De naakte mens

De naakte mens

Als uitgever lees ik boeken vaak anders, kritisch, alsof ik een manuscript aan het beoordelen ben. Hoe is de spanningsboog? Zijn de hoofdpersonen goed uitgewerkt? Heeft de auteur kansen laten liggen in zijn verhaal of heeft hij er handig en origineel gebruik van gemaakt? Noem het beroepsdeformatie. Vaak komt de gedachte ”Had ik dit boek uitgegeven of niet?” in me op. Soms is mijn eigen antwoord duidelijk: “Nee, absoluut niet.” Andere keren echter is het een dikke “ja, graag zelfs!”.
Om de één of andere reden trekken apocalyptische en/of post-apocalyptische verhalen mij altijd extra aan. Waarom? Dan kom je de uitgeklede mens tegen, de essentie van zijn Ik. Als een schrijver in staat is om dat goed uit te werken, dan heb ik veel bewondering voor hem.
Maar… wat kan er nou moeilijk zijn aan het beschrijven van een uitstervende wereld? Een mensheid die op zijn retour is? Het is moeilijker dan je denkt, je moet namelijk beseffen wat het wezen van de mens inhoudt. Veel apocalyptische manuscripten die we binnenkrijgen slaan hier de plank mis.

Een mooi voorbeeld van een post-apocalyptische trilogie die we hebben uitgegeven, is Het Jaar van de Plaag van de helaas te vroeg overleden Jeff Carlson. De wereld is getroffen door een virus dat al het leven onder de 3048 meter vernietigt. De mens is teruggedreven naar de toppen van de hoogste bergen. De manier waarop de mens in het verhaal reageert op voedseltekorten is schokkend. Van de te verwachten roofovervallen tot kannibalisme. Bloedspannend tot de laatste letter weet Jeff Carlson de menselijke psyche bloot te leggen en te ontleden tot wie we werkelijk zijn, en dat is af en toe beschamend.
Toen ik het laatste deel van deze trilogie dichtsloeg bleef er een naar gevoel achter en bekroop de gedachte me of de mens echt zo reageert als er iets ergs gebeurt. Mijn antwoord was een beschamende ”ja, ik denk het wel.”

Soms liggen de boeken, zoals in Jeff’s geval, dicht bij huis, maar als liefhebber van de ‘grote ouden’ uit de SF wereld stel ik me bovenstaande vragen ook als ik een oud Science Fiction verhaal lees. Zo beschreef Arthur Clarke in een van zijn romans hoe de bemanning van een ruimteschip op terugweg naar de aarde reageert als deze ten onder gaat. Elke commandostructuur verdween. Wat was de zin tenslotte? Tegen de tijd dat ze de Aarde zouden bereiken, zou er geen leven meer op mogelijk zijn. De bemanning ging zichzelf te buiten in één grote orgie. Totdat het laatste beetje zuurstof en energie opgebruikt was.
Eén van de boeken die ik als uitgever dolgraag uitgegeven zou hebben, is De dag van de Triffids, een geweldige Science Fiction roman van John Wyndham. In 2009 is er tevens een indrukwekkende mini-serie van gemaakt.
Voor degene die het verhaal niet kennen (schaam jezelf): de oliecrisis is opgelost door een intelligente plant, de triffid, die biologische olie produceert. Klein nadeeltje is dat ze zich kunnen verplaatsen en moeilijk te verzorgen zijn omdat ze zich net iets te goed kunnen verdedigen met een giftige angel. Als bijna de gehele mensheid vervolgens zijn gezichtsvermogen verliest door een kosmisch fenomeen, is het hek van de dam. De Triffids breken uit en nemen in recordtijd onze wereld over.
Het verhaal legt keihard bloot hoe egoïstisch en asociaal de mens vervolgens kan reageren als het om naakt overleven gaat. Het eigen lijf gaat voor. Rijken beschermen zichzelf en armen proberen te overleven door over lijken te gaan en misbruik te maken van hun medemens en de situatie.
Weer sla je een boek dicht met een naar gevoel. Zou Wyndham gelijk hebben?

Tot mijn schaamte en verbazing heb ik de onvoorstelbare hamsterreacties van de afgelopen week zitten bekijken en meegemaakt hoe mensen ineens voor meer dan 500 euro aan boodschappen gingen halen en stapels WC papier kochten. Dat ene pak aan hun behoeftige buurman gunnen was teveel gevraagd. Men ging liever op de vuist.
Wat boodschappen overlaten voor de dodelijk vermoeide dokter die ook graag wat wil eten als hij eindelijk naar huis gaat en waarschijnlijk ook achteraf naar de WC moet, is teveel gevraagd.

Is dit de naakte mens? We zijn toch meer dan een aap met een vernisje beschaving? Hebben Clarke, Wyndham en Jeff gelijk?

Theo Barkel

Gastrecensie: Johan Klein Haneveld over: Mijn naam is Jack- Ton den Dekker

Jack is mijn naam
Ton den Dekker

Ik kreeg de trilogie ‘Vrede van Gaul’ van Tazzy Jeninga om gastrecensies te schrijven voor haar blog. Ik had wel ‘ja’ gezegd, maar ik had het daadwerkelijk lezen van de boeken toch uitgesteld, omdat ik dacht dat het met de kwaliteit abominabel gesteld zou zijn. Immers, dit waren in eigen beheer of via publishing on demand uitgegeven boeken van iemand wiens naam ik nog nooit was tegengekomen in bundels of tijdschriften of in lezers- en schrijversgroepen op het internet. Dan zou het wel niet veel voorstellen, geloofde ik. In mijn recensie van het eerste deel schreef ik al dat ik tot mijn verrassing mijn woorden moest terugnemen. Ik gaf het boek zelfs vier sterren (zij het net aan, een 7,5). Het was een fascinerend SF-verhaal in een toekomstige wereld waar een nieuwe beschaving Europa en een groot deel van Azië heeft ingenomen. Dit land, ‘Gaul’, wordt gekenmerkt door een hoog ontwikkelde technologie in combinatie met spiritualiteit en zorg voor de omgeving. Het lijkt een utopie, maar er zijn schaduwkantjes aan, zo zorgt de angst voor vreemdelingen van de Galliërs dat landen buiten Gaul zich daadwerkelijk tegen hen gaan keren, en is er een familie die in het geheim de koers van de wereld lijkt te bepalen. Hoofdpersoon Detlev blijkt tot deze familie te behoren en moet al snel op de vlucht slaan voor misdadigers van buiten en voor de Gallische wet, en dreigt zijn vrienden en familie mee te sleuren in zijn val. Mijn belangrijkste problemen met het boek waren het wat trage tempo en de overdaad aan verklarende teksten. Dit is een geval waarbij de regel ‘show, don’t tell’ nou wel een keer wat meer mocht worden toegepast. Op deze punten en een zeker melodramatisch toontje in de beschreven relaties na vond ik het boek zeker tot de verbeelding spreken en het tweede deel liet ik dan ook niet zo lang liggen. Dit boek speelt zich af zeven jaar na het eerste. Detlev is onder de naam Jack in dienst van het leger van een buitenaardse satelliet. Zijn geheime familie is aan het organiseren dat hij kan verdwijnen en zijn opleiding kan vervolgen. Maar voor dat kan gebeuren raakt hij in conflict met iemand die hij van vroeger herkent, Diel Nyquist. Bovendien is hij als doedelzakspeler uitgenodigd voor de bruiloft van een vroegere vriend (die niet weet dat Jack eigenlijk Detlev is) waar hij een duet moet zingen met April, een meisje dat op Detlev verliefd was. Complicaties volgen elkaar vanaf dat moment natuurlijk in een hoog tempo op.
Laat ik met de negatieven beginnen. Mijn kleinste kritiekpuntje is dat er een paar redactiefoutjes in staan: een of twee d/t-foutjes, een paar ontbrekende woorden, dat soort dingen. Niet veel en ik zag geen kromme zinnen, storende herhaling van woorden of begrippen of beschrijvingen die niet klopten. Verder valt de schrijver nog steeds in zijn oude valkuil van het teveel willen beschrijven. Verklaringen van gebruiken en achtergronden zijn vaak langer dan een pagina. De wereldbouw had eerder gesuggereerd kunnen worden want al deze details zijn niet nodig voor de ‘suspension of disbelief’. Ik ben sowieso niet heel groot fan van de alwetende verteller die hier gebruikt wordt, waarbij we in ieders gedachten kunnen kijken. Ik leef liever per scene met één persoon mee. Maar het leidt ook tot goedkoop spanning opwekkende zinnen als ‘Hij zou spoedig ontdekken, dat hij zich daarin had vergist …’ Ik vond soms de emoties van karakters wel heel groot uitgemeten (er wordt veel gehuild, vooral door vrouwelijke karakters). Verder was dit wel heel duidelijk een tussenboek. Het verhaal was veel kleinschaliger, in ruimte zowel als in tijd, en er gebeurt veel minder dan in het eerste boek. Hoewel ik aanvankelijk dacht dat het daardoor trager las (ook door alle uitleg) ben ik er uiteindelijk toch vlug doorheen geschoten. De schrijfstijl is, ondanks mijn aantekeningen daarbij, toch plezierig te noemen. Niet hoogdravend, maar passend bij het verhaal dat de schrijver voor ogen stond.
Wat me vergeleken met het eerste deel meeviel was dat de dialogen waren aangescherpt. Ik had veel minder het idee dat gesprekken onnodig volledig waren uitgeschreven met inbegrip van standaard interacties die ervaren schrijvers zouden weglaten. In het eerste boek waren de dialogen daardoor traag, met opvulling die niet veel toevoegde, maar hier waren de gesprekken relevanter en daardoor interessanter. Daar had de schrijver veel van geleerd. Ook vond ik een aantal van de SF-ideeen die in het laatste deel van het boek om de hoek kwamen kijken heel erg boeiend. De bijzondere familie blijkt een grootschalig ideaal te hebben, me toen ik erover las even de adem benam. Ik hou van grote ideeën in mijn verhalen, dus ik kon dit wijdere perspectief wel waarderen. Het maakt me ook heel benieuwd naar het derde deel, waarin we er volgens mij nog veel meer over zullen lezen.
Een laatste opmerking die ik nog wil maken is meer ideologisch. Ik had er in het eerste boek al last van, maar nu nog meer, dat ik de neiging had om voor de slechteriken te zijn. Ik vroeg me al af waarom die zo slecht werden weergegeven, als meedogenloze misdadigers, die het hele zonnestelsel willen vernietigen en niets anders kennen dan haat. Als ze subtieler waren geweest, had ik ze als de ‘goeien’ gezien. Je bent namelijk als lezer meestal geneigd te kiezen voor de zwakkere partij in het verhaal, voor de ‘underdog’, degene die niet al bij aanvang van het verhaal de touwtjes in handen heeft. We zijn voor het verzet in Star Wars, niet voor de Empire, voor de hobbits, niet voor Sauron. De ‘goeden’ in dit verhaal, de familie Ayton, zijn echter hoog verheven boven de vijanden, die gewone mensen zijn als jij en ik. Detlov en zijn familie kunnen tot wel duizend jaar blijven leven, beheersen gevechtstechnieken beter dan ieder ander, hebben een eigen eiland, worden gediend door androïden en ruimteschepen, blijken te beschikken over levensvormen van nanotechnologie die eigenlijk alles kunnen, zelfs in de tijd en door de ruimte reizen, en ze kunnen ook nog eens zonder repercussies in het veiligheidsnetwerk van Gaul binnendringen. Dat maakt ze eigenlijk vanaf het begin de gedoodverfde winnaar en hun vijanden de ‘underdogs’. Ik weet dat de hoofdpersoon de erfenis van zijn familie als een vloek ziet, maar zo werd het niet echt door de schrijver gebracht. Bovendien, als de vijand nu wordt verslagen, is dat omdat die slechts een gewoon mens is, en de familie Ayton gewoon ‘beter’. Alsof de gemodificeerde Khan het wint van kapitein Kirk omdat hij sterker is. Daar had de schrijver wat beter over kunnen nadenken.
Toch ben ik over het algemeen positief over dit boek. Een originele wereld, leuke ideeën en een vlotte schrijfstijl (hoewel met ‘infodumps’) maken dit een welkome toevoeging aan de het nog kleine terrein van de Nederlandstalige sciencefiction.

