Schrijver van de maand Juni 2019: Johanna Lime

Johanna Lime – Schrijver van de maand juni 2019In de maand juni is Johanna Lime de schrijver van de maand bij Tazzy Jenninga, op haar website en Facebookpagina “Ik hou van horror, fantasy en spannende boeken !!!!!!!!”Fijn dat je dit initiatief hebt genomen om schrijvers bekendheid te geven, Tazzy.
Dank je wel!Wie gaat er schuil achter het pseudoniem Johanna Lime?Achter het pseudoniem gingen vanaf 1 november 2011 tot 21 december 2018 twee samenwonende nichten schuil die bovendien hun hele leven al de beste vriendinnen waren. Daardoor hadden zij een hechte band en konden ze goed samenwerken. Hun moeders waren zussen uit de familie Kalkman, vandaar dat Lime (Engels voor kalk) als pseudoniem gebruikt werd. Marjo Heijkoop en Dinie Boudestein woonden vanaf 19 november 1982 samen en hadden volgens hun notaris misschien wel het eerste samenlevingscontract van Nederland. Zij hadden vele hobby’s, waaronder het schrijven van dagboeken van verschillende personages uit een verzonnen wereld. Nadat van Dinie haar vader, zus Joke, broers Arie en Piet en haar moeder overleden waren en Marjo’s jongste broer, Maarten, ook nog stierf, besloten ze dat ze hun verhalen niet langer alleen maar in de kast wilden laten staan. Ze wilden er boeken van gaan schrijven en die uit gaan geven. Dat lukte voor het eerst in 2015 met hun debuut Schimmenschuw bij uitgeverij Zilverbron.De tragiek van het leven (Dinie’s overlijden)Ik 2018 sloeg het noodlot toe. Dinie, die drie jaar hiervoor volkomen genezen was verklaard van de borstkanker waar ze tien jaar geleden voor behandeld was, bleek toch weer uitzaaiingen te hebben. De sluipmoordenaar, kanker, had haar weer te pakken. En nu was er geen redden meer aan. Dinie verloor de strijd en stierf op 21 december 2018. Met haar heengaan verdween er een bron aan vernieuwende ideeën, van originele combinaties uit parate kennis op allerlei gebied en van heerlijke humorvolle taalgrapjes. Aan de goede samenwerking aan de verhalen van Johanna Lime kwam een einde. Haar heengaan is een verlies dat nog dagelijks te voelen is, al blijft Dinie’s stem in de verhalen die we samen schreven altijd doorklinken.Vanaf 2019 alleen verder (Marjo schrijft door)Vanaf 2019 schrijft Marjo Heijkoop alleen door onder het pseudoniem van Johanna Lime. De vergeten vloek trilogie, waaraan Dinie en zij bezig waren, zal afgemaakt worden. Bovendien hebben alle gepubliceerde korte verhalen van Dinie en Marjo samen de hoofdredactie gekregen die we bij Tamara Geraeds hadden aangevraagd. Er zijn 19 korte verhalen van Johanna Lime (opnieuw of vernieuwd) als e-book gepubliceerd op Smashwords. Zij zijn ook via andere kanalen te koop, zoals Tolino, Kobo en Bol.com. De redactie van een serie van zeven nog niet eerder op Smashwords gepubliceerde verhalen schiet bovendien ook al op. Vanaf 1 juni zal er elke week op zaterdagen zo’n sciencefiction/fantasy verhaal op Smashwords worden uitgegeven als onderdeel van de Randsteden serie. Deze zeven verhalen deden mee aan wedstrijden tussen 2012 en 2017 en zijn dus geschreven door Dinie en Marjo samen. Na herschrijven en redactie worden ze in 2019 beschikbaar om te downloaden en te lezen.Welke boeken zijn er van Johanna Lime?Van Johanna Lime zijn er drie fantasyboeken uitgegeven door uitgeverij Zilverbron en de vierde staat voor april 2020 in de planning. Schimmenschuw was ons debuut uit september 2015. Daarna begonnen we aan een trilogie, De vergeten vloek. Deel 1 kwam in april 2017 uit en draagt de titel Sluimerend vuur. Deel 2, Smeulend venijn werd in september 2018 uitgebracht en aan deel 3 waren we aan het schrijven. Dit deel wordt verwacht in 2020.Waar gaan ze over?
De wereldbouw uit de boeken van Johanna Lime bevat vijf planeten in de buurt van de Plejaden (in het sterrenbeeld Taurus) die het koninkrijk Laskoro vormen en vijf planeten in de Rosettenevel (in Monoceros) die het koninkrijk Berinyi vormen. In Schimmenschuw woont Kamilia op Laskoro, de hoofdplaneet uit het koninkrijk Laskoro. Zij maakt een tijdreis naar de zusterplaneet Chyndyro, naar de plaats waar vroeger (3400 jaar eerder) zeven magische families terechtkwamen, met hun goden, de Avatars. Kamilia moet van iedere leider van de zeven soorten magie een deel van een zevenpuntige ster verzamelen. Als ze die heeft kan de sleutel van de enige tijdpoort op Chyndyro in elkaar gezet worden en dan kan ze weer naar huis. Maar voor dat kan gebeuren, krijgt ze van iedere magische dynastie nog een gevaarlijke opdracht. Het is maar de vraag of ze zal slagen.De vergeten vloek gaat over Laskoro en Berinyi in de moderne tijd, die te vergelijken is met ons leven op Aarde, maar toch wat anders is. Doordat er door de Avatars een vloek is uitgesproken, is er disharmonie ontstaan in de bevolking. Op Laskoro zijn er drie keer zoveel vrouwen als mannen, hoewel mannen er de baas zijn. Het is lastig om aan opvolgers te komen. Bovendien wordt Laskoro belaagd door magiërs en is de Koninklijke familie de magie nagenoeg vergeten. Hoe moet Jima dan zijn magie leren gebruiken, want die heeft hij nodig om zijn volk te beschermen als er oorlog komt.
Tezelfdertijd is er in het koninkrijk Berinyi bij de taikeiyibevolking ook een disharmonie, maar daar zijn drie keer zoveel mannen als vrouwen. Op Berinyi is de magie blijven bestaan, maar er is een duister invloed bezig die alle macht naar zich toe wil trekken. Wanneer de kroonprinses haar moeder op zal volgen, erft ze een oorlog en daar kan ze niet meer onderuit. Of wel? Wie is de werkelijke vijand nu eigenlijk?Waar kan ik de paperbacks kopen?
Ze zijn te koop via Johanna Lime zelf, in de boekhandels te bestellen, online te koop bij artbooksshop.com en bol.com bijvoorbeeld en op festivals zoals Elfia, Castlefest en Keltfest of Comic Con waar Zilverspoor/Zilverbron vaak aanwezig is.Welke e-books met korte verhalen van Johanna Lime zijn er?Korte verhalen van Johanna Lime zijn wel als e-book uitgegeven en juist weer niet als paperback.
Dit is de pagina waar de e-books te downloaden zijn, met bij elk verhaal een korte beschrijving: https://www.smashwords.com/profile/view/JohannaLime2
Binnenkort (in juni en juli 2019) komt deze serie erbij.Waar kan ik Informatie vinden over Johanna Lime?
Informatie over Johanna Lime is hier te vinden: https://johannalime.com/
Er zijn ook links naar informatie over de boeken en naar leesfragmenten. Zowel voor Schimmenschuw als voor De vergeten vloek trilogie zijn er aparte websites waar meer informatie op staat, zoals over de rassen op Berinyi, de wereldbouw en de recensies van lezers. Je komt daar door op de links rechts bovenaan de Homepage van Johanna te klikken.Wat kan ik in de toekomst nog verwachten van deze schrijver?
In de toekomst wil Johanna nog een paar korte verhalen herschrijven die ze nog op de computer heeft staan. Zij is na de cursus ‘Schrijf Je Verhaal’ bij de Online Schrijfschool van Marjon Sarneel al begonnen aan een autobiografisch verhaal over twee eigenwijze vrouwen en twee aliens en gaat dit verder uitwerken tot een boek.
Bovendien heeft ze in 2019 meegedaan aan de Waterloper verhalenwedstrijd. Misschien dat ze in de toekomst aan nog meer korte verhalenwedstrijden mee gaat doen.
Ze doet elk jaar aan CampNaNoWriMo en NaNoWriMo mee met een bepaald gekozen project. Dat kan het schrijven van iets nieuws zijn, maar ook het herschrijven van een roman of van een aantal korte verhalen. Ze doet dit voornamelijk om de schrijfroutine van elke dag weer op te kunnen pakken, wanneer dat een beetje verwaterd is, of om het tempo weer iets te verhogen.
In de wereld van Eibor Risoklany, de wereld van de Avatars uit Schimmenschuw en De vergeten vloek, kwamen in haar dagboeken al drie generaties van personages voor. Dus er is nog veel meer te schrijven uit die verbeeldingswereld. Als het aan Johanna Ligt, komt er na De vergeten vloek nog een trilogie over Laskoro en Berinyi.Oproep aan lezers
Heb je een boek van Johanna Lime gelezen? Wil je haar dan in een recensie of met een chat of e-mail laten weten wat je ervan vond? Opbouwende feedback helpt namelijk om het proces te verbeteren en om als schrijver te groeien in mijn vaardigheden.Groeten van Johanna Lime

