je gezicht beter kunt aanschouwen. Mijn angsten worden jouw angsten. En als je meer dan 24 uur van deze kwetsbaarheid bewust bent, worden we langzaam gek. Dus vullen we onze dagen met werk, relaties en bezigheden om die knagende stem van het leven te negeren. Het onvermijdelijke dat altijd aanwezig is en je leven drapeert. Het is er iedere dag en het is onontkoombaar. Iedereen wilt zijn sterfelijkheid negeren. Terwijl de Dood de enige belofte is dat het leven aan je heeft gemaakt.
De dood ligt over onze levens heen. Het onvermijdelijke is altijd aanwezig.
Ook ik voel het. Het is nu zes uur in de ochtend, terwijl ik dit tik op 29 oktober. Nog precies een maand, waarin ik de vingers van het onvermijdelijke zelf heb gevoeld. Ik voel ze nu weer. Hier achter mijn schrijftafel, voel ik hoe schaduwen samenklonteren en in langwerpige klauwen veranderen en naar me reiken. Misschien laten ze mij vandaag met rust. Misschien niet. Op een dag zullen de kauwen me pakken en mij omdraaien en zal ik oog in oog met mezelf staan: de persoon die ik kon zijn, maar door keuzes niet ben. Een andere versie van mij. Hij zal glimlachen en ik kan me voorstellen dat zijn ogen zwart worden, zijn tanden vlijmscherp en dat hij zal zeggen: “Kijk me goed aan Tony. Ik ben degene die je had kunnen worden. Heb je alles gedaan wat je wilde doen? Alle verhalen geschreven die je wilde schrijven? Of ben je in gebreke gebleven en ben je slechts een aftreksel van mij en heb je het leven niet optimaal geleefd? Want is wat je dient te doen, Tony? Je dient alles uit het leven te halen, voordat de duisternis je uit het leven rukt.’
Ook bij jou zijn er samengeklonterde vingers, nagels en klauwen. Terwijl ik dit schrijf staat jouw reflectie misschien achter jou. Voel je zijn adem en zijn zachte en verleidelijke stem: “Kijk me aan. Durf in de spiegel te kijken?”
Die dag komt. Dat weet je. Voor jou. Voor mij. En ik weet dat ik zonder meer in gebreke zal blijven. Ik zal schreeuwen en schoppen en vechten, maar uiteindelijk loslaten. Vervlogen woorden en ik alleen zal weten wat ik in mijn graf meeneem.
De ultieme angst is universeel. Voor mij, voor jou. Het is je Alfa en Omega en hoe je de ruimte daartussen hebt ingevuld. Soms met vergulde dagen. Maar nog meer met grijze dagen die nauwelijks van elkaar verschillen.
De angst vreet namelijk. Holt je uit en je wacht op de dag dat de duisternis zal komen.
En het zal komen. De Alfa is altijd bekend. Het is op de Omega waarop we wachten. En hopelijk doe je daartussen in genoeg.

Hoor je de schaduwen? Net zoals bij mij, staan ze nu vlak achter jou.

Anthonie Holslag,
29 oktober 2018.
Amsterdam

Advertenties

Halloween Horror Week : De begraafplaats (Kort verhaal)

Ik denk dat iedereen wel eens iets engs heeft meegemaakt. Of ergens heel erg bang voor is. Deze week stond mijn blog dus voornamelijk in het teken van Horror en gaf ik het woord aan horror auteurs en liefhebbers. Ik eindig zelf, met een kort verhaaltje:

Een aantal van mijn engste momenten speelden zich af op een begraafplaats…. Ik verwerk ze in een verhaaltje, voor het slapen gaan.

Ik loop met mijn vader de begraafplaats op. We gaan wat bloemen brengen, naar onze beste vriend Piet.

Ik voel me daar nooit op mijn gemak. Het is groot, vol en gigantisch winderig. Als het hard waait, zie je geen hand voor ogen.

Het zou een mooie dag worden, het zonnetje schijnt een beetje waterig.