Johan Klein Haneveld

Gastblog: Johan Klein Haneveld – ​SF en fantasy – we hebben ze allebei nodig!

0


Als ik wil weten hoe de huidige wereld eruitziet, kijk ik wel uit het raam. Of ik breng wat tijd voor op Twitter – dan word je genoeg geconfronteerd met de realiteit. Daar heb ik geen boeken voor nodig. Ik lees liever verhalen die niet echt gebeurd zijn of zouden kunnen gebeuren. Verhalen die zich afspelen in de toekomst, waarin de mogelijkheden worden verkend van de natuurwetten, of van technologische of maatschappelijke ontwikkelingen, of verhalen die zich afspelen in fantasielanden, waar mensen nog reizen per paard of per luchtballon, waar draken zich schuilhouden in grotten en bomen kunnen praten, en op open plekken in het bos de elven dansen. Verhalen die me laten dromen van een mythisch verleden, of verwondering opwekken over concepten waar ik nog niet over had nagedacht. Ik ben een fan van science fiction en van fantasy. Niet alleen lees ik graag verhalen uit beide genres (of kijk ik SF- of fantasyfilms), ik schrijf ze ook. Mijn tweeluik ‘De Krakenvorst’, waarvan boek 1: ‘Keruga’ al uit is, is een fantasyboek. ‘Conquistador’ is een bundel SF-verhalen, die zich afspelen in de toekomst van de volgende eeuw, tot de tijd dat zelfs de zwarte gaten verdampt zijn en sterren nog maar een verre herinnering zijn. 
 
Onmogelijke werelden
Een definitie van deze genres die ik ergens heb gelezen, was dat ‘fantasy probeert het onmogelijke waar te laten schijnen, sciencefiction probeert het onwaarschijnlijke mogelijk te laten lijken’. Dat vond ik een mooie. Want als we fantasyverhalen lezen weten we dat ze zich niet in onze werkelijkheid kunnen afspelen. Er leven geen reuzen, elven, dwergen of hobbits op onze planeet. Toverspreuken hebben geen effect en goden nemen geen mensengedaante aan. En als je naar het oosten vaart kom je niet uit bij de rand van de wereld. In fantasyverhalen weet de schrijver het echter zo weer te geven dat je erin gaat geloven. Je loopt echt met het reisgezelschap door de gangen van Moria, vliegt met Harry mee tijdens een potje zwerkbal en staat met Jon Snow onderaan de grote muur van ijs. J.R.R. Tolkien noemde dit ‘elfenmagie’ – het vermogen van een schrijver om een andere wereld te scheppen, waar een lezer met zijn of haar verbeelding in kon binnentreden. En zoals het geval was met elfenmagie liet dat de lezer niet onberoerd, hij kwam veranderd terug in het dagelijkse leven. 
 
Onwaarschijnlijke mogelijkheden
Sciencefictionverhalen spelen zich echter wel in onze wereld af, in een heelal waar dezelfde natuurwetten gelden als in de onze, waar mensen en samenlevingen zich gedragen volgens de regels waar ook wij aan onderworpen zijn. Maar die natuurwetten (de basis voor onze technologie, voor onze maatschappij) kunnen onvermoede, fascinerende consequenties hebben. We hebben bijvoorbeeld aanwijzingen dat er een oceaan aanwezig is onder het ijs van Europa. Er is dus een kansje dat daar ook leven te vinden is. Als dat zo is, hoe zou het er dan uitzien? En hoe zouden wij daarmee omgaan? Of stel dat het met behulp van genetische manipulatie mogelijk zou zijn je eigen kinderen te ontwerpen? Hoe zouden mensen daarop reageren? Hoe zou de samenleving er dan over een paar decennia uitzien? Hoe denken mensen dan over niet gemanipuleerde mensen? Of stel dat iemand als Wilders minister-president wordt, hoe zou ons land zich ontwikkelen? Zouden er mensen in verzet komen? Sciencefiction onderzoekt alle scenario’s, hoe onwaarschijnlijk ook. Daarmee kun je voor verrassingen komen te staan: whoa! Dus dat is hoe een groepsbewustzijn eruit zou zien! Dus zo komen zwarte gaten aan hun einde! Zo kwetsbaar is ons ecosysteem! Dit is de ‘sense of wonder’ waar wel eens over gesproken wordt. 
 
Achteromkijken met fantasy
Ik vind het echter ook leuk erover na te denken waarom ik zo van de fantastische genres houd. Ik denk dat het is omdat waar sciencefictionverhalen ons helpen vooruit te kijken naar wat mogelijk is, fantasyverhalen ons helpen terug te halen wat we verloren zijn. Als we fantasy lezen kijken we als het ware over onze schouder terug naar waar we vandaan kwamen. Als kind keken we namelijk op een magische manier naar de wereld. We waren bang voor het onweer, we geloofden in Sinterklaas, we wisten zeker dat dieren konden praten. De wereld had glans. We verbaasden ons over een harige spin, die we tussen de struiken vonden, en een knikker was voor ons even veel waard als een diamant. We droomden dat we helden konden worden, ridders of brandweerman, prins of diepzeeduiker. We zouden de wereld veranderen. Niets kon ons tegenhouden. Maar we zijn ingehaald door de werkelijkheid, de wetenschappelijke verklaringen hebben onze wereld onttoverd, we draaien mee in de molen van het werkende leven en bezwijken onder de druk van al onze verplichtingen. Fantasy helpt ons in dat grijze bestaan weer kleur te brengen. We ontsnappen even naar een andere wereld. Maar ook gaan we de magie die ons omringt weer zien. G.K. Chesterton schreef bijvoorbeeld dat in sprookjesverhalen de lucht van goud is en het gras paars, zodat we ons er weer over zouden verwonderen dat de lucht blauw is en het gras groen. En misschien heten we geen Aragorn en Arwen, maar onze liefdesrelaties kunnen net zo veel betekenis hebben. Ook al zijn we volwassen, op heel veel kleine en grote manieren kunnen we heldendaden verrichten. En daardoor worden we gemotiveerd. Niet voor niets wordt fantasy ook wel genoemd: de literatuur van het hartsverlangen. We moeten ons hart weer in ons voelen bonzen om de strijd aan te gaan met de orks en met de draken die ons belagen.
 