Advertenties

Voorproefje: Bastaardvlekken

received_23845138582361077435883886265371354.jpeg

Daeya stapte de tempel binnen. Schemerlicht viel in strepen door het plafond en streek als een gordijn over haar schouders toen ze voor het borstbeeld knielde, haar tenen pijnlijk in een barst die ze nog niet eerder had gevoeld. Langzaam trok ze de doeken van haar gezicht. Losse plukjes vielen over haar voorhoofd en het stugge uiteinde van haar vlecht landde op haar borst. Ruim een decennium geleden had ze die gemaakt, toen ze nog geheel blij was een bastaard te zijn. Ze duwde de vlecht over haar schouder.
Voor haar keek het gezichtsloze borstbeeld op haar neer. Alleen op haar. Het deerde haar niet. De andere miraku’s leefden elders. In deze tempel vulde alleen Daeya de leegte die ze ooit hadden achtergelaten, op die momenten dat ook zij de rol van gelovige op zich nam. Ze had het nooit anders gewild.
‘Godin.’ Haar stem galmde, maar er kwam geen antwoord. De tempel omarmde haar slechts met muren. ‘Ik kom tot U, in de hoop Uw zegening te ontvangen wanneer Brenn en ik ons in de echt verbinden…’
En daar haperde ze. Stapels aan boeken, verslagen en mythes had ze bestudeerd, hunkerend naar elke afdruk die de miraku’s en hun voorlopers voor haar hadden achtergelaten, maar hiervoor had ze niets; de miraku’s hadden nooit beschreven hoe men de Godin diende aan te spreken.
Ze liet haar armen langs haar lichaam zakken. Haar ademhaling werd langzaam rustiger na de gehaaste tocht door het bos. Het oogloze beeld en de bekende fresco’s vormden een vreemde geruststelling, die haar eraan herinnerde dat het niet uitmaakte dat ze de details niet wist, dat het nooit had uitgemaakt. Hier leefde de Godin nog en Zij zou Daeya aanhoren, met alle kracht die Haar restte. Verspilde Ze echter niet Haar tijd? Lang voor Brenns vertrek had Daeya al geweten dat het geen moed vereiste om hem over haar bastaardvorm te vertellen.
Ze vouwde haar vingers ineen en drukte haar lippen tegen haar duimen. In de fresco’s gluurden ogen tussen gebladerte door, pulserend met helderrode aderen. De vlakken licht over de verf kleurden steeds warmer. Het schemerrood viel op het borstbeeld en liet donkere holtes achter in de ruwe vormen van het steen. Daeya staarde naar de Godin, en hoorde gegrom. Gevolgd door gestamp. Een nial. Langzaam keerde ze haar hoofd, hoewel de oplopende gang naar buiten te snel donker werd om iets te zien. Reizigers… zo dichtbij?
Ze hield haar adem in zodat haar scherpe gehoor nog meer kon opvangen, maar in plaats van krakende wielen hoorde ze stemmen, luider dan verwacht. De wagen stond al stil. Behoedzaam kwam ze overeind. Buiten de muren van de tempel werden planten platgetrapt, varens opzij geduwd, zwaarden sloegen tegen dijen. Met elke seconde klonken de geluiden dichterbij. Haar handpalm zweette tegen de pommel van haar eigen zwaard.
Ze trok haar hoofddoek weer over haar gezicht en liep tot het einde van de gang, waar ze uit de schaduw leunde. Het gegrom van het ongeduldige trekdier kwam uit de richting van het pad verderop, waar twee gedaanten zich scherp tegen de donkere bomen aftekenden.
Het rode haar van de kleinere gloeide onder de schemering. Hij praatte met hoge stem tegen zijn metgezel, die ver boven hem uitstak, een donkerder huid had en zwart haar tot zijn schouders. Beiden hadden een rijkversierde schede aan hun riem en droegen de Remanese kruiskostuums, een in het blauw, een in het groen. Ze wandelden in de richting van de tempel, hun stemmen ontspannen.
Daeya stapte terug de duisternis in. Reizigers van en naar de hoofdstad namen met enige regelmaat de route door het bos, maar bij de tempel had ze – de goden zij gedankt – nooit eerder iemand gezien. Hun verschijning baarde haar zorgen, maar pas na een flits van ergernis dat de tempel uitgerekend door Remanezen was gevonden.
De hoge stem slaakte een kreet, gevolgd door een lagere ‘Ho’. De zwartharige man stond nu zo dicht bij de ingang dat hij zich voor het lage plafond moest bukken. Met één hand hield hij de roodharige jongen tegen, met de andere veegde hij zijn haar uit zijn gezicht, een gezicht dat Daeya ogenblikkelijk herkende. Het was jaren geleden dat ze de keizer-generaal voor het laatst had gezien, maar hij hing aan te veel muren om aan haar geheugen te twijfelen. En hij kende haar ook.
Bij alle vervloekte goden diep in deze vervloekte wereld.
De keizer tuurde met half dichtgeknepen ogen de donkere gang in. Daeya werd zich verontrustend bewust van haar hoofddoek. Vier jaar geleden was de nieuwe Remanese keizer, Ciaran IV te Fulamin, met de regentes op staatsbezoek geweest, zoals hij eerder zijn vader had vergezeld. Ze had hem gezien en begroet, en hij had haar hand gekust. Ze had gebogen en gebloosd, en hij had haar gecomplimenteerd. Daeya had altijd gehoopt dat hij nooit zoals zijn vader werd, even streng als vriendelijk. Ze was tevredengesteld: ook als keizer was hij enkel vriendelijk. Iemand onder wie Remanya kon slinken, en iemand die ze nooit wilde vrezen.
Nu had hij haar echter al als miraku gezien, een gelovige uit Briannu, het laatste stukje buitenland van de kustlijn. Het was te laat om haar mirakische kleding af te staan en hem als bondgenoot tegemoet te lopen; de Daeya die hij kende, mocht hij nooit met Briannu associëren.