Als we langs de aula lopen en het oude gedeelte van de begraafplaats, krijg ik ineens de bibbers…. Er ligt een vers nieuw graf. Dat zie je aan de bloemen en het zand, dat nog niet is gezakt. Nieuwe graven geven me een zeer naar gevoel. Je weet immers niet wie er ligt, op dat moment. En omdat het zand nog niet gezakt is, hoop je maar dat ze diep genoeg liggen. Hoe hoger de berg zand, hoe slechter ik me voel…

Ik weet de weg, mijn opa en oma liggen er ook begraven. Daar loop ik eerst langs, ook zij krijgen bloemen. Er staat een bankje geparkeerd op het graf. Iedere keer weer. Waar het vandaan komt? We zetten het aan de kant tegen de heg aan, giechelende voort. Als iemand ons nu dat bankje ziet verslepen, krijgen ze waarschijnlijk heel erg vreemde ideeën. Het bankje verplaatsen is erbij gaan horen. Je weet dat hij er weer zal staan….. Iedere keer weer!

Aan de andere kant van de rij grafstenen, zijn nog een paar familieleden begraven. We maken altijd de steen en dekplaat even schoon. Ik stap tussen twee graven in en wil op mijn hurken gaan zitten. Maar ineens zakt mijn voet tot over mijn enkels weg in het stopzand. Ik wil hier weg…Nu meteen! Mijn vader trekt me zwijgend weer overeind. Hij kijkt nog maar een keer over zijn schouder. Op deze plek ben je alleen, maar zo voelt het niet. Zo voelt het nooit! Ik wil alleen maar naar huis, maar we lopen verder en gaan de hoek om naar onze vriend.

Ik zet de bloemen neer en zie vanaf het open bollenveld een dichte mist aankomen. Deze ziet er echt onwerkelijk en griezelig uit. Een angstig gevoel bekruipt me. Ik wil nu meteen op mijn fiets springen en er vandoor gaan. Maar helaas is de mist snel en het zit in een mum van tijd potdicht. Bovendien kan ik mijn fiets onmogelijk terugvinden, hij staat helemaal aan het begin van de begraafplaats, in een fietsenstalling.

Ik vind dat de wereld er heel anders uitziet als de wolken op je neerdalen. Het voelt aan als een soort tussenwereld. Eigenlijk behoorlijk creepy op een begraafplaats, realiseer ik me ineens…. Het is zo stil. Bijna magisch, maar met een heel naar randje. Je kunt een speld horen vallen.

Wat hoor ik nu? Wat is dat? Het is een mechanisch geluid, het klinkt als een kettingzaag, (en het brengt een krakend geluid te weeg) of is het een bottenzaag? Het geluid gaat door merg en been. Dit kan toch niet waar zijn? Waar ben ik in hemelsnaam (in) terecht gekomen?

Ik draai me om en mijn vader is verdwenen… Ik begin hem toch wel te knijpen. Maar ik kan me niet bewegen……

Langzaam dringt het tot me door, dat ik hier weg moet. Ik heb geen idee welke kant ik op moet, maar ik schuifel een beetje naar voren. Daar zie ik langzaam maar zeker een donkere gedaante staan… oh, help! Ik wil hier weg! En dan hoor ik op eens de kettingzaag vlak naast me. Ik denk: Dit was het dan. The end!

Er loopt een gedaante op me af…. Met een kettingzaag. Draai je om! Maar weer sta ik als versteend te kijken.

De gedaante stopt voor me en legt de kettingzaag op de grond. Hij stapt naar me toe: Ik schrok net zo erg, als u mevrouw. In dit weer verwacht je toch geen levende ziel op de begraafplaats? Ik kom langzaam weer tot mezelf en zeg: Ik dacht echt even, dat ik in een horrorfilm beland was!

De man zegt: Dat soort films kunt u beter niet kijken. Ik was bomen aan het snoeien. Maar kan bijna de traptreden van mijn ladder niet meer zien. Ik ga ook naar de uitgang.

Samen liepen we naar de uitgang, waar mijn vader bij zijn fiets stond te wachten en zei: ik hoorde die kettingzaag en dacht: weg wezen! Waarom kwam jij niet achter me aan?

Ik wist toen zeker dat ik het in een horrorfilm nooit zou overleven. Die vaak blonde dames (just like me), staan ook aan de grond genageld. Terwijl ik altijd zeg: dat overkomt mij niet….. Maar het zegt ook iets over mijn vader. Hij heeft een overlevingsalarm en rent voor zijn leven. Ieder voor zich. Hahaha. Ik dacht dat ik ook weg zou rennen, in zo’n situatie. Maar dus niet. Lol.