Vooruitkijken met sciencefiction
Maar hoewel fantasy in Nederland steeds groter wordt – kijk maar eens naar alle schrijvers op bijvoorbeeld Castlefest – lijken we sciencefictionverhalen nog met enig wantrouwen te bekijken. Alsof ze saai zouden zijn, vol formules, met platte karakters. Ik denk zelf echter dat we niet zonder sciencefiction kunnen. Vooral niet in onze tijd van wetenschappelijke en maatschappelijke veranderingen. Denk aan de social media en het verlies van privacy waar we mee te maken hebben, de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, de opkomst van extreem rechts in de politiek, Trump en de dreiging van een nieuwe atoomoorlog, gemodificeerd voedsel en plastic in de oceanen, en nieuwe inzichten in zwaartekracht en elementaire deeltjes. Sciencefictionverhalen kunnen ons helpen na te denken over wat deze ontwikkelingen betekenen, wat voor gevolgen ze kunnen hebben en hoe wij erdoor veranderd zullen worden. Sciencefiction helpt ons vooruit te kijken. Niet alleen om te zien waardoor we bedreigd worden (denk aan 1984 en de Hongerspelen), maar ook om de mogelijkheden te zien. Is het mogelijk om op Mars te landen? Is het mogelijk naar andere sterren te reizen? Zouden we meer kunnen dan we nu durven denken? ‘Stardust and ashes’ – zo noemde een schrijver het. Sciencefiction laat ons zien dat we ongekende mogelijkheden hebben, we zijn sterrenstof, maar ook dat we in staat zijn ons ecosysteem en onszelf te vernietigen, tot as te reduceren. Net als fantasy doet SF ons dus dromen, maar dan niet om uit het verleden terug te halen wie we waren, maar om ons voor te stellen wat we in de toekomst kunnen zijn. Het is een gevleugelde uitdrukking dat als je doet wat je altijd hebt gedaan, je zult krijgen wat je altijd hebt gekregen. Dat geldt voor elk individu maar ook voor de mensheid als geheel. We zien nu wat de gevolgen zijn van ons huidige gedrag. Fantasy helpt ons eraan te herinneren dat we eigenlijk meer verwachtten van het leven, sciencefiction helpt ons plannen te smeden om het ook daadwerkelijk anders aan te pakken, om dat leven te gaan bereiken waarvan we dromen. Het is dus geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een ontsnapping naar de werkelijkheid. En de enigen die niet willen dat mensen ontsnappen uit hun werkelijkheid, zijn de gevangenisbewaarders, de bewakers van de status quo. Als zoveel mensen wantrouwig zijn ten opzichte van sciencefiction en fantasy, dan is dat omdat ze bang zijn dat hun comfortabele leventje op het spel staat. Nou, laat ze maar bang zijn! 
 
SF in Nederland
Ook in Nederland zijn heel veel sciencefiction- en fantasyschrijvers actief. Ikzelf natuurlijk en ik zou het leuk vinden als je mijn boeken las en me liet weten wat je ervan vond. Je kunt mijn schrijfavonturen volgen op JohanKleinHaneveld.blogspot.nl en op facebook: https://www.facebook.com/JohanKleinHaneveldschrijver/. 
Maar als je meer schrijvers in de fantastische genres wilt leren kennen, wil ik je graag wijzen op de Stichting Fantastische Vertellingen. Om te beginnen brengt deze stichting elk jaar het jaarboek Ganymedes uit. Een boek met verhalen van Nederlandse en Vlaamse schrijvers, van fantasy en magisch realisme, tot sciencefiction en horror. Zowel bekende en ervaren schrijvers als opkomende auteurs. Altijd heel erg de moeite waard en omdat de stichting geen winstoogmerk heeft, betaal je er nog geen tientje voor! In Ganymedes 17 die eind deze maand verschijnt vind je verhalen van onder andere Nienke Pool, Sophia Drenth en Tais Teng, en van mijzelf een verhaal en een gedicht. De moeite waard, dat kan ik je nu al vertellen. Stichting Fantastische Vertellingen publiceert ook nog eens het tijdschrift ‘Fantastische Vertellingen’, dat elk kwartaal uitkomt. Het bevat niet alleen korte verhalen, vaak ook nog eens prachtig geïllustreerd, maar ook diepgravende besprekingen van boeken en films. Eigenlijk is elk nummer een mini-bundel, want ze zijn eigenlijk allemaal rond de 100 pagina’s. Je kunt losse exemplaren bestellen, maar ook een abonnement nemen (http://shop.pr1ma.nl/fantastische-vertellingen-4-nrs-abonnement-in-ned.html). Heel inspirerend, en je stimuleert er ook nog eens de schrijvers mee, omdat die nu een plek hebben om verhalen naartoe te sturen. Kijk op de website http://shop.pr1ma.nl/ voor meer informatie. 

Gastblog: Johan Klein Haneveld: Mijn 10 favoriete korte SF-verhalen

0

johankh

Mijn 10 favoriete korte SF-verhalen

(of althans: 10 hele goede!)

Op 6 mei verscheen mijn verhalenbundel ‘Conquistador’ bij Godijn Publishing, als deel van het Boek 10-project. Het publiceren van een bundel met science fiction-verhalen was al van jongs af aan een droom van mij. Ik had namelijk al vroeg de science fiction-boeken gelezen die bij mijn ouders in de kast stonden, en daartoe hoorden ook enkele flinke verhalenbundels. Die openden mijn ogen voor bijzondere werelden en inspirerende ideeën en stimuleerden ook nog eens mijn eigen verbeelding. En elk verhaal was weer anders.

Dat is wat ik er zo mooi aan vond. In een paar pagina’s bevond je je opeens in een nieuwe omgeving of een nieuwe tijd, en werd je geconfronteerd met een element uit onze werkelijkheid of in elk geval iets dat mogelijk zou kunnen zijn, en de gevolgen daarvan. Mijn liefde voor wetenschap, de sterren en andere planeten, het leven in de diepzee en in grotten, dinosauriërs – ze voedden mijn interesse in de SF en werden er zelf ook door gevoed. Net als mijn bezorgdheid over wat wij als mensen andere mensen aandoen en kunnen aandoen, hoe we omgaan met onze planeet en de dieren waarmee we die delen, op welke manieren nieuwe technieken kunnen worden misbruikt en hoe onwetendheid enorme kwalijke gevolgen kan hebben. Ik meen zelf dat juist in onze tijd sciencefiction een enorm belangrijk genre is!

Ik wil met jullie graag mijn tien favoriete korte SF-verhalen delen. Ik zeg niet dat dit de beste zijn. Veel van deze verhalen heb ik als kind en tiener gelezen, en zijn me van toen bijgebleven. Tegenwoordig lees ik veel meer korte verhalen en merk ik dat ze niet altijd zoveel indruk maken als toen, ook al zullen ze misschien objectief ‘beter’ zijn. Maar ik ben nog steeds fan van die schrijvers, als Isaac Asimov en Arthur C. Clarke, dus ze horen nog steeds in het rijtje thuis.

 

Het laatste antwoord – Isaac Asimov in ‘Een robot droomt’

Van Isaac Asimov zijn zoveel verhalen me bijgebleven. Ik zou ze niet eens allemaal kunnen opnoemen. Volgens sommigen mankeert er iets in zijn schrijfstijl en gebruikt hij teveel ‘infodumps’ om zijn ideeën uit te leggen. Maar wat een gave ideeën zijn dat! Het is duidelijk dat Asimov in de eerste plaats wetenschapper was, maar dan een die de feiten en theorieën tot onverwachte consequenties kon doortrekken, en vaak in de laatste regels van een verhaal een conclusie neerzetten die je naar adem deed snakken en je wereldbeeld deed wankelen. Ik vind zijn verhalen -ook al zijn elementen ervan nu ouderwets- nog steeds goed leesbaar en de kracht van hun ontknopingen is nog niet teloorgegaan. ‘Het laatste antwoord’ is zo’n verhaal. Een atheïst ontdekt dat er leven is na de dood. Maar niet zoals gelovigen dat verwachten … ‘Het laatste antwoord’ is ook heel sterk. Bij de laatste verhalen in mijn bundel, waarmee ik het einde van de tijd probeer te beschrijven, moest ik herhaaldelijk aan dit verhaal denken. Ook ‘Het lelijke jongetje’ is ontroerend – en aan het slot offert iemand zich op uit naastenliefde. Zijn robotverhalen werken in mijn ogen ook nog steeds heel goed.

 

The Island – Peter Watts in ‘The new space opera 2’

Een moderner verhaal van een van de beste schrijvers van ‘harde SF’-van tegenwoordig. In zijn boeken voert hij werkelijk buitenaardse levensvormen op – en blijkt zelfs iets als bewustzijn niet iets universeels te zijn, maar iets puur menselijks. Dit verhaal volgt een bemanning van een schip dat poorten in de ruimte aanlegt zodat anderen van ster naar ster kunnen reizen. Ze weten echter niet eens of de beschaving die ze op pad heeft gestuurd nog wel bestaat. En ze ontvangen een waarschuwing. Als ze hun route volgen, kunnen ze in botsing komen met een levende entiteit, zo groot als een wereld … Levendig geschreven, heel goed verzonnen, een werkelijk nieuwe levensvorm en ook hier een einde dat je sprakeloos achterlaat. Ik wou dat ik het had verzonnen!

 

The Screwfly Solution – Raccoona Sheldon in ‘Armageddons’

Dit verhaal stond -vertaald in het Nederlands- in een van de bundels die mijn vader in de kast had staan. Het was zelfs het titelverhaal: ‘De schroefvliegen’. Misschien was ik er wel wat te jong voor destijds. In elk geval heeft het zichzelf in mijn verbeelding gebrand. Laatst heb ik het herlezen, in het Engels, en het bleek nog steeds enorm krachtig. Dit verhaal laat krachtig zien hoe sciencefiction niet gaat over de toekomst, maar over het heden. Het laat ons met een andere bril naar onze wereld kijken en naar onze eigen motivaties. In dit geval heeft het verhaal een feministische boodschap, als het verholen geweld van mannen tegen vrouwen opeens aan de oppervlakte komt te liggen. En het achterliggende idee van het verhaal is heel mooi doorgetrokken van iets dat wij mensen doen als we bepaalde diersoorten, zoals vliegen, willen uitroeien … Het einde is rauw en onthutsend. Een absolute aanrader.