Bij de ingang richtte de keizer zich op, zijn hand al op zijn wapenriem. Het brede zwaard stootte tegen zijn dijbeen. ‘Toon jezelf.’
Daeya ademde met open mond tegen de half doorschijnende sluier. De muren trokken donker over haar heen en koel zweet gleed haar kraag in. Ze greep haar eigen gevest, maar goden, haar ervaring bestond uit een geïsoleerde reeks oefenduels tegen Brenn, en dit was een Remanese krijger. Ze sloot haar ogen. Ze was Hare Hoogheid Prinses Daeya, verdomme, en weigerde Remanya te vrezen, maar de keizer mocht nooit weten wat haar moeder had gedaan.
Ze rende terug de tempel in. ‘Halt!’ klonk achter haar. Haar eigen voetstappen vielen weg onder de zijne, die zwaarder waren, sneller.
Op het punt waar de gang overging in de centrale ruimte van de tempel, sprong ze om de hoek. Een fractie van een seconde later kwam de keizer uit de schaduw, zijn zwaard getrokken. Ze ramde zijn schouder en wilde langs hem heen terug de gang in, maar hij wierp een arm om haar middel en dwong haar moeiteloos achterwaarts.
Daeya trok haar zwaard en stak naar voren. Hij pareerde de slag. Zijn wapen bleef even in de lucht hangen voor het in een schouwspel van gebroken licht het koude besef door haar aderen joeg: daar was ze, de magie in de Remanese zwaarden. Ze golfde door tot in Daeya’s armen, die begonnen te prikken alsof ze in doornstruiken viel.
Nu viel de keizer aan. Metaal flitste langs haar lichaam. Aanval na aanval volgde, gestuwd door overweldigende kracht. Bij elke slag vreesde ze dat haar eigen zwaard in tweeën zou splijten, tot de keizer het met een woeste zwaai uit haar handen sloeg. Het viel kletterend op de grond – buiten haar bereik. Ze liet zich opzij vallen, rolde weg en hoorde het gesuis van zijn zwaard. Vonken dansten als ijspegels over haar huid. Ze trapte omhoog, hij week uit. Ze wierp zich op hem en trok aan het gevest van zijn zwaard, maar zijn handen klampten zich er als staal omheen en hij stootte naar voren. Het zwaard vonkte opnieuw. Ze zette zich schrap, wetende wat er zou komen, ook al was ze er nooit eerder door getroffen.
Naalden boorden zich in haar onderarmen. Een witte flits vulde haar blik en haar armen vielen weg, ze verloor haar grip, zag niets. Godin, schenk me kracht! Schokkend zakte ze tegen de muur. De klap dreunde door haar rug. Ze wilde naar adem happen, maar haar hele lichaam stond strak. De keizer greep haar kraag en hield haar overeind tot het witte waas verdween. Langzaam keerde het gevoel terug in haar lichaam, maar ze keek pas op toen hij haar losliet. Het heft van het mes aan haar riem prikte in haar onderrug. Ze bewoog haar hand naar achteren, maar verstijfde toen de keizer tergend langzaam zijn zwaard hief en de punt op de stof tussen haar sleutelbeenderen liet rusten.Daeya stapte de tempel binnen. Schemerlicht viel in strepen door het plafond en streek als een gordijn over haar schouders toen ze voor het borstbeeld knielde, haar tenen pijnlijk in een barst die ze nog niet eerder had gevoeld. Langzaam trok ze de doeken van haar gezicht. Losse plukjes vielen over haar voorhoofd en het stugge uiteinde van haar vlecht landde op haar borst. Ruim een decennium geleden had ze die gemaakt, toen ze nog geheel blij was een bastaard te zijn. Ze duwde de vlecht over haar schouder.
Voor haar keek het gezichtsloze borstbeeld op haar neer. Alleen op haar. Het deerde haar niet. De andere miraku’s leefden elders. In deze tempel vulde alleen Daeya de leegte die ze ooit hadden achtergelaten, op die momenten dat ook zij de rol van gelovige op zich nam. Ze had het nooit anders gewild.
‘Godin.’ Haar stem galmde, maar er kwam geen antwoord. De tempel omarmde haar slechts met muren. ‘Ik kom tot U, in de hoop Uw zegening te ontvangen wanneer Brenn en ik ons in de echt verbinden…’
En daar haperde ze. Stapels aan boeken, verslagen en mythes had ze bestudeerd, hunkerend naar elke afdruk die de miraku’s en hun voorlopers voor haar hadden achtergelaten, maar hiervoor had ze niets; de miraku’s hadden nooit beschreven hoe men de Godin diende aan te spreken.
Ze liet haar armen langs haar lichaam zakken. Haar ademhaling werd langzaam rustiger na de gehaaste tocht door het bos. Het oogloze beeld en de bekende fresco’s vormden een vreemde geruststelling, die haar eraan herinnerde dat het niet uitmaakte dat ze de details niet wist, dat het nooit had uitgemaakt. Hier leefde de Godin nog en Zij zou Daeya aanhoren, met alle kracht die Haar restte. Verspilde Ze echter niet Haar tijd? Lang voor Brenns vertrek had Daeya al geweten dat het geen moed vereiste om hem over haar bastaardvorm te vertellen.
Ze vouwde haar vingers ineen en drukte haar lippen tegen haar duimen. In de fresco’s gluurden ogen tussen gebladerte door, pulserend met helderrode aderen. De vlakken licht over de verf kleurden steeds warmer. Het schemerrood viel op het borstbeeld en liet donkere holtes achter in de ruwe vormen van het steen. Daeya staarde naar de Godin, en hoorde gegrom. Gevolgd door gestamp. Een nial. Langzaam keerde ze haar hoofd, hoewel de oplopende gang naar buiten te snel donker werd om iets te zien. Reizigers… zo dichtbij?
Ze hield haar adem in zodat haar scherpe gehoor nog meer kon opvangen, maar in plaats van krakende wielen hoorde ze stemmen, luider dan verwacht. De wagen stond al stil. Behoedzaam kwam ze overeind. Buiten de muren van de tempel werden planten platgetrapt, varens opzij geduwd, zwaarden sloegen tegen dijen. Met elke seconde klonken de geluiden dichterbij. Haar handpalm zweette tegen de pommel van haar eigen zwaard.