Dus nu snappen jullie waarom ik een haat liefde verhouding heb met begraafplaatsen. Ik hou van griezelen. Maar ben dus echt een bangeschijterd. Ik voel me er nooit en te never op mijn gemak.

Happy Halloween

Tazzy Jeninga

Halloween Horror Week: Sophia Drenth -Angst

Van kindervrees tot volwassen trauma-Sophia Drenth

Het werd al vroeg in mijn leven duidelijk dat ik het niet op babypoppen had. Toch bleven goedbedoelende, oude vrouwtjes die de apotheek van mijn ouders bezochten ze mij cadeau doen. En zo leerde ik om op jonge leeftijd mijn angst achter een geveinsde glimlach van dankbaarheid te verschuilen en het geschenk semi-enthousiast in ontvangst te nemen, want een gegeven babypop kijk je niet in de bek.
Angsten vallen onder te verdelen in reëel en irreëel van aard. Babypoppen kunnen god zij dank in het mapje irreële angsten worden onderverdeeld, want uiteindelijk heeft geen ervan mij aangevallen en me met huid en haar opgevreten (een beeld dat in mijn geheugen gegrift stond dankzij de scifi-film Barbarella). Ik ben ervan overtuigd dat ze niet hebben kunnen toeslaan doordat mijn vader net op tijd heeft ingegrepen. Op een dag kwam hij met een vuilniszak mijn kamer binnen en propte al die babypoppen erin. Wat een held vond ik hem toen! Deze actie moet het grote plan van dat legertje babypoppen hebben gedwarsboomd. Ik heb het ze horen denken, terwijl ze in de vuilniszak werden afgevoerd: ‘Het is niet voorbij. Op een dag nemen we je te grazen … Hak, hak, hak. In stukjes ga je. In stukjes.’
Het was echter niet gedaan met mijn angst, die breidde zich uit naar alles wat me met dode ogen aanstaarde en zo ontstond een rechtgeaarde beeldenvrees die zijn hoogtepunt bereikte op wat voor mijn ouders een romantische avond had moeten zijn op de Pont Alexandre te Parijs. Witte wolken joegen voorbij het licht van de bijna volle maan. Het was een kille avond in april (vermoed ik, want we maakten deze tripjes meestal in het voorjaar met Pasen of Pinksteren) ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Aan het eind van een dag sightseeing en shoppen nog even een stop op de mooiste brug van Parijs. Wat die brug zo mooi maakt naast een rij lantaarns en barokke ornamenten? Er hangt een gigantische beeldengroep aan. Duivels met drietanden die – ik zweer het! – hun hoofden naar me omdraaiden in het maanlicht.
Resultaat: ouders doen romantisch, kind sprint gillend met zwaaiende armen voorbij. Lekker sfeertje.
Op een gegeven moment moet een mens zich erbij neerleggen dat dergelijke angsten niets met de realiteit te maken hebben. Ik ben jaren later terug geweest naar die brug, tijdens de reis naar Parijs waarop we een deel van mijn vaders as hebben uitgestrooid, en die beeldengroep stelt helemaal geen duivels voor; het zijn de jaargetijden of andersoortige gratiën, dames met een lieftallige glimlach op het gelaat en bloemen in het haar. Oké, toegegeven, ze zijn zó groot dat ze doodeng blijven, maar het is wel typerend van hoe angst een beeld (in dit geval létterlijk een beeld) kan omvormen tot iets veel engers.
Naar mate de tijd vordert worden de irreële angsten verdreven door voorvallen uit het echte leven. Ik heb dingen gezien en gevoeld rond het overlijden van dierbaren die ik hier niet zal delen omdat ze té persoonlijk zijn. Vertellen dat mijn vader geen mooie dood stierf en dat ik als enige aanwezig was, zegt voldoende.
Sindsdien lach ik elke babypop vierkant uit en ontmoet ik de uitgeholde blikken van beelden met een brutale oogopslag. Ik win de staar-wedstrijden telkens weer.
Maar toch, tijdens sommige nachten wanneer het trauma-doosje opengaat en de reële angsten met me op de loop gaan, zou ik wensen, willen en zelfs bijna smeken of die babypoppen niet terug willen komen met hun glazen ogen, hun blikkerend blootgelegde porseleinen tandjes en pruikjes van echt mensenhaar.