 

De stenen bloedzuiger – Robert Sheckley in ‘Science fiction classics’

Dit verhaal staat in een bundel SF-verhalen in 1970 in Nederland uitgeven door Bruna. Kennelijk was SF in Nederland ooit een stuk populairder dan nu. Tegenwoordig is het fantasy wat de klok slaat. Is dat omdat mensen minder van SF zouden houden? Of van korte verhalen. Ik geloof het niet. Op Keltfest heb ik laatst zeven exemplaren van ‘Conquistador’ verkocht. Er zijn dus nog steeds genoeg lezers die verhalen vol ideeën en speculatie kunnen waarderen. Deze bundel bevat daar goede voorbeelden van. ‘De stenen bloedzuiger’ is zo’n verhaal waarin de karakterontwikkeling ondergeschikt is aan het concept. Maar in een SF-verhaal is dat geen probleem. Want dit concept is enorm sterk. Uit de ruimte daalt een deeltje neer op Aarde, dat langzaam maar zeker begint te groeien. Steeds krachtiger middelen worden ingezet om deze dreiging te bestrijden … Het einde zal ik hier natuurlijk niet verklappen. Ook sterk in deze bundel is het openingsverhaal van Isaac Asimov, ‘De dood van een zendeling’, dat laat zien dat horror en SF zich prima laten combineren. Het deed bij mij in elk geval een rilling over mijn rug lopen. Een groep mensen landt op een planeet met een bijzondere ecologie. Alle planten en alle dieren dragen twee harige groene puntjes …

 

De harmonie hersteld – Frank Roger in ‘Ganymedes 13’

Ook in Nederland worden erg goede SF-verhalen geschreven. Laat daar geen misverstand over bestaan. Dit verhaal in de eerste nieuwe Ganymedesbundel (na een behoorlijk lange pauze) stond deze bijvoorbeeld van Frank Roger. Een beklemmend toekomstbeeld dat je als lezer onder de huid gaat zitten. In deze toekomstige beschaving mag niets meer aan het verleden herinneren. De techniek en cultuur van toen hebben namelijk slechts tot problemen geleid. Wie een boek bezit of een LP wordt gestraft. Zelfs erover praten mag niet … Het is levendig beschreven vanuit het gezichtspunt van iemand die werkt voor ‘de Partij’. En zoals met de beste verhalen voert het tot een einde dat in je verbeelding nog lang blijft resoneren. Ook heel goed in dezelfde bundel is ‘Het lot van een oorlogsmisdadiger’ van Martijn Lindeboom, die aantoont dat fantasie en SF goed samengaan. Helder, spannend geschreven, enorm meeslepend! De latere Ganymedesbundels zijn ook erg goed en dit jaar zal ‘Ganymedes 17’ uitkomen. Met daarin waarschijnlijk ook weer een verhaal van mij. Als je kennis wilt maken met Nederlandse schrijvers in het fantastische genre mag je Ganymedes niet missen!

 

The star – Arthur C. Clarke

Clarke was samen met Asimov en Heinlein een van de sterren van de klassieke SF (pun intended). Interessant is dat ze alle drie vooral gedreven werden door hun ideeën en speculatie over de (voor hun tijd) moderne wetenschap. De mobiele telefoon en de opkomst van het internet hebben ze misschien niet kunnen voorspellen, maar Clarke heeft bijvoorbeeld correct de ‘geostationaire satelliet’ beschreven voordat die bestond! Ik ben groot fan van zijn boek ‘Rendezvous with Rama’ waaraan in mijn verhaal ‘Conquistador’ zelfs wordt gerefereerd. Maar zijn korte verhalen zijn ook heel goed. Dit verhaal bijvoorbeeld, waarin een groep ruimtereizigers een zonnestelsel heeft bezocht. Op de buitenste planeet, net zo ver van de zon als Pluto, ontdekten ze een tombe met daarin verzameld het erfgoed van een hele beschaving. De zon is namelijk nova gegaan en de cultuur was nog niet ver genoeg ontwikkeld om uit het stelsel te vluchten. Een priester die mee was op de reis ondergaat een geloofscrisis. De reden ervoor ontdek je in de laatste zin van het verhaal …

 

The man who sold the moon – Cory Doctorow in ‘The mammoth book of best new SF 28’

Soms kijken de beste SF-verhalen helemaal niet ver in de toekomst. Ze nemen ontwikkelingen die nu al aan de gang zijn en verkennen waar ze volgend jaar of volgend decennium toe kunnen leiden. Als er dan ook nog een goede karaktertekening bij komt, net als levendige beschrijvingen, kan zulke SF je de ogen openen voor bedreigingen die op de loer liggen, of voor kansen om die het hoofd te bieden. Ik las laatst ‘Walkaway’ van Cory Doctorow, die nieuwe vormen van economie beschrijft en mensen die nieuwe samenlevingen bouwen los van onze kapitalistische. Geen wonder dat ik er enthousiast over was, want toen ik keek wie mijn favoriete verhaal uit ‘The mammoth book of best new SF’ had geschreven, bleek dat dezelfde Cory Doctorow te zijn. Ook hier heeft de 3D-printer een centrale rol en ontstaan nieuwe gemeenschapsvormen terwijl de oude instort. Het Burning Man-festival blijkt een bron van vernieuwing te zijn en een wereldwijde groep hackers en makers haast zich om de droom te verwezenlijken van een man die lijdt aan een dodelijke vorm van kanker …

 

Seventh Sight – Greg Egan in ‘Upgraded’

Ook dit verhaal kijkt niet heel ver in de toekomst en gaat uit van een relatief kleine verandering, namelijk een technologie die mensen met een bepaalde vorm van blindheid weer doet kijken. De chips die daarvoor worden ingezet, hoeven echter niet hetzelfde weer te geven als onze biologische ogen … Net zoals gehoorapparaten de dovencultuur beïnvloedden heeft deze uitvinding onvermoede consequenties. Ik vond de karaktertekening in dit verhaal heel goed, en samen met de onderliggende ideeën ontstond een krachtig geheel. Klein, niet wereldomvattend, maar wel heel mooi. Het verhaal staat in een erg goede bundel over technologische modificatie van het menselijke lichaam, oftewel cyborgs. In allerlei variaties en steeds heel sterk uitgewerkt. Het verhaal ‘The regular’ van Ken Liu is bijvoorbeeld ook heel sterk!

 

Thousandth night – Alastair Reynolds in ‘Beyond the Aquila Rift’

Reynolds is mijn favoriete hedendaagse SF-schrijver, naast Stephen Baxter en Hannu Rajaniemi en dit is de beste bundel van één schrijver die ik heb gelezen (hooguit op Asimov na). Kiezen welk verhaal ik uit deze bundel het beste vind, is heel erg moeilijk. Ze zijn bijna allemaal sterk. Het titelverhaal bijvoorbeeld, waarin een ruimtereiziger keer op keer ontwaakt uit zijn vriesslaap, omdat de werkelijkheid waarin hij terecht is gekomen niet te bevatten is. Of ‘Diamond Dogs’ waarin onderzoekers een schip binnendringen dat van een niet menselijke beschaving afkomstig is. Om bovenin te komen moeten ze door kamers met steeds nieuwe puzzels. Uiteindelijk passen ze zichzelf aan, hun hersens en hun lichaam, om die te kunnen oplossen … Maar is wat ze bovenaan zullen vinden al die moeite waard? Ik kies echter voor Thousandth night, een werkelijk groots verhaal. De representanten van een toekomstige beschaving reizen door de melkweg. Maar op vaste momenten komen ze bij elkaar om hun ervaringen met elkaar te delen en met elkaar te feesten. Op een van die bijeenkomsten wordt een moord gepleegd … Dit is SF op een grote schaal, de grootste schaal misschien wel, want de samenzwering die aan het licht komt omvat ons hele melkwegstelsel. Maar het is ook spannend, met sympathieke karakters en goed geschreven!

 

‘The fubar suit’ -Stephen Baxter in ‘Phase Space’

Wie op zoek is naar grote ideeën en wetenschappelijk onderbouwde concepten in zijn verhalen hoeft niet verder te kijken dan Stephen Baxter. Hij is volgens mij de opvolger van Arthur C. Clarke (en heeft ook met Clarke samengewerkt). In zijn korte verhalen neemt hij de lezer mee naar het eind van de tijd, als zelfs de zwarte gaten verdampen (en dat heeft mij ook geïnspireerd tot sommige van mijn eigen verhalen). Of hij neemt wetenschappelijke speculaties en trekt die zo ver mogelijk door. Dit verhaal is echter heel menselijk. Nou ja, menselijk? Een astronaut is verongelukt en moet nu door haar ruimtepak in leven worden gehouden. Het ruimtepak kiest daarvoor een bijzondere strategie. Op haar hoofd na wordt haar hele lichaam afgebroken en in plaats daarvan ontstaan een nieuwe beschaving … Maar niet iedereen in die beschaving is zo blij gedwongen te zijn het hoofd in leven te houden …

Dit zijn maar een paar van mijn favoriete verhalen, en geven maar een beperkt beeld van wat er allemaal voor schatten te ontdekken zijn binnen de science fiction. Hoog tijd dus om ook in Nederland dit genre weer op de kaart te zetten. In een tijd van maatschappelijke onrust, klimaatverandering en plastic in de zee en techniek die privacy naar het verleden verwijst, hebben we mensen die naar de toekomst kijken broodnodig …

*** GastBlog: Johan Klein Haneveld

0

boeken johan

Nieuwe en oude klassiekers

Van te voren is natuurlijk nooit te vertellen welk boek een klassieker gaat worden. Dat hangt van zoveel factoren af! De kwaliteit van het verhaal natuurlijk, maar ook hoeveel het wordt gelezen, en of mensen met elkaar over het boek gaan praten. Eigenlijk kun je alleen maar zeggen dat de tijd het zal leren. Maar er zijn natuurlijk boeken die je als lezer eigenlijk al bij de klassiekers vindt horen, ook als ze nog maar net zijn uitgekomen.