Ze trok haar hoofddoek weer over haar gezicht en liep tot het einde van de gang, waar ze uit de schaduw leunde. Het gegrom van het ongeduldige trekdier kwam uit de richting van het pad verderop, waar twee gedaanten zich scherp tegen de donkere bomen aftekenden.
Het rode haar van de kleinere gloeide onder de schemering. Hij praatte met hoge stem tegen zijn metgezel, die ver boven hem uitstak, een donkerder huid had en zwart haar tot zijn schouders. Beiden hadden een rijkversierde schede aan hun riem en droegen de Remanese kruiskostuums, een in het blauw, een in het groen. Ze wandelden in de richting van de tempel, hun stemmen ontspannen.
Daeya stapte terug de duisternis in. Reizigers van en naar de hoofdstad namen met enige regelmaat de route door het bos, maar bij de tempel had ze – de goden zij gedankt – nooit eerder iemand gezien. Hun verschijning baarde haar zorgen, maar pas na een flits van ergernis dat de tempel uitgerekend door Remanezen was gevonden.
De hoge stem slaakte een kreet, gevolgd door een lagere ‘Ho’. De zwartharige man stond nu zo dicht bij de ingang dat hij zich voor het lage plafond moest bukken. Met één hand hield hij de roodharige jongen tegen, met de andere veegde hij zijn haar uit zijn gezicht, een gezicht dat Daeya ogenblikkelijk herkende. Het was jaren geleden dat ze de keizer-generaal voor het laatst had gezien, maar hij hing aan te veel muren om aan haar geheugen te twijfelen. En hij kende haar ook.
Bij alle vervloekte goden diep in deze vervloekte wereld.
De keizer tuurde met half dichtgeknepen ogen de donkere gang in. Daeya werd zich verontrustend bewust van haar hoofddoek. Vier jaar geleden was de nieuwe Remanese keizer, Ciaran IV te Fulamin, met de regentes op staatsbezoek geweest, zoals hij eerder zijn vader had vergezeld. Ze had hem gezien en begroet, en hij had haar hand gekust. Ze had gebogen en gebloosd, en hij had haar gecomplimenteerd. Daeya had altijd gehoopt dat hij nooit zoals zijn vader werd, even streng als vriendelijk. Ze was tevredengesteld: ook als keizer was hij enkel vriendelijk. Iemand onder wie Remanya kon slinken, en iemand die ze nooit wilde vrezen.
Nu had hij haar echter al als miraku gezien, een gelovige uit Briannu, het laatste stukje buitenland van de kustlijn. Het was te laat om haar mirakische kleding af te staan en hem als bondgenoot tegemoet te lopen; de Daeya die hij kende, mocht hij nooit met Briannu associëren.
Bij de ingang richtte de keizer zich op, zijn hand al op zijn wapenriem. Het brede zwaard stootte tegen zijn dijbeen. ‘Toon jezelf.’
Daeya ademde met open mond tegen de half doorschijnende sluier. De muren trokken donker over haar heen en koel zweet gleed haar kraag in. Ze greep haar eigen gevest, maar goden, haar ervaring bestond uit een geïsoleerde reeks oefenduels tegen Brenn, en dit was een Remanese krijger. Ze sloot haar ogen. Ze was Hare Hoogheid Prinses Daeya, verdomme, en weigerde Remanya te vrezen, maar de keizer mocht nooit weten wat haar moeder had gedaan.
Ze rende terug de tempel in. ‘Halt!’ klonk achter haar. Haar eigen voetstappen vielen weg onder de zijne, die zwaarder waren, sneller.
Op het punt waar de gang overging in de centrale ruimte van de tempel, sprong ze om de hoek. Een fractie van een seconde later kwam de keizer uit de schaduw, zijn zwaard getrokken. Ze ramde zijn schouder en wilde langs hem heen terug de gang in, maar hij wierp een arm om haar middel en dwong haar moeiteloos achterwaarts.
Daeya trok haar zwaard en stak naar voren. Hij pareerde de slag. Zijn wapen bleef even in de lucht hangen voor het in een schouwspel van gebroken licht het koude besef door haar aderen joeg: daar was ze, de magie in de Remanese zwaarden. Ze golfde door tot in Daeya’s armen, die begonnen te prikken alsof ze in doornstruiken viel.
Nu viel de keizer aan. Metaal flitste langs haar lichaam. Aanval na aanval volgde, gestuwd door overweldigende kracht. Bij elke slag vreesde ze dat haar eigen zwaard in tweeën zou splijten, tot de keizer het met een woeste zwaai uit haar handen sloeg. Het viel kletterend op de grond – buiten haar bereik. Ze liet zich opzij vallen, rolde weg en hoorde het gesuis van zijn zwaard. Vonken dansten als ijspegels over haar huid. Ze trapte omhoog, hij week uit. Ze wierp zich op hem en trok aan het gevest van zijn zwaard, maar zijn handen klampten zich er als staal omheen en hij stootte naar voren. Het zwaard vonkte opnieuw. Ze zette zich schrap, wetende wat er zou komen, ook al was ze er nooit eerder door getroffen.
Naalden boorden zich in haar onderarmen. Een witte flits vulde haar blik en haar armen vielen weg, ze verloor haar grip, zag niets. Godin, schenk me kracht! Schokkend zakte ze tegen de muur. De klap dreunde door haar rug. Ze wilde naar adem happen, maar haar hele lichaam stond strak. De keizer greep haar kraag en hield haar overeind tot het witte waas verdween. Langzaam keerde het gevoel terug in haar lichaam, maar ze keek pas op toen hij haar losliet. Het heft van het mes aan haar riem prikte in haar onderrug. Ze bewoog haar hand naar achteren, maar verstijfde toen de keizer tergend langzaam zijn zwaard hief en de punt op de stof tussen haar sleutelbeenderen liet rusten.