Halloween Horror Week: Carla Scheepstra – verdwenen begraafplaats (kort verhaal)

Een periode lang heb ik mogen werken in de uitvaart. Ik heb daar veel dingen gezien, waar sommigen hun hand voor omdraaien. Zelf ben ik niet echt bang aangelegd voor dat soort dingen, maar ondanks dat het werk mij wel beviel, ben ik gestopt.
Ik rolde binnen bij theaters als grimeur en kwam algauw in aanraking met losgeslagen vrolijke zombies in spookhuizen. Ik heb mijn eigen team met zombies en die zijn het gevaarlijkst, want zij vinden het allemachtig mooi om zich te verstoppen als ik even niet oplet. En waarom? Ze vinden het prachtig om mij te laten schrikken. Een aantal voorbeelden zijn de wc-horror-invasies, de plotselinge verdwijningen in een oud treinwagon of een oud pand waar ze mij zeven doden hebben laten sterven.
Ondertussen ben ik al wat gewend en schrik ik niet meer zo snel ze en zijn de rollen andersom.

Doodgewoon is 29 September uitgekomen en ik geniet in oktobermaand van een dubbele zombiedosis, want naast het grimeren ben ik ook veel bezig met mijn boek.
Regelmatig neem ik de opgestane Ramon mee, maar het is ook voorgekomen dat ik een leger opgestanen meeneem, waaronder mijn beste vriendin en die heeft mij vies laten schrikken!

Naast het grimeren onderzoek ik ook oude graven en kerkhoven. Het is een uitgelopen hobby, ontstaan door mijn vader. Opvallend vind ik in dit werk dat er veel mensen nieuwsgierig zijn naar de dood, naar de verhalen achter een graf of kerkhof. Regelmatig krijg ik de vraag of ze mee mogen, waaronder mijn beste vriendin, die mij echt de stuipen op het lijf heeft gejaagd.

Na lang zeuren of ze een keer mee mocht, koos ik twee begraafplaatsen uit. Ik gaf haar instructies dat we eerst naar een normaal begraafplaats gingen, waar ik graven zocht van de begraafplaats waar we later die dag naar toe zouden gaan. Gefascineerd luisterde ze naar de verhalen die ik over de graven wist. Eenmaal onderweg naar begraafplaats twee, keek ik naar haar benen en grinnikte.
‘Wat is er?’ vroeg ze. Ik keek haar met pretogen aan en zei: ‘Jij krijgt zo’n spijt van jouw rok. De begraafplaats waar we nu naar toe gaan is verdwenen. Het is helemaal verwilderd door bramen, berenklauwen en bomen.’
Ze geloofde er weinig van en zei: ‘Ach, het is een begraafplaats…Er is vast wel een pad.’
Positieve gedachtes, daar hou ik van!
Aangekomen bij de begraafplaats, kwamen we aan bij een omgevallen hek.

‘We gingen toch naar een gewone begraafplaats?’ vroeg m’n vriendin, waarop ik haar serieus aankeek en vertelde dat dit doodgewoon was.

We klauterden als houten harken over het hek en aan de andere kant wachtte bramenstruiken op ons met een warme knuffel. Algauw raakte ik gecharmeerd door het lijkhuisje waar mijn vriendin niets van wilde weten. We liepen erheen en ze zegt: ‘Hoor jij dat ook? Krakende takken?’

Ik negeerde wat ze zei en wurmde me tussen de bramen door naar het lijkhuisje. Het huisje was half afgebrand, het dak was gesloopt om zwervers tegen te gaan en overal lagen er scherven.

Ik betrad het huisje en zag verschillende bedreigingen op de muren gekalkt. In het huisje zelf voelde ik een negatieve energie, het voelde zo raar. Ik keek over mijn schouder naar die vriendin, die ondertussen ruzie had met een grafkuil. Ik verplaatste me weer naar haar toe en zei dat we alles wel al gezien hadden. Ze keek me ineens verschrikt aan en zegt: ‘Hoor jij dat ook?’