Een klassieker in wording is bijvoorbeeld het boek ‘Perdido Street Station’ van China Miéville. Dat boek was een van de eerste boeken dat werd geschaard onder de noemer ‘New Weird’. De naam van deze stroming suggereert al dat een definitie moeilijk te geven is, behalve dat de verbeelding van de auteurs volledig de vrije loop krijgt, en dat daarbij de klassieke grenzen tussen sciencefic-tion en fantasy verdwijnen. Volgens de Wikipedia-pagina over ‘New weird’ gaan de verhalen vaak uit van moderne, stedelijke uitgangspunten, en is het doel de lezer te verontrusten in plaats van gerust te stellen. Anderen vinden het vooral ‘weird’.

Voorloper zijn in een genre wil natuurlijk je kans op het bereiken van de status van klassieker wel vergroten. En wat mij betreft is die status voor Miéville terecht, al heb ik het betreffende boek zelf nog niet gelezen. Wel las ik ‘The Scar’, dat zich in dezelfde wereld afspeelt. Traditionele fantasy beperkt zich nogal eens tot een middeleeuws aandoende wereld, met karakters die vallen in her-kenbare rollen en rassen en een makkelijk definieerbare strijd tussen goeden en slechten ver-spreid over drie of meer dikke boeken. Dit boek laat zien dat fantasy veel meer kan dan dat. Hier geen elven, dwergen of demonen – maar cactusmensen, vampiers, een volk van mensachtige muggen (erg gevaarlijk) en misdadigers die als straf worden samengesmeed met machines tot een soort ‘steampunk-cyborgs’. Ze komen allemaal samen op een drijvende piratenstad, een plek bruisend van activiteit, waar niks onmogelijk lijkt. Toch azen de leiders op nog meer macht. Een uit een andere dimensie opgeroepen zeemonster wordt ingeschakeld om een plek te bereiken die een transformerende uitwerking zou kunnen hebben … Ik had verwacht vooral mezelf op mijn hoofd te krabben vanwege de vreemde ideeën in het werk van Miéville, maar ik was uiteindelijk verbaasd over de driedimensionale karakters die hij schept, met wie je tegen wil en dank meeleeft, zoals de koude maar volhardende Bellis Coldwine. En ook staat de diversiteit van de verbeelding niet in de weg van een meeslepend plot dat toewerkt naar een gedurfd einde. Niet heel makkelijk om te lezen, maar als je wilt zien tot welke grenzen het fantasygenre kan worden opgerekt, een absolute aanrader!

Een boek dat de status van klassieker in elk geval onder sciencefictionlezers al bereikt heeft is de bundel ‘Hospitaal tussen de sterren’ van James White. Deze al wat oudere bundel bevat verschil-lende SF-verhalen die toch een onderlinge samenhang vertonen (net als mijn eigen bundel ‘Con-quistador’ die verschijnt op 6 mei aanstaande). Ze spelen zich af in een ziekenhuis in de ruimte. De gevallen die de artsen en verplegers daar te behandelen krijgen zijn een beetje ingewikkelder dan die in het normale regionale hospitaal. Er komen namelijk regelmatig buitenaardse wezens over de vloer. En niet van die die lijken op mensen, zoals in de meeste Star Trek-afleveringen. Nee, intelligente individuen die geen hoge zwaartekracht kunnen verdragen, of methaan ademen, of zich voeden met straling. Een enorme diversiteit, en de verhalen draaien vaak om een inge-nieuze manier waarop de artsen toch een succesvolle therapie kunnen inzetten. Ik geniet van dit soort klassieke SF, waarbij de consequenties van wetenschappelijke speculaties worden uitgedi-ept, in elk verhaal één. En hier dus een keer geen astronauten of soldaten in de hoofdrol, maar dokters. Ook nu nog heel goed leesbaar, zelfs al zijn bijvoorbeeld de man/vrouw-verhoudingen misschien wat ouderwets.

Een volgende klassieker is het bekende boek van Ray Bradbury, ‘Fahrenheit 451’. Als je deze nog niet hebt gelezen, haast je naar de bibliotheek of de boekhandel, want elke SF-liefhebber moet deze eigenlijk wel tot zich hebben genomen. Of een ander boek of bundel van Bradbury, want ze zijn allemaal goed. Deze kwam voor mij toen ik hem het eerst las echter wel heel dichtbij. Het gaat

namelijk om een wereld waarin mensen door de overheid mak worden gehouden door een bom-bardement van visuele media, soaps en series op vier wanden geprojecteerd. ‘Fake news’, zeg maar. Of social media? Boeken, die mensen maar aan het denken zouden zetten, zijn verboden te bezitten en worden zelfs verbrand door de ‘brandweer’. Brandweerman Montag raakt echter nieu-wsgierig, leest een boek en wordt dan zelf een rebel. Hij krijgt echter de Mechanische Hond achter zich aan … Die laatste vond ik heel eng, maar niet zo eng als een wereld waarin het geschreven woord en de menselijke verbeelding zo zijn ingeperkt. Ik denk niet dat de schrijver werkelijk geloofde dat deze toekomst werkelijkheid kon worden, maar hij zet de lezer wel aan het denken en de boodschap van het verhaal is volgens mij nog steeds actueel. Misschien zelfs actueler dan ooit!

Dat geldt ook voor ‘Een loflied voor Leibowitz’ van Walter M. Miller Jr. Nu het ondenkbare toch werkelijkheid lijkt te worden en we door de onnadenkendheid van een Trump aan de vooravond staan van een mogelijke derde wereldoorlog (of grote Aziatische oorlog), zijn dit soort postapoca-lyptische verhalen niet langer meer een artefact van de koude oorlog. Maar wat is het in de men-selijke natuur dat ons ertoe brengt voortdurend de geschiedenis te herhalen? Waarom stappen we steeds in dezelfde valkuilen? Hier heeft een kernoorlog de wereld vernietigd en (in een echo van ‘Fahrenheit 451’) hebben de overlevenden alle boeken en teksten over techniek vernietigd. Alleen de heilige Leibowitz heeft papieren kunnen redden en in een klooster worden die nu nauwgezet overgeschreven, ook al weten de monniken niet wat de blauwdrukken eigenlijk voorstellen. Dat be-grip volgt in een later tijdvak, en dan ontstaat langzaam maar zeker een nieuwe technologische beschaving. De monniken zien echter al snel patronen terugkomen die al waren overgeleverd van voor de grote ramp … Een boek over de rol van religie, de menselijke natuur en onze zwakheden als soort, dat tegelijk ontmoedigend is als hoopvol. Ik kan niet anders dan het aanbevelen.

Een ander boek over het einde van de wereld is van recenter datum. Na de koude oorlog leek een kernoorlog niet meer heel waarschijnlijk, en dus werden steeds vaker meteorietinslagen opge-voerd. Een meteorietinslag biedt eigen verhaaltechnische mogelijkheden. De tijd en de locatie van de inslag kan namelijk van te voren worden berekend, en de waarschijnlijke gevolgen ook, maar er kan niets tegen worden gedaan. Of althans, dat lijkt zo, want wie weet kunnen in dit geval kern-wapens zo ook eens nuttig worden ingezet … In ‘The last policeman’ lijkt het einde helaas onafwendbaar. Over zes maanden boort asteroïde 2011GV zich in de aarde. Inspecteur Hank Pal-lace ziet om zich heen de maatschappij instorten. Talloze mensen doen hun best alsnog hun ‘bucket list’ te realiseren of geven hun laatste spaarcenten uit. Als iemand zichzelf lijkt te hebben opgehangen, zien Hanks collega’s daarin niks bijzonders. Zelfmoord is immers aan de orde van de dag. Maar Hank bijt zich erin vast. Zelfs als de wereld binnenkort ten einde komt, moet een moor-denaar in zijn optiek niet aan het gerecht kunnen ontsnappen. Door zijn vasthoudendheid heeft Hank iets onsympathieks. Hij valt mensen lastig die het toch al heel zwaar hebben, om iets te bereiken waar niemand behalve hij om geeft. Aan de andere kant – is het terecht dat er behalve hij niemand meer geeft om zijn werk, of om rechtvaardigheid? Is het niet juist belangrijk je menselijk-heid te behouden, ook als niemand anders dat doen wil? Een detectiveverhaal tegen een science-fictionachtergrond met nog twee even spannende en verrassende vervolgen. Ik heb hiervan geno-ten. Of het een klassieker gaat worden, moet echter nog blijken.