Winnen: Oorlogsroman Kleine Maurits (plus meer)!!!!

Winnen!

Een mooie oorlogsroman, hardcover, met bladwijzer en een zakje thee!

Wat doe jij om kans te maken?

*akkoord gaan met de voorwaarden op de Facebookgroep ik hou van historische leerzame boeken en romans, door bij het originele winbericht te zeggen: lootje!

Dat is het.. Dan doe je mee😁

Waar gaat het boek over:

VOORWAARDEN:
Als je wint, betaal jezelf de verzendkosten. Het past door de brievenbus. Postnl en DHL mogelijk.

Deze actie loopt tot en met 31 mei 2019. 16.00 uur.

Ontsnappen naar een andere werkelijkheid

De reden dat ik graag lees, is om te ontsnappen aan de werkelijkheid. Heerlijk wegdromen, je problemen vergeten…..

Helaas is dat nu net iets, dat ik niet echt kan. Ik wil ontsnappen, maar zit vast in de werkelijkheid.

Mijn jaar begon niet leuk, werd daarna een stuk zonniger door het vinden van een baan, om daarna weer de andere kant op te gaan.

Griep, oorpijn, voorhoofdsholteontsteking, vitamineD gebrek en nog meer ontstekingen hielden me in hun greep. Oververmoeidheid en steeds minder kunnen doen, met meer pijn.

Mijn huisarts vroeg me om alles op te schrijven. En uiteindelijk ben ik erachter, dat het al jaren, zo niet decennia sluimert….. Ik heb zeer waarschijnlijk een vorm van Reuma. De afspraak met de reumatoloog staat in de planning. Ze gaan uitzoeken wat ik precies heb. Ik vind het heel spannend. Aangezien ik het nu zelf ook accepteer, ligt de weg verder open. Jaren lang dacht ik, het is spierpijn, het zijn zwakke plekken of ik heb teveel gedaan. Ik ben gewoon iemand die slecht slaapt… Ik zit raar in elkaar. Ik maak een stomme beweging of ik heb gewoon last van het weer. Maar het is niet gewoon.

Ik ga mijn best doen om een balans te vinden. Ermee te leren leven en toch weer werk te vinden. Achter de geraniums zitten wil ik niet. (Tenzij het is om te lezen, zo nu en dan).

Mijn energie hervinden zou al veel schelen, dan kan ik weer lekker gaan wandelen en fietsen. Ik ben een buitenmens! En ik ben ook positief ingesteld, maar snap wel dat mensen depressief kunnen worden. Je wordt er ook moedeloos van. Want hoe gaat je toekomst eruit zien, hoe zal het er financieel gaan uitzien?

Het klinkt als sciencefiction, de toekomst. Maar het is dichterbij dan je denkt!

Ik lees nu dus wanneer ik er energie voor heb… en waar ik zin heb. Maar stoppen doe ik nooit. Het is even een andere werkelijkheid instappen en dat heb ik echt gewoon nodig. (En die momentjes, gaan hopelijk weer groeien).

Ik beloof jullie op de hoogte te houden.

Carpe Diem!

Tazzy

Schrijver van de maand April 2019: Garvin Pouw- Fantasy lifestyle

Garvin Pouw over: Fantasy lifestyle. (Over nerdzaken)

Voor mij is Fantasy altijd meer geweest dan slechts erover schrijven. Ik was ongeveer 17 jaar oud, toen ik een switch maakte van SF naar Fantasy. Voor die tijd was ik fanatiek verzamelaar van Transformer figuren, ik was dol op Startrek en Starwars, en kon heerlijk mijn ei kwijt binnen die franchises. Ik was redactielid en schreef voor de Nederlandse Startrek club ‘the flying Dutch’, en maakte daar zelfs een strip voor. Daarnaast tekende ik transformer fanfiction en vloog op mijn PC rond in een X-wing flightsimulator (Hoewel ik het liefste A-wing vloog).
Eigenlijk was de enige fantasy die in die tijd op mijn pad kwam het lezen van de boeken van Tolkien, maar blijkbaar was dat genoeg om plotseling het roer om te gooien en mijn eigen fantasywereld het leven in te blazen.
De switch van SF naar Fantasy was denk ik symbolisch voor een omwenteling in mijn psyche. Vanaf dat moment deed ik alles meer spiritueel en minder wetenschappelijk/ logica gericht.

Ik besloot emotie te verheffen boven het pragmatische. Ik werd een romanticus die liever tussen madeliefjes zat dan tussen robots en computers. Mijn eerste Valtada stripalbum is een prachtige weergave van die fase.

Het verhaal ging over een technisch hoog ontwikkeld personage dat met haar ruimteschip neerstortte op de middeleeuwse planeet Valtada en daar vriendschap sloot met een wilde krijgster. Gaandeweg die strips viel de SF achtergrond geheel weg, om ruim baan te maken voor de Fantasy wereld van Valtada. Tot op het punt dat het SF personage in het laatste album braaf vertrekt om Valtada zuiver te houden.
Ik was inmiddels 20 en helemaal in de ban van mijn zelfverzonnen wereld. Valtada was boven alles een natuurrijke planeet en ik besloot mijn leven in de echte wereld aan te passen om er zoveel mogelijk inspiratie voor op te doen. Ik koos mijn studieplaats op basis van de bossen in de omgeving ervan en heb heel wat gespijbeld om lange wandeltochten te faciliteren. Ik verruilde mijn Transformers-strips voor uitsluitend Valtadatekeningen en begon op mijn zolderkamertje met een interieurverbouwing om binnendeurs de schijn op te wekken dat ik in een kasteel woonde ipv een standaard westers woonhuis. Ik kocht replica zwaarden (waar ik totaal niet mee om kon gaan) en ging op paardrijden (waar ik ook al geen talent voor had).
Heel wat tijd ging op aan het bouwen van een decor dat de wereld voor mij meer speciaal maakte.

Mijn eerste eigen huis werd een enorm fantasy-bouwproject. In die tijd was het romanschrijven vol in de plaats gekomen van het tekenen, maar ook op andere gebieden verplaatste ik mij altijd richting Fantasy. Ik heb in die jaren heel wat Warcraft gespeeld, een Fantasy game met een heel indrukwekkende verhaalachtergrond. Ik raakte ook bekend met de toen net in opkomst zijnde Fantasy-festivals. Eerst nog samen met mijn vader naar een EFF in het Archeon. Door de LOTR films kwam Fantasy enorm op in festivalvorm en ik ging er overal waar ik kon naartoe. Ik werd fan van bandjes als Omnia, Faun en Rapalje, en zocht hiervan de concerten op. De muziek en de sfeer van dit soort samenkomsten hielpen mij me in andere werelden te wanen en ze brachten mij tussen gelijkgestemde zielen. Dat bereikte een overtreffende trap toen ik het op mijn dertigste aandurfde om aan te sluiten bij een Larpgenootschap.

Bij Larp-Zwolle bracht ik enkele jaren door op vrijwel ieder evenement dat ze organiseerden, maar ik heb ook meegedaan aan de enorme LARPS die net over de grens in Duitsland worden georganiseerd. Ik figureerde en speelde en ik vond het heerlijk om mijzelf uit te dagen tot het spelen van een breed scala aan personages. Gewoon om het acteren te oefenen, maar ook om om mij heen te kijken vanuit andere referentiekaders (iets dat een romanschrijver absoluut niet mistaat).

LARP bleek voor mij een ideale researchvorm voor mijn boeken. Door zelf een weekend lang met je pijl en boog als een sluipmoordenaar door de struiken te dwalen, is absoluut een unieke ervaring. De trots, de adrenaline wanneer je moest ontsnappen… Het Larpen voegde heel wat voor mij toe. Het maakte me vrij op meerdere gebieden.
In die tijd leerde ik ook mede kennen, de eerste alcoholische drank die ik daadwerkelijk lustte. De gevolgen daarvan ga ik hier maar even niet bespreken. 😉
Ook op de Fantasyfestivals ontdekte ik nog steeds nieuwe dingen. Ik ben, geïnspireerd door de workshops daar, op Balfolkles gegaan te Nijmegen, waar ik al dansende mijn vrouw heb ontmoet.