Ik fronste mijn gezicht en schudde mijn hoofd, waarop zij zei: ‘Kindergelach! Hoor je dat niet?’
Afvragend keek ik om mij heen en zag niets vreemds. Het was stil, doodstil.
‘Misschien moeten we maar gaan,’ zei ik om haar niet verder bang te maken. Ondertussen voelde ik zelf ook wel de kriebels opkomen.

Samen keerden we terug naar het hek, maar om niet weer door de bramen te hoeven gaan, namen we de veilige route, dat dachten we tenminste, want we kwamen door struiken, opnieuw bramen en meer.
‘Ga met Carla opstap naar een begraafplaats en je krijgt er een workout bij,’ hoorde ik die vriendin zeggen, waarop ik zacht moest gniffelen.

Ik voelde me net als Tobias uit doodgewoon op de begraafplaats, want die voert ook dit soort taferelen uit met zijn vrienden. Ik liet dat vallen, waarop de vriendin moest lachen en ineens weer stil werd. ‘Ik hoor een kinderstemmetje!’ riep ze geschrokken.
Ik keek haar aan en maakte een opmerking over zombies en zag haar grote ogen op mij gericht. Omdat ik zelf wel opensta voor identiteiten hield ik mijzelf maar gedeisd, zoals ik het de hele tijd eigenlijk wel deed. Ik wist dat het kerkhof in het verleden geteisterd werd door hangjongeren en de sporen die ik ben aangetroffen, gebeurd dat nog steeds.
‘Ik hoor een kwaad kinderlachje..?’ zei ze wat angstig.
En ik zo: ‘Rustig, we zijn zo weg…’
We waren bijna bij het hek en mijn ogen vallen op een berg met takken. Ik wilde weten wat er aan de andere kant was en beklom de berg. Die vriendin klom weer over het hek en klaagde nog wat over haar bekraste benen, terwijl ik mijn camera paraat hield en veilig aan de andere kant was aangekomen. Ik vond daar grafstenen in stukken, eindelijk informatie dat ik zocht! Puzzelend maakte ik de graven en maakte er foto’s van. Ik vernam ineens een koude windvlaag, maar negeerde deze.
Ik pakte nog een stuk steen en hoor ineens die vriendin gillen: ‘Carla, er komt iemand naar je toe!’
Geschrokken stond ik op, zonder op of om te kijken en stoof die berg takken over.

Binnen mum van tijd stond ik aan de andere kant van het hek en werd ik aangestaard door de grote ogen van mijn vriendin. Ik was buitenadem en voelde mijn knieën knikken.
Angstig keek ik het kerkhof nog over en zag niemand. ‘Hield je mij nou voor de gek?!’ vroeg ik haar gepikeerd, waarop ze angstig haar hoofd schudde.
‘Nee, echt niet,’ verdedigde ze zichzelf. ‘Er kwam iemand naar je toe. Ik zag haar! Ze had een witte jurk aan en grijze haren!’
Uit voorzorg besloot ik om het kerkhof voorlopig met rust te laten, gezien de geschiedenis. Ik heb een aantal foto’s kunnen nemen en ben een ervaring rijker.
We keerden terug naar de auto en kwamen daarbij van de schrik.
Ondertussen konden we nog wel lachen om de schrammen op onze benen.
Vol trots maakte ze een foto van haar been en stuurde deze naar de opgestanencrew groepschat, die nieuwsgierig vroegen wat we hadden gedaan.
‘Oh, doodgewoon op het kerkhof gelopen!’ was ons antwoord.