Datzelfde is het geval voor een Nederlandstalige uitgave, die wat mij betreft in de YA-categorie een nieuwe klassieker mag worden genoemd en bewijst dat er ook bij ons (of bij onze zuiderburen in dit geval) vernieuwende en meeslepende sciencefiction wordt geschreven: ‘Slaves’, van Miriam Borgermans. En ook deze klassieker volgt het voorbeeld van een Fahrenheit 451 en kijkt naar trends in de huidige samenleving. Het verdwijnen van de middenklasse, de steeds toenemende verrijking van de 1 procent en het verdwijnen van werkgelegenheid door automatisering doet de mensheid terugkeren naar samenlevingsvormen die bij ons al lang waren afgeschaft. Namelijk slavernij. En moderne surveillancetechnieken maken het nog moeilijker daaraan te ontsnappen. Kansloze jeugd wordt in scholen opgeleid in dienstbaarheid om vervolgens geveild te worden aan de meest biedende. Hoofdpersoon Raven denkt dat een bestaan als Delicatusslaaf het hoogste goed is. Maar dan ontdekt ze wat er in werkelijkheid gebeurt met de geveilde slaven. Het lot van opstandigen is echter nauwelijks beter … Hoewel aan het eind de hoofdpersoon onrealistisch suc-cesvol is in het overleven onder barre omstandigheden, is vooral het begin choquerend en rauw, vol scherpe beschrijvingen die gruwelijk zijn – juist in hun geloofwaardigheid. Wie genoot van een boek als ‘The hunger games’, of de films daarvan, moet ook dit boek op de leesstapel leggen.

Een langere recensie van ‘Slaves’ schreef ik voor Fantastische Vertellingen en zal verschijnen in nr. 42, samen met een bespreking van mij van ‘Lege Steden’ van Jasper Polane, en mijn verhaal ‘Het plotselinge woud’. Voor elke fan van fantastische verhalen is dit een onmisbaar tijdschrift. Je kunt losse nummers bestellen en een abonnement nemen via de website:http://shop.pr1ma.nl/peri-odieken/fantastische-vertellingen-moderne-collectie/.

Gastblog: Johan Klein Haneveld: Van SF-boeken krijg je nooit genoeg!

0

 

jkh

Van SF-boeken krijg je nooit genoeg

 

Vorige maand schreef ik over mijn liefde voor boeken en hoe ik van jongs af aan een trouwe bibliotheekbezoeker was. Tegenwoordig verzamel ik boeken voor mijn eigen bibliotheek. Die zal er ooit van komen, met een heerlijke stoel en een verrijdbare trap langs de boekenkasten. Maar voorlopig betekent het vooral dat mijn boekenkast overvol is met stapels bovenop de rijen boeken. Ik vind het niet erg, en er zijn nog genoeg gaten waar ik een boek in kan proppen.

 

 

 

Een hele plank in mijn groeiende bibliotheek is gewijd aan de boeken van Stephen Lawhead. Toen ik begin twintig was duwde een vriend me een van zijn boeken in handen. Het was 800 pagina’s dik, maar ik heb het in één dag uitgelezen. Een maandag. Dat betekende dat ik voor het ontbijt begon met lezen, las tijdens het eten, net als de lunch en het avondeten (volgens mij had ik een pizza uit de oven, zodat ik verder kon lezen), en dat ik pas rond een uur of twee ’s nachts stopte met lezen. Toen had ik het uit. En ik was fan. Daarna begon ik de andere boeken van deze auteur te verzamelen. Ik vond zijn SF-boeken wat minder, maar genoot van zijn Arthur-verhalen. In het eerste boek van die serie, Taliesin, legt hij een link tussen Arthur en de Atlantismythe, en in latere delen brengt hij Keltische legendes en Christelijke historie bij elkaar in een enerverende mengeling van historisch verantwoorde oorlogsscènes en bovennatuurlijke ingrepen. Zijn schrijfstijl is beeldend, en als hij maaltijden beschrijft loopt het water je in de mond. Dat betekent ook dat je gruwelt van de actiescènes. Aan mijn broers beschreef ik die wel eens als: ‘Bloed, zweet en ingewanden.’ Een soort onofficieel vervolg ervan is de serie ‘The Celtic crusades’, waarvan ik vooral de eerste twee boeken mooi vond. De ‘Song of Albion’-serie was meer traditionele fantasy, waarbij hedendaagse karakters in een Keltische wereld terechtkomen. Zijn eerste serie, de ‘Dragon King’-trilogie, was een van de redenen voor mij om mijn eigen tweeluik ‘De Krakenvorst’ te schrijven – Lawhead introduceerde hier een paar oude rassen met bijzondere gaven, maar viel in het slot terug op een standaardplot met een tovenaar, wat ik enigszins teleurstellend vond.

 

Het beste boek van Lawhead is voor mij echter nog steeds dat eerste dat ik van hem las: ‘Byzantium’. Het speelt zich af in de tiende eeuw. De Ierse monnik Aidan wordt uitverkoren om met enkele van zijn collega’s het prachtig geïllustreerde ‘Book of Kells’ te brengen naar de keizer van het Oost-Romeinse Rijk. Hij aanvaardt de opdracht, ook al heeft hij in een visioen gezien dat hij in Byzantium zal sterven. Als zijn schip onderweg door Vikingen wordt gekaapt en hij in het verre Noorden als slaaf komt te werken, gelooft hij dat hij zijn lot heeft kunnen ontlopen. Tot de Vikingen op strooptocht willen gaan en Aidan met zich meenemen, naar Byzantium … Andere culturen, levensecht beschreven, intriges en verraad, oorlog en slavernij, en gebeden en bovennatuurlijke visioenen. Dit lijkt een historische roman maar leest als een fantasy. En is nogal meeslepend – merkte ik zelf toen ik het voor het eerst las. Ik heb Byzantium later herlezen en het had op mij nog steeds hetzelfde effect.

 

 

 

Keltische thema’s komen ook voorbij in een van de leukste SF-series die ik de laatste jaren heb gelezen en wel de ‘January Dancer’-serie van Michael Flynn. Ik vond zijn boek ‘Eifelheim’ ook verrassend. Hierin stort een buitenaards ruimteschip neer in de middeleeuwen en moet een monnik zoeken naar manieren om met andere levensvormen om te gaan. ‘The January Dancer’ is een echte space opera, vol andere werelden, gedeeltes van de ruimte waarin mensen sneller dan het licht kunnen reizen, een koude oorlog met een beschaving aan de andere kant van de spiraalarm en een op de vlucht geslagen bevolking van de oude aarde, die op andere werelden in ghetto’s leeft. Een bard is op zoek naar inspiratie voor een episch lied, en probeert daarom aan de met littekens getooide man Donovan het verhaal te ontlokken van het mysterieuze object dat kapitein January op een afgelegen planeet had gevonden. Ze weet echter niet dat ze zelf in dat mysterie betrokken zal raken en uiteindelijk zal doordringen tot het hart van de vijandige beschaving, waar de schaduwen heersen. Fantastische details in de beschrijving van de toekomst (de vluchtelingen van de Aarde verlangen terug naar koriander, wat de exodus niet heeft overleefd), een originele episodische opbouw, en sympathieke karakters (Donovan draagt alternatieve persoonlijkheden met zich mee, een straf die hem is opgelegd door de schaduwen). Ik heb ervan gesmuld. Alleen het derde deel van de vier vond ik een beetje tegenvallen. Maar deel vier maakte veel goed. Ik ga de serie zeker binnenkort herlezen.

 

 

 

Uit deze blog wordt waarschijnlijk al snel duidelijk dat ik een groot SF-liefhebber ben. Een van de eerste SF-schrijvers die ik ontdekte, en een van wie ik nog steeds groot fan ben, is Isaac Asimov. ‘Een robot droomt’ is een verzameling van zijn beste verhalen. Mooi detail: ze zijn geïllustreerd door Ralph McQuarry, op wiens ontwerpen de wereld van Star Wars is gebaseerd. In zijn robottekeningen zijn dan ook wel reflecties van C3-PO terug te zien. Asimov schrijft in een heldere stijl, niet onnodig opgesierd, geen afleidende taalspelletjes. Het gaat hem om het verhaal zelf, het plot en de ontknoping. Hij was bovendien natuurwetenschapper (chemicus) en geïnteresseerd in grote vraagstukken over het ontstaan en het einde van het heelal. Dat maakt zijn verhalen tot het beste wat het genre te bieden heeft. Bijna allemaal zijn ze verrassend, met een slot dat je naar adem doet happen, van zijn robotverhalen (met de bekende drie wetten van de robotica), tot zijn verhalen ‘De laatste vraag’ en ‘Het laatste antwoord’ die het leven na de dood en het voortbestaan van het heelal onder de loep leggen. Vaak zit er ook een opvallend menselijk element in. Niet dat in zijn verhalen de karaktertekening centraal staat. Het zijn duidelijk ideeënverhalen, die je achterlaten met een gevoel van verwondering. Dat is wat SF-verhalen mijns inziens moeten doen! Toen een vriend van me zei dat mijn korte verhalen in ‘Conquistador’ (verschijnt mei dit jaar) zo goed waren als die van Asimov, vond ik dat hij overdreef, maar het was wel het beste compliment dat ik me kon wensen!