Vanwege alle vreugde in de relatie kwam het Larpen helaas op een lager pitje te staan. De kosten werden te hoog en het gezinsleven maakt niet alles even goed meer mogelijk.
Wat die plaats innam werden de Greenthingz, misschien ken je ze wel? Die groene Goblins die de vuilnis opruimen op Castlefest en dergelijken? Wel, daar sloot ik me bij aan. Ik speelde rollen voor speurtochten en liet me inhuren als entertainment. Leuk, intensief werk, waar ik mijn theatrale ei wel in kwijt kon.

Maar nu? Nu ben ik een publicerend schrijver en zit ik, soms vaker dan mij lief is, achter de PC.
Gamen doe ik al heel lang niet meer, maar de muzieksmaak blijft Fantasy en we plannen onze vakanties altijd richting een sprookjesachtige bestemming.
We wonen in een Fantasyhuis zoals je in de Gelderlander hebt kunnen lezen, en van tijd tot tijd dossen we ons nog steeds uit om lekker gek te doen. Heb je Garvin Pouw weleens opgezocht op You-tube? We hebben heel wat Fantasy gerelateerde videoclips online staan.Als het even kan, doen we nog steeds ieder Fantasyfestival aan waar we kunnen komen. Vaak nu om boeken te verkopen, maar evenwel in Duitsland als bezoekers, gewoon omdat we in het sfeertje thuishoren. Of liever gezegd, daar komen we het dichtste in de buurt bij de fictieve wereld waar we het liefste zijn!

Een artikel over zijn fantasy huis:

https://blendle.com/i/de-stentor—deventer/een-huis-waar-fantasie-tot-leven-komt/bnl-stentordeventerstad-20171027-8859691

Leuke videoclip:

Vlog 1:

Video van omroep Gelderland:

Winnen in April 2019: Sarah Dalton pakket!

Dit is een erg mooi boek. En deze maand, kun je het winnen via Facebook! Ik mag een exemplaar weggeven!

Samenvatting:
In het Groot-Brittannië van de toekomst is perfectie te koop. Rijke ouders laten door het Ministerie voor Genetische Perfectionering (G.E.P.) perfecte kinderen maken. Mensen zonder “schoon’ DNA zijn Onzuiver en worden als slaaf gebruikt.
Mina Hart is een vijftienjarig Onzuiver meisje met een geheim. Als ze met haar vader naar Regio 14 verhuist om een nieuwe start te maken, sluit ze al snel vriendschap met Angela en haar geadopteerde broer Daniel. Mina komt erachter dat Daniel ook geheimen heeft en dat zij een band delen die steeds sterker wordt.
Als Mina wordt geconfronteerd met de arrestatie van een Onzuivere klasgenoot, bewerkstelligd door hun wrede lerares, wordt het voor Mina steeds duidelijker: dit is niet het leven wat zij wil leiden.
Haar leven wordt nog ingewikkelder als Sebastian, een G.E.P.-jongen, verliefd op haar wordt. Voor een Onzuivere is het een misdrijf om zich in te laten met een G.E.P..
Mina slaat op de vlucht samen met Daniel, Angela en Sebastian. Ze moet vechten voor zichzelf en de mensen die haar het meest dierbaar zijn.

Want niemand is waardeloos. Niemand is Onzuiver.

—————————————–

Wat zit er in het pakket ?

*Onzuiver- Het boek (nieuwe cover).

*Mok van de Hema met leuke tekst.

* 3 zakjes thee (in doosjes).

*Mascara wet & wild

*Een medaille voor de winnaar gevuld met wat lekkers :-).

*Bladwijzer met kralen en lint

————————–

Wil jij dit boek winnen?

Geef dan antwoord op de volgende vraag (bij het officiële winbericht op ik hou van horror fantasy en spannende boeken) en ga akkoord met de voorwaarden.

De vraag: Waarom wil jij dit boek lezen???

(ik doe graag mee= geen antwoord).

Voorwaarden: De verzendkosten zijn voor de winnaar. Ik verzend met DHL of postnl vanuit Nederland.

Deze actie loopt tot en met 30 april 2019. Om 22.00 sluit de pot. In de loop van volgende dagen, maak ik een winnaar bekend. Deze heeft 10 dagen de tijd om te reageren, daarna volgt een nieuwe winnaar etc etc.

SF maand: In de Rotterdamse Haven ( kort verhaal van Johan klein Haneveld)