HALLOWEEN horror week: Mark van Dijk en Darren Shan over angst

Halloween Horror Week: Mark van Dijk & Darren Shan

Angsten : Mark van Dijk
Natasja vroeg me voor Halloween een stukje te schrijven over angst. Wat is angst voor mij? Waar ben ik bang voor? Tegen mijn dochters van 3 en 5 zeg ik altijd dat papa nergens bang voor is, maar is dat wel zo?
Ik herinner me mijn eerste horrorfilm nog, Siver Bullet, van Stephen King. Een bloedspannend verhaal over een weerwolf en een jongen in een rolstoel. Ik zal een jaar of twaalf geweest zijn en na afloop was ik als de dood dat er een weerwolf onder mijn bed zou liggen. Maar ik wilde me niet laten kennen en nam een enorme sprong naar mijn bed, zodat hij zijn nagels niet in mijn been kon zetten om me met zijn poot onder het bed te trekken. Dat was indertijd een verstandige zet, want ik ben er nog steeds.
Verder heb ik bar weinig irreële angsten. De rest van mijn angsten zijn allemaal vrij reëel. Ik ben bang voor brand. Met een zolder vol gortdroog papier, in de vorm van ruim 3000 boeken, niet echt een gekke angst. We hebben een paar jaar geleden een schoorsteenbrandje gehad, waarop een brandweerman me vroeg of er iets brandbaars op zolder stond. Hij dacht dat ik hem in de zeik nam.
Een andere redelijk reëele angst is dat er iets met mijn dochters gebeurt. In deze gekke tijden ook niet echt een rare angst, want de meeste monsters bevinden zich gewoon onder ons en weten de schijn aardig op te houden. Bovendien heeft Hein al twee keer ongeduldig op mijn oudste dochter staan wachten. De eerste keer toen ze negen dagen oud was en bijna stikte in opgegeven melk, die zo dik was als slijm, waardoor ze geen adem meer kon halen (lang leve de camera in de wieg!) en twee jaar later toen ze een longontsteking kreeg die huisarts en ziekenhuis niet konden vinden, ondanks dat wij als ouders dit vermoeden al zo’n dertig keer hadden uitgesproken. Nog afgezien van het feit dat ze in het ziekenhuis sondevoeding kreeg, die ze vergaten aan te zetten, was er een bizarre afwachtende houding van de artsen. Ze wisten niet wat ze had en niemand maakte zich er druk over, terwijl mijn driejarige al naar de dood begon te stinken. Pas nadat ze bijna niet meer wakker te krijgen was en mijn vrouw (ik zat ziek thuis met een baby van een paar maanden) een enorme scene ging schoppen, besloten ze om foto’s te maken, vooral om van haar gezeur af te zijn, want daar zou toch niets uitkomen. Toen bleek dat ze toch een longontsteking had, maar bij 1 op de 1000 kinderen hoor je dat niet, zeiden ze. Na antibiotica was ze de volgende dag gelukkig alweer een stukje opgeknapt, maar het had echt geen dag langer moeten duren. Als ouders krijg je daar wel een knauw van. Ik ben nog steeds erg overbezorgd en hou me hart al vast als ze alleen al aan een klimrek hangt.
Dat waren mijn twee grootste angsten. Laat het nu maar snel Halloween worden. Enger dan hierboven wordt het voor mij niet, dus kom maar op met die bloeddorstige monsters!

Darren shan geeft ook een van zijn angsten toe (Ik heb hem dat gewoon gevraagd).
I’m actually rather scared of spiders, which is why I
chose to give Mr Crepsley a pet spider in Cirque Du Freak!
Hij gebruikt dus die spin in zijn boek, zodat het voor hem ook griezelig is!

Halloween Horror Week: Tom Thys – Hij die achterstevoren droomt

Hij die achterstevoren droomt

Geboren in bloed ontwaakt hij,
Nu is zijn tijd, hij
Grijpt de navelstrop en bijt,
Het beest in hem voorgoed bevrijd.

Hij groeit op in donkere oorden,
Alleen, in schimmel en in kilte,
Geplaagd door giftige woorden,
En al zijn dromen baren moorden.

Droom achterstevoren is

Moord – en dat ene woord
Weerspiegelt wat hij werkelijk is.

Van regen wordt hij blij,
Wie hem ziet, vindt hem macaber,
Langs verlaten wegen sluipt hij,
Op zoek naar dode dieren,
Pakt een tak, prikt in kadavers,
En altijd is hij,
Sneller dan de gieren.

Hij doolt door brandende huizen,
Langs kattenbotjes, waar maden en muizen
Knagen aan alles wat hij achterlaat:
Pijn, leegte, maar bovenal haat.

Tegen alles en iedereen,
Het leven in het algemeen.

Hij tracht zijn schaduwzijde te onderdrukken,
Duizend pogingen, die allemaal mislukken.

Hij is ontzettend moe,
En geeft hoofdschuddend toe.

Aan de onstilbare honger,
Verafschuwd door wat hij doet,
Gekweld door de troost van bloed.

Zelfs van een onschuldig meisje, veel jonger
Dan hij, angstig, weldra bleek van kleur,
Zoekt hij vrede in haar geur,
In haar laatste adem, in haar stromend bloed.