 

Asimov was een meester van het korte verhaal – ik blijf erbij dat de vorm van het korte verhaal erg goed past bij het SF-genre. Precies genoeg ruimte om een idee uit te werken. Dit zie je ook in de wat modernere SF-verhalen in de bundel ‘Upgraded’, in 2014 samengesteld door Neil Clarke. Al deze verhalen gaan op de een of andere manier over cyborgs – mensen die technologie ingebouwd hebben gekregen of daar op een andere manier mee zijn samengegaan. Je zou denken dat het dan wat eentonig zou worden, maar niks is minder waar! Ik vond de kwaliteit van deze bundel juist consistent heel hoog. Andere themabundels bevatten ook tegenvallende verhalen, met maar een paar uitschieters. Hier vond ik bijna elk verhaal verrassend en inspirerend. Cyborgdetectives komen voorbij, zoals in het spannende verhaal ‘The regular’. Er zijn verhalen die zich in de ruimte afspelen en op andere planeten, zoals ‘A cold heart’. Sommige zijn best weird, zoals ‘Fusion’ van Greg Mellor. Ik vond het verhaal van Greg Egan heel bijzonder, waarbij technologie die mensen helpt bepaalde golflengtes waar te nemen onvermoede consequenties heeft. Deze bundel is echt een aanrader voor liefhebbers van SF en cyberpunk.

 

 

 

Als ik moet aangeven welke moderne SF-schrijver mijn eigen verhalen het meest heeft beïnvloed dan is dat Kim Stanley Robinson. Zijn briljante trilogie over Mars (‘Red Mars’, ‘Green Mars’ en ‘Blue Mars’) koppelt speculatie aan rigide wetenschappelijke kennis en schetst een geloofwaardig beeld van de terrasformatie van de rode planeet (compleet met ideologische kampen onder de kolonisten). Mijn boek ‘De Derde Macht’ leunde op zijn beschrijvingen van het Martiaanse landschap. Robinson’s boek ‘2312’ bracht me tot het schrijven van mijn novelle ‘Conquistador’ (het titelverhaal van de bundel met dezelfde naam). Zo inspirerend vond ik zijn idee van uitgeholde asteroïden, elk met een ander landschap aan de binnenkant. Maar het beste boek van hem is naar mijn mening ‘Aurora’. Hij volgt hier de reis van een sterrenschip naar een andere planeet. De hoofdpersoon reist door de verschillende leefgedeeltes van het schip, en ziet daar al sporen van verval – een systeem is immers moeilijk stabiel te houden. Als dan bij aankomst hun reisdoel anders blijkt dan van te voren werd gedacht, staan de kolonisten voor een moeilijke keuze. Freya speelt daarin een doorslaggevende rol. Bijzonder is dat het boek wordt verteld door de computer van het schip, een opgroeiende kunstmatige intelligentie. Hoewel de boodschap van het boek in eerste instantie deprimerend lijkt, zit er ook hoop achter. Want ook het ruimteschip waarin wijzelf op weg zijn door het heelal is een gesloten systeem, waar onze beschaving een grote invloed op heeft. Maar het is een systeem waar wij in thuishoren. En misschien lukt het ons om het verval tot stand te brengen en een nieuw evenwicht te bereiken … Ik werd er in elk geval door geïnspireerd en dat is wat de beste SF-verhalen volgens mij behoren te doen. ‘Aurora’ is dus naar mijn mening een absolute aanrader!

 

Gastblogger: Johan Klein Haneveld

0

johan1

Een dag niet gelezen, is een dag niet geleefd …

 

Boeken … wat maakt ze zo fascinerend? Ik weet het nog steeds niet. Wat ik wel weet is dat er een wereld voor me openging toen ik op de basisschool eindelijk leerde lezen, en dat ik in diezelfde eerste klas door de leraar al vooraan werd gezet om voor te lezen, terwijl hijzelf werkjes ging nakijken. Al snel was een bibliotheekbezoek op de vrijdagavond mijn wekelijkse uitje en propte ik mijn tas elke keer vol met het maximum aantal boeken dat ik mocht meenemen. Aangezien ik op die manier de boeken voor mijn leeftijdscategorie snel uithad, moest mijn moeder vragen of ik niet ook de boeken van een hogere categorie mocht lezen. Mijn ouders hadden zelf gelukkig ook genoeg boeken staan. Behalve de aquariumboeken waren het met name de science fiction-boeken van mijn vader die mijn belangstelling hadden. En daaruit ontstond een levenslange liefde voor het genre. Het is dan ook niet toevallig dat ik zelf SF en fantasy ben gaan schrijven, maar dat is niet waar deze blog over gaat. Hier schrijf ik over de boeken die in al die tijd het meeste indruk op me hebben gemaakt.

 

Waarschijnlijk mijn favoriete boeken ooit zijn de Duncton-verhalen van de Engelse auteur William Horwood. Het eerste boek (‘Duncton Wood’) is in het Nederlands uitgegeven als ‘De sage van het Duncton Woud’ en als ‘De Duncton Saga’. De latere delen zijn bij mijn weten nooit vertaald. Dat is erg jammer, want ik vind zelf boek twee en drie nog veel beter dan het eerste! (De tweede trilogie vond ik iets minder goed, maar dat terzijde). De meeste mensen hebben wel eens gehoord van ‘Waterschapsheuvel’, of hebben de film gezien – een boek over konijnen die een ander thuis moeten zoeken. Vond je dat een mooi boek, dan weet ik zeker dat je ook van de Duncton-boeken zult genieten. Hetzelfde geldt als je houdt van fantasyverhalen, met grimmige slechteriken en een vleugje mystiek.

In de Duncton-serie zijn het echter geen konijnen die de hoofdrol spelen, maar mollen. Ze leven in een gangenstelsel in het bos van Duncton, rond een menhir, die een belangrijke rol speelt in hun religie. Je leest het goed: deze mollen hebben een religie. Ze kunnen zelfs schrijven op stukjes berkenbast. Maar hun oude geloof wordt bedreigd als er mollen van buiten het systeem komen en de macht dreigen over te nemen.

Wat ik sterk vind van William Horwood, is dat hij kan zorgen dat je meeleeft met mollen, die per slot van rekening bijna blind zijn, en niet veel anders doen dan graven. Hij maakt hun wereld geloofwaardig en geeft de hoofdpersonen van zijn verhaal herkenbare emoties mee. Ik zal eerlijk opbiechten dat dit tot nu toe de enige boeken zijn waarbij ik een traantje moest wegpinken. In het tweede boek, ‘Duncton Quest’, ontmoet Tryfan bijvoorbeeld in een ander gangenstelsel de kleine, magere mol Mayweed. Die is zijn hele leven alleen geweest en vindt zichzelf minder waard dan andere mollen. Als hij dan toch bij de groep mag komen, is zijn twijfel en zijn opluchting diep ontroerend … Prachtig geschreven boeken zijn dit en ik vind het jammer dat ze niet bij meer mensen bekend zijn!

 

Het science fiction-boek waar ik als tiener het meest van onder de indruk was, was ‘Rendezvous with Rama’ van de bekende Arthur C. Clarke. In dit vrij dunne boekje met de sfeer van de koude oorlog, komt een onbekend voorwerp ons zonnestelsel binnen. Een ruimteschip wordt erop afgestuurd om poolshoogte te nemen. De astronauten dringen het voorwerp binnen en ontdekken er een holle wereld. Onder invloed van de zon warmt die steeds verder op. Er ontstaan zeeën en ze zien vreemde levensvormen. Maar niemand lijkt interesse te hebben voor hen en ze dreigen door Rama te worden meegenomen de lege ruimte in … Clarke weet als geen ander zijn wetenschappelijke kennis te combineren met een gevoel van ontzag en verwondering. De momenten wanneer zijn hoofdpersonen voor het eerst uitkijken over de binnenkant van de Rama-cylinder zijn me altijd bijgebleven. Adembenemend! Dit is echt een van de hoogtepunten van de science fiction, en een kopie van dit verhaal speelt een rol in mijn novelle ‘Conquistador’ (die op 6 mei uitkomt als deel van mijn bundel ‘Conquistador’). Helaas had Clarke niet heel veel aandacht voor de karakterontwikkeling en de belangrijkste rol van zijn hoofdpersonen is te observeren wat hij ze voorschotelt.

Dit is ook een van de zwakke punten van Stephen Baxter, een Britse SF-schrijver die je de moderne opvolger van Arthur C. Clarke kunt noemen (hij heeft zelfs met Clarke samengewerkt). Ook hij heeft een sterke wetenschappelijke achtergrond en de gave om het gevoel van verwondering en ontzag over te brengen. Maar ook hij verliest zich soms in de feiten en negeert de emoties. Ik genoot echter heel erg van zijn recente verhalenbundel ‘Xeelee Endurance’. De hoofdpersonen van deze verhalen hebben precies genoeg diepgang om met ze mee te willen leven en ondertussen neemt Baxter je als lezer mee op reis door een intrigerende toekomst, vol parallelle universa, oorlogen met andere, bizarre rassen en uiteindelijk zelfs nieuwe, nauwelijks herkenbare uitingsvormen van de mensheid. Elk verhaal opnieuw was verrassend en inspirerend. Wat ik wel een beetje jammer vond, was dat de laatste paar er een beetje bij leken te hangen en in mijn optiek niet een heel mooie afsluiting vormden van het overkoepelende verhaal. Maar wil je even meegenomen worden naar een andere wereld, dan is dit een toffe bundel!

Een ander recent SF-werk dat in goed Nederlands een ‘mindblowing’ leeservaring biedt, is ‘The Quantum Thief’ van de Finse auteur Hannu Rajaniemi. Niet echt aanbevolen als je nog niet zo veel SF hebt gelezen, of je moet toevallig veel kennis van informatica en/of natuurkunde hebben, maar ken je de termen uit het genre een beetje, dan is dit echt een nieuwe klassieker! Ik werd in elk geval op een goeie manier overdonderd door een wervelwind van nieuwe ideeën en concepten. Rajaniemi stort je als lezer in een totaal andere wereld, in een toekomst waarin computertechnologie het zonnestelsel ingrijpend heeft veranderd. Kunstmatige intelligenties zo groot als planeten, mensen die hun identiteit kunnen kopiëren en vervormen, nanotechnologie die op hol slaat, en eenzame beschavingen ver weg in de Oortwolk. Het is nauwelijks te bevatten, maar hoe bizar getransformeerd ook: mensen blijven mensen. En ook deze samenleving biedt mogelijkheden voor een verfijnde dief als Jean le Flambeur (een soort Arsene Lupin maar dan anders), die voor een lucratieve klus afdaalt naar Mars, maar -zoals dat gaat in dit soort verhalen- ontdekt dat de liefde de zaken danig kan compliceren. De andere delen van deze serie vond ik ook fantastisch!