In de Rotterdamse haven

Johan Klein Haneveld

Ik ging bijna opnieuw kopje onder. Uit alle macht sloeg ik met mijn benen, maar mijn linkervoet deed weinig anders meer dan trillen. Terwijl het lauwe water in mijn gezicht sloeg en mijn neus en mondholte vulde, stak ik mijn hand uit. Mijn vingers schraapten over roestig metaal: de boeg van het schip. Een plotselinge golf trok me erbij vandaan, maar tilde me vervolgens op en wierp me weer naar voren. Opnieuw tastte ik langs het schip. Ik bleef met mijn vingers hangen achter een richel, waar een ijzeren plaat boven op een andere was genageld. Het was alsof mijn arm uit de kom werd gerukt. Mijn lichaam sloeg tegen het schip met een dreun als een gongslag. Nu dreigde ik plotseling naar onderen te worden gesleurd, naar de schroef, die spiralen in het water sneed. Ik strekte ook mijn andere arm uit en verstevigde mijn greep. Ik kwam boven het oppervlak uit. Glibberige olie kleefde aan mijn voorhoofd en mijn wangen en ik zag niks anders dan regenboogkleuren, tot ik met mijn ogen knipperde. Een roestbruin oppervlak, met een glibberige, donkere aanslag zover het water reikte. Daarboven de blauwwitte lucht, zwanger van verdamping. Een gezicht verscheen in beeld, met twee opgetrokken schouders en omlaag hangende grijze lokken haar. Ik zag twee blauwe ogen, met aan weerszijden waaiers van rimpels, geplooide wangen die vroeger duidelijk een stuk boller waren geweest en op elkaar geknepen, gebarsten lippen. Een vezelig, kapot getrokken baardje tooide de kin van de man. Zijn blik toonde eerst verbazing, maar verduisterde al snel, en de spieren in zijn kaken leken zich te spannen.
‘Help,’ zei ik. Ik wist niet of hij me kon horen, maar ik had niet de kracht meer om te schreeuwen. Mijn greep op de boeg begon te verslappen. Elke golf die tegen mijn lichaam beukte, maakte dat mijn vingers verder weggleden. Water sproeide over mijn gezicht en prikte in mijn ogen. ‘Help me, alstublieft.’
De man verdween uit zicht. Ik voelde de trillingen van zijn voetstappen op het dek. Even schoot het door me heen dat hij zou proberen me af te schudden. Paniek kwam opzetten Toen stopte het ronken van de motor. Nu trok het water me de andere kant op. Mijn benen zwiepten onder me weg. Ik krabbelde verwoed langs de boeg, negeerde de splinters roest onder mijn nagels. Maar uiteindelijk moest ik loslaten. Ik trapte met mijn gezonde voet, zodat mijn hoofd weer door het oppervlak brak. Een grof geweven touw spetterde vlak naast mij, met een lus over mijn rechter arm. De man op het schip riep iets. Ik hoefde hem niet te verstaan om te begrijpen wat hij bedoelde. Met beide handen greep ik de kabel vast. Hij begon te trekken. Ik steeg op. Werd door het water losgelaten. Bereikte de reling. Voelde een hand onder mijn oksel en rolde het dek op. Het lukte me niet om overeind te blijven. Mijn voorhoofd bonkte op de metalen ondergrond.
‘Ze hebben je flink te pakken gehad,’ hoorde ik schuin boven me. De man klonk schor, alsof zijn stem net zo door de roest was aangetast als zijn schip. Ik draaide mijn nek, zodat ik met mijn wang op de grond lag, en stelde op hem scherp. Ik kon zijn leeftijd moeilijk schatten, maar hij leek ergens in de vijftig. Hij droeg een grijze broek die met een stevige riem bijeen werd gehouden en een glanzende plastic jas zonder mouwen, maar met capuchon. Onder zijn schouder hing een holster, maar ik zag geen wapen. Hij bekeek mij net zo kritisch als ik hem, zijn armen op zijn borst gekruist en ondertussen met duim en wijsvinger aan zijn kin pulkend. ‘Er is weinig over van je been. En ik zie ook gaten op je rug. Maar er zijn geen vitale onderdelen geraakt, anders was je niet zover gekomen.’
Ik onderzocht of ik energie genoeg had om te knikken, maar mijn reserves waren op. Ik had nauwelijks genoeg om mijn pink te bewegen. Het koste al moeite om naar de man op te blijven kijken. Even leek het alsof hij nog iets wilde zeggen. Toen schudde hij zijn hoofd. Hij stapte over mij heen. Ik hoorde het piepen van een deur die open ging. Vervolgens merkte ik het luide ploffen van een motor ergens beneden mij, de geur van biogas, gevolgd door de beweging van de stroperige lucht, terwijl het schip in beweging kwam. Ondertussen zoog ik als een spons de hitte van het dek in mij op. Hoewel de zon wat waterig was, had hij er al wel de hele dag op geschenen. Ik liet de warmte tot diep in mijn ledematen trekken.
Uiteindelijk probeerde ik opnieuw me te bewegen. Ik kon mezelf nu omhoog drukken, tot op mijn knieën. Voor me zag ik een stuurhut. Er zat geen glas meer in de ramen en ik hoorde mijn gastheer in zichzelf mompelen. Ik kroop naar voren en trok mezelf uiteindelijk overeind aan de deurpost. Zo kon ik over de reling van het schip kijken. Ik zag rijen kleine golfjes onder een glimmend vlies, het water vol grijze en bruine vlokken en geen spoor van leven. Roestende schoorstenen staken boven het oppervlak uit. Stellages van pijpen, half ingestort. De brug van een vrachtschip, met bovenop wat vergeeld gras, en in het raamkozijn een halfvergane vogel, met teer aan zijn veren. Onze boeggolf liet druppels opspatten tegen de obstakels, glinsterend als diamanten. Er was geen vloedlijn te zien, dus kennelijk stond het water nu op zijn hoogst. Bij eb zouden meer eilandjes van puin en roest droogvallen.
Toen ik een stap wilde zetten, begon mijn linker been te protesteren. Ik kon onmogelijk mijn gewicht erop laten rusten. Hinkend verplaatste ik me naar binnen, mijn kaken op elkaar geklemd. De vaart van de boot had voor een warme bries gezorgd, als een grote föhn. De oude man zat achter het stuurwiel op een stoel waarvan de bekleding grote slijtplekken vertoonde. Hij keek naar voren. Daar naderden de verdronken torens van Rotterdam, oprijzend naar de hemel. De meeste waren skeletten van staal of beton, op sommige waren nog vlakken van spiegelende ramen zichtbaar. We voeren voorbij een hoge pilaar, besmeurd met vuil. Ik zag in de verte een tweede zuil, rustend op twee benen, waar kabels vanaf hingen. Een gebouw rechts van ons was monolithisch zwart, en rees als een heerser boven de andere uit. Maar ook deze bleek aan de onderkant hol, open voor de zee, die haar golven gorgelend over een verlaten kantoorvloer liet rollen. Uit sommige gaten in de gebouwen groeiden struiken, of de ranken van een klimplant, maar de takken waren meestal dor, met slechts een paar levenskrachtige blaadjes. Behalve het kabbelen van het water was het in de stad bedrukkend stil als op een begraafplaats. Niets bewoog.
‘Je bent een taaie,’ zei de man plotseling. ‘Ik had niet gedacht dat je nog zou herstellen.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Hij wierp een blik over zijn schouder, zijn wenkbrauwen vragend opgetrokken. ‘Jouw soort komt gewoonlijk toch niet zo ver noordelijk?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik dacht het al,’ vervolgde hij, terwijl hij zich opnieuw op het roer richtte. ‘Zo snel stijgt de temperatuur nou ook weer niet. Dan ben je waarschijnlijk ontsnapt aan een van de reddingsploegen.’ Ik zag zijn schouders verstijven. ‘Ik wist dat ze ver gingen om kostbaarheden op te duiken, maar van slavernij had ik nog niet gehoord.’