Halloween Horror Week: Terrence Lauerhohn – De diepte (Kort verhaal)

© Terrence Lauerhohn 2018

De diepte

Mijn vingers zijn verkrampt, gebogen. Ik zet mijn nagels in het gesteente achter me. Ze haken vast in de gleufjes eeuwenoude mortel. Ik troost me met futiele hoop; een erger schrikbeeld dan dit onderga ik zelden.
Zij buigt voorover, turend in de diepte, haar handen losjes aan de balustrade. Haar heupen leunen tegen het hekwerk, daarboven raakt haar kleding lucht.
Ik sta tegen een muur, zo ver mogelijk van de afgrond. De stenen van de muur waartegen ik mijzelf plat probeer te drukken, schuren de stof van mijn T-shirt en ze schuren mijn ruggengraat. De muur, de vaste grond onder mijn voeten, mijn vastgehaakte nagels, ze bieden mij geen veilig gevoel. Zij is echter in groter gevaar. Dat zegt een tergende stem in me.
‘Schatje, wil je een stapje terugdoen?’ vraag ik haar.
Zij kijkt om, een glimlach siert haar lieve gezicht. Eén hand laat ze los, om te zwaaien.
‘Het is zo’n mooi uitzicht. Kom,’ zegt ze met stralende ogen. ‘Dit zou een goeie plek zijn om te bungeejumpen.’
Ik druk mezelf platter tegen de muur. ‘Vroeger smeten ze hier ter dood veroordeelden naar beneden.’
Zij schudt lachend haar hoofd, draait weer naar het uitzicht.
Mijn tenen kriebelen, en mijn kruin. Bij de balustrade zit een diepe scheur, in de lengte van de weg. Zij zegt iets. Ik geloof dat ik zojuist ook iets hoorde kraken.
‘Liefje, kom alsjeblieft naar me toe,’ zeg ik, verder machteloos dankzij mijn ongerijmde angst.
Zij leunt verder voorover. De balustrade verbuigt iets.
Voorzichtig laat ik de muur los. Voorzichtiger waag ik een stap naar haar toe. Meteen mis ik het massieve gesteente achter me verschrikkelijk. ‘Ga je mee? Verderop kunnen we de beter gerestaureerde ridderzaal bekijken.’ Stil vervloek ik het achterstallige onderhoud van de weg, dat tekenend is voor dit soort landen.
Het zweet parelt van mijn voorhoofd. De bovenkant van haar lichaam hangt nu als het ware boven de afgrond. Aan een tweede stap willen mijn benen niet meewerken.
‘Kom, liefje.’ Op de helft van het woord kom vervormt mijn stem zich, tot een fijngeknepen piepstem. Ik slik en probeer het nog eens, met een schor effect.
Ik zet een stap terug, terug tegen de muur. Daar durf ik pas weer dieper adem te halen.
Zij schuifelt dichter naar de balustrade. Een steentje rolt tussen haar voeten door, gehoorzamend aan de zwaartekracht. Het rolt over de rand en zoeft geruisloos de voor mij onzichtbare diepte in.
‘Ik loop door,’ zeg ik en doe wat ik zei. Deze keer vervloek ik mezelf en vraag me af waarom ik in hemelsnaam niet meer dan de voorkant van de brochure heb bekeken en gelezen, zodat ik erachter kwam hoe hoog deze ruïne zich bevond, voordat ik haar voorstelde hiernaartoe te gaan.
Gelukkig zegt ze dat ze genoeg heeft gezien. Ik hoor haar voetstappen achter me.
Ik stap steviger door, zij volgt sneller.
We komen hand in hand aan bij een middeleeuwse brug waar zelfs een klein model auto niet overheen zou kunnen, en wat een levenslustige chauffeur niet zou wagen. Ernaast staat een bordje in het Engels en in de vreemde taal van dit land: “Deze brug wordt in 2021 in zijn oude glorie hersteld,” met een dankwoord aan de geldschieter voor dit project. Aan de overkant zie ik een bord dat de weg naar de ridderzaal aanwijst. Wat er onder de brug te zien is vermijd ik op mijn netvlies te krijgen.
‘We gaan terug naar het hotel,’ zeg ik tegen haar.

***