 

Ten slotte wil ik graag enkele Nederlandse boeken in de schijnwerpers zetten. Want ook in Nederland worden fantastische SF- en fantasyverhalen geschreven. Jammergenoeg krijgen die nog niet altijd net zoveel aandacht als de Engelse boeken. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat ze beter kunnen lezen in het Engels als in het Nederlands. Ik denk echter dat dit vooral komt omdat de Nederlandse boeken vaak nog onbekend zijn, en onbekend maakt onbemind.

Maar er zijn Nederlandse schrijvers die absoluut niet onderdoen voor hun Engelse en Amerikaanse tegenhangers, zoals Joost Uitdehaag. Zijn Fulia-tweeluik is een absolute aanrader voor liefhebbers van fantasy. Niet alleen volg je in zijn boek een complexe vrouwelijke hoofdpersoon, die het ene moment moedig kan zijn en het andere moment zich kwetsbaar durft te tonen, de wereld die Joost heeft geschapen, is ook nog eens origineel. Hij bevindt zich namelijk op de rand van de afgrond. Op insecten lijkende wezens, de Mirrax, overspoelen het land en dreigen de mensheid totaal uit te roeien. Veel duisterder zul je het niet snel vinden. Een handjevol overlevenden zoekt naar de burcht van de verdwenen Verbondsridders. Misschien dat daar hulp kan worden gevonden om het tij te keren … Ondertussen vind je in dit boek, en in het vervolg, levensechte vriendschappen, heftige veldslagen en zelfs een vleugje hoop. Ik ben in elk geval groot fan.

Wil je -voordat je een langer boek van een Nederlandse schrijver oppakt- eerst eens proeven aan hun stijl? Lees dan de Ganymedes-bundels van uitgeverij Fantastische Vertellingen. Remco Meisner en Paul van Leeuwenkamp stellen elk jaar een bloemlezing samen van de beste verhalen van Nederlandse en Vlaamse auteurs. Met voor iedereen iets: fantasy, sciencefiction, magisch realisme, sprookjesverhalen, en zelfs gedichten. De verhalen die je hier aantreft, tonen aan dat Nederlandse schrijvers echt niet onderdoen voor hun buitenlandse collega’s. Niet elk verhaal vind ik even goed geslaagd, maar dat kan ook niet. De diversiteit zorgt er echter voor dat elke bundel minstens een paar verhalen bevat die je wel zullen aanspreken. Omdat ze zonder winstoogmerk worden uitgebracht, zijn die verhalen de prijs van de bundels zeker waard. De eerlijkheid gebied me te vertellen dat er van mij verhalen stonden in Ganymedes-15 en -16. Maar eigenlijk vond ik Ganymedes-13 nog het sterkst. Met onder andere een tof verhaal van Mike Jansen, over een door nanotechnologie getransformeerde wereld, en een beklemmende dystopie van Frank Roger, een een verhaal van de bekende Thomas Oldeheuvelt.

Ik hoop binnenkort nog een keer een blog te schrijven, want ik heb nog lang niet alle boeken de revue laten passeren die ik voor het voetlicht wilde brengen. Heb je misschien al een of meer van deze boeken gelezen? Laat dan weten wat je ervan vond en inspireer anderen om ze ook eens in te kijken.

Gast recensie van Boekenwurm Saskia: Kevin Deckers – De duistere oorlog 

0

Ongeloofwaardig debuut
 ‘Het begin van het einde’  is de titel van Boek Een van de serie ‘De Duistere Oorlog’.  De nu twintigjarige Kevin Deckers begon op zijn veertiende met het schrijven van dit debuut . De vergelijking met Christopher Paolini, die vanaf zijn vijftiende tot aan zijn negentiende jaar aan zijn bestseller Eragon werkte, lijkt snel gemaakt.  De overeenkomst tussen beiden houdt bij dit enkele feit op. ‘Het begin van het einde’ is zeker geen bestseller en kun je beter links laten liggen.
Het verhaal begint met de geboorte van Rayon, een dwerg die het universum en de goden moet redden van de Duisternis. Wanneer hij en zijn moeder intrekken bij Heer Theodor beginnen de Goden zich te roeren. Rayon krijgt de krachten van de God Seron maar moet daar een verschrikkelijke prijs voor betalen. Hij veroudert snel en om dat tegen te gaan dient hij verschillende artefacten te verzamelen. Het eerste ligt verstopt in de Duistere Kloof. Samen met zijn vrienden gaat hij op weg om dit voorwerp te vinden. Dit gaat echter niet vanzelf. 
De wereldopbouw is chaotisch en roept voortdurend twijfels op. In eerste instantie denk je in een soort middeleeuwse wereld te vertoeven. Wanneer mensen zich  echter in de ‘woonkamer’  of ‘slaapkamer’ bevinden en het ’ toilet’ zoeken dringt zich een hedendaags beeld op. Tegelijkertijd dragen soldaten ijzeren pantsers. Dat wekt verwarring en draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van het verhaal. 

Het gebrek aan geloofwaardigheid speelt het hele boek door op alle fronten. Zo is het raar dat Bjorn die nog nooit Orks en Trollen heeft gezien  vanuit de verte het geluid van aanvallende Groene Orks herkent. Hij ziet ze op dat moment niet maar heeft in een boek gelezen hoe het geluid moet klinken. Ook denk je niet midden in een gevecht tegen zeven wachters dat de wachter die met zijn been trekt misschien een oude oorlogswond heeft. Daar heb je gewoonweg geen tijd voor.
 Het tijdsverloop is niet zo duidelijk uitgewerkt. Je zult zelf een schemaatje moeten opstellen om te snappen hoeveel dagen we onderweg zijn en wie ondertussen wat doet. De schrijver verspringt voortdurend van perspectief en het doel  daarvan is vaak onduidelijk en verwarrend.  Het verhaal loopt ook niet chronologisch. De schrijver gebruikt flashbacks maar het is niet eenvoudig te achterhalen wanneer een perspectiefwisseling een flashback is. Zo is het buitengewoon  verwarrend dat Rayon eerst een bericht van de Reus Drogan ontvangt,  terwijl de Reus dat bericht pas dertig pagina’s later gaat versturen. De lezer moet steeds terugbladeren om te snappen wat er aan de hand is.
De verhaallijn is ook om andere redenen niet goed te volgen. Het lijkt een opeenvolging van gevechten en magie. De theatrale beschrijvingen van bijlslagen, knallen, bliksemflitsen en de hoeveelheden bloed beslaan vaak meerdere pagina’s en er worden steeds nieuwe planeten, goden en wezens geïntroduceerd. 

Van het verhaal is daardoor nog maar weinig te bespeuren. Het vliegt alle kanten op en de logica ontbreekt. Het lijkt meer een mmorpg zoals World of Warcraft waarin op willekeurige momenten van alles kan gebeuren, dan een fantasyboek . Van enige opbouw is niets te bekennen.
De personages in het boek worden niet uitgewerkt en ontwikkelen zich niet. Ze zijn voortdurend kwaad of hebben plotseling en zonder veel redenen hevige onderlinge ruzie. Normale relationele verhoudingen lijken niet te bestaan. Ook de handelingen van de personages komen ongeloofwaardig over. Ze hebben de gewoonte om uitgeput  neer te vallen na een gevecht of na het gebruik van magie. Binnen twee zinnen staan ze desondanks weer overeind om opnieuw een gigantisch gevecht te leveren. Ze hoeven blijkbaar niet bij te komen. Tegelijkertijd vallen ze geregeld van uitputting flauw. 

Helemaal verbazingwekkend wordt het als Heer Theodor een arts dwingt  zijn doorgesneden achillespees aan elkaar te naaien. Theodor trekt de huid van zijn hak en kuiten zelf opzij en blijft gedurende de operatie volledig bij bewustzijn. Deze sterke man heeft blijkbaar geen verdoving nodig en is ondanks zijn blessure heel erg lenig. Hij verzoekt wel om een slaapmiddel als de arts klaar is, ‘graag voordat hij flauwvalt’. Om vervolgens dan pas flauw te vallen. 
Vanaf het begin vallen de vele taalfouten op. Het woord steigers wordt met lange ij geschreven, kurassen worden niet  ‘daarover vastgesnoerd’ maar  ‘daarover gesnoerd’, een sabel wordt ‘opgeblokkeerd’ en zo gaat het onverminderd door. 

De zinnen lopen niet lekker, worden halverwege afgekapt en gooien  je uit het verhaal. Het vele gebruik van verklarende woorden als ‘deze’, ‘daarom ‘en ‘hierdoor’ versterken dat  beeld . De schrijver probeert  te vaak teveel uit te leggen.  
Het lezen van dit verhaal is een ware worsteling. Het verhaal mist samenhang en een duidelijke focus. De vele taalfouten, onleesbare zinnen en de overmaat aan wezens en werelden veroorzaken verwarring en leiden tot een gevoel van vermoeidheid. Van leesplezier is geen sprake.