‘Ik kom van het noorden,’ zei ik zacht. ‘De koepelstad.’
Met een ruk draaide hij zich om. De boot schokte. ‘Uit Amsterdam?’
Ik knikte.
‘Dan ben je …’ Hij aarzelde. Zijn blik gleed mijn lichaam langs, van boven naar beneden en weer terug. ‘Je zult in trek zijn geweest.’
‘Ze maakten me kapot,’ antwoordde ik.
Hij keek me aan, zijn blik donker. ‘Waar ze bang voor zijn, dat willen ze bezitten. Controleren.’
Ik knikte. Hij wist beter wat die mensen gedreven had, dan ik. De man moest iets in mijn gezicht hebben gelezen, want hij wees opzij naar een korte trap naar beneden en een houten deur. ‘In de kajuit kun je rusten. Ik zal kijken of ik ergens kan aanleggen.’
De zwakte had me bijna opnieuw overmand. Dankbaar daalde ik de treden af. Ik moest met mijn schouder de deur open duwen. In het vooronder brandde een kleine ledlamp, zonder kap. In het klinische licht zag ik tegen de wanden boeken achter plexiglas, sommige open met een gewicht op de bevlekte pagina’s, andere zorgvuldig in plastic gewikkeld. Stapels dossiermappen werden met trekkabels op hun plek gehouden en daartussen stonden juten zakken gevuld met vierkante spullen. Ik zag een bed met een opstaande rand, maar geen stoel of andere luxe. Het geluid van de motor was een ogenblik aangezwollen, maar nam nu weer af. Er klonken voetstappen, heen en weer, en vervolgens de trap af. Ik keek over mijn schouder.
De man fronste. ‘Dat je nog op je benen staat.’
‘Eén been,’ antwoordde ik. Mijn andere kon mijn gewicht nog steeds niet dragen.
Hij liep aan me voorbij en ging zelf op zijn bed zitten. Hij strekte zijn eigen been voor zich uit alsof hij spierpijn had. Vervolgens wreef hij over zijn voorhoofd, vlak boven zijn pluizige, grijze wenkbrauwen. ‘Ze zijn weer net zo kortzichtig,’ mompelde hij. Ik had het idee dat hij meer tegen zichzelf aan praatte dan tegen mij. ‘Eerst maar doorgaan met het stoken van brandstoffen en het kappen van bos. En niet stoppen, ook al werden ze gewaarschuwd. Bang dat een ander volk dan op ze vooruit ging lopen. Tot het evenwicht onherstelbaar was verstoord. En nu hetzelfde. Alsof de Aarde dadelijk weer zou kunnen afkoelen. Alsof we elk moment naar hier terug zouden kunnen. Alsof jullie geen recht hebben het in onze plaats te proberen.’
‘We zijn niet hetzelfde,’ zei ik.
‘En dat vinden ze niet eerlijk,’ antwoordde de man. ‘Niemand heeft hen gevraagd of jullie een goed idee waren.’ Hij keek op, vermoeid, zijn ogen diepe putten. ‘Ik wilde naar het noorden. Spitsbergen, Groenland, Siberië. Daar schijnt nog vruchtbare grond te wezen. Een vorm van beschaving.’
‘Dat zeiden ze in Amsterdam,’ fluisterde ik. ‘En ze lachten.’
‘Ik dacht al dat het weinig zin zou hebben.’ De schouders van de man bewogen als zuigers op en neer. Hij leek een beslissing te maken. ‘Vertel me waarmee ik je kan helpen.’
‘Ik heb weinig nodig. Schoon water. Koolstof. Sporenelementen.’
‘Je mag mijn kombuis plunderen.’
Ik zwaaide met het schip heen en weer. Mijn kapotte been protesteerde, maar ik behield mijn evenwicht. Het voorhoofd van mijn gastheer rimpelde. ‘Ik had gehoord dat jullie jezelf konden herstellen. Maar niet dat het zo snel kon gaan. Geen wonder dat ze zich bedreigd voelen.’ Zijn gezicht verstrakte. Ik zag zijn lippen bewegen. ‘Je kunt je verwondingen niet in Amsterdam hebben opgelopen,’ concludeerde hij na een paar seconden. ‘Dan zou je nu al wel weer heel zijn. Het is dichterbij gebeurd. Ze hebben je achtervolgd.’
Ik bleef hem aankijken. ‘Misschien hebben ze het opgegeven.’
“Dat doen ze niet zo snel.” Hij klemde zijn kaken opeen en duwde zichzelf overeind. Het was alsof hij zich door een kleverige barrière moest duwen. Kleine druppels glinsterden op zijn voorhoofd. ‘Ik ga naar boven. Pak jij ondertussen wat je nodig hebt. Ik heb plastic tassen genoeg.’
De kombuis was klein en ik moest me voorover buigen. Een paar blikken zonder labels, met de inhoud er met viltstift op geschreven. Kannen met water, met een zweempje geur van desinfectiemiddelen. Bladen gedroogd zeewier. Het zou me weer even verder helpen. Ik propte alles in een tas met bruine plekken – kennelijk ooit uit de zee gevist. Voetstappen naar voren en naar achteren over de lengte van het schip. Steeds sneller. De deur van de stuurhut klapperde. Toen klonk zijn stem van boven bij de trap. ‘Je moet je haasten.’
De klim omhoog was moeilijk, met één hand vol, en de andere op de touwleuning. De man pakte me bij mijn arm en hielp me de laatste treden op. In de holster onder zijn oksel zag ik de kolf van een pistool. Hij beet op zijn onderlip. ‘Je kunt jezelf nog niet redden, zo te zien.’
Ik schudde mijn hoofd, zelf ook teleurgesteld. Maar het zou niet lang meer duren. Hinkend volgde ik hem het dek op. We lagen in de schaduw van een torenflat, maar toch voelde het duidelijk warmer dan in het vooronder. Stof dwarrelde uit de lege raamopeningen op ons neer. Mijn gastheer kuchte. Hij wees over zee, tussen twee andere skeletten van gebouwen door. ‘Ik zag zo-even drie boten voorbijkomen.’ Hij praatte snel, terwijl zijn ogen onrustig de horizon afzochten. ‘Ze hebben ons niet gezien. Maar als ze dadelijk terugvaren, zullen ze wel beter kijken.’
‘Ik wilde je niet in gevaar brengen,’ merkte ik op. Ik liet mijn schouders hangen.
De man wuifde met zijn hand. ‘Ik heb je zelf aan boord gehaald. Terwijl ik eigenlijk alles hier achter wilde laten. Dat krijg je ervan. Heb je voldoende om het te kunnen redden?’
Ik wees naar de tas. Hij klopte me op mijn schouder, behoorlijk hard. ‘Dan is het tijd om van boord te gaan.’
‘Hier?’ Ik keek omhoog. De flat leek boven ons over te hangen, alsof hij elk moment voorover kon storten en ons begraven. Waar ik vandaan kwam bouwden we niet zo hoog. We leefden onder de open hemel, badend in de zon, onze voeten in het water. Geen zorgen. De ruïnes van de steden –bakkend in de zon- vermeden we liever.
De man knikte. Hij pulkte weer aan zijn baard en liet zijn blik van mij afdwalen naar het water. Het middaglicht schiep rode en blauwe glimmers op de golven. Was er een zwarte spikkel zichtbaar, die zich langzaam leek voort te bewegen? ‘Het is zo ver.’
Een van de lege ramen bevond zich op onze hoogte. In de sponning hingen nog twee glaspunten, maar de rest was helemaal weggebroken. Binnen zag ik bleke mossen wuiven in de golven van de wind. Er stonden archiefkasten, twee tafels waarvan het tafelblad was ingezakt en een kantoorstoel op zijn kant, de zitting grijs van het stof. Ik leunde naar voren en zette mijn handen op het kozijn. Een golf deed het schip onder mij bewegen. Ik zette me af. Eerst ging mijn bovenlichaam naar binnen. Mijn gezonde voet trapte nog tegen de reling van het schip. Vervolgens gleed ik verder, mijn gewonde been schokkend en trillend. Ik viel op mijn schouder en maakte een halve koprol. Ik klemde mijn kaken op elkaar om te voorkomen dat ik zou schreeuwen.
Moeizaam duwde ik mezelf overeind en met mijn vrije hand veegde ik het vuil van mijn lichaam. Toen ik opkeek, zag ik mijn gastheer niet meer. De motor van de boot sloeg aan en het dek begon te verschuiven. Eerst langzaam, maar al snel zag ik de achtersteven en het tot schuim gemalen water. Ik stak mijn hoofd naar buiten. Door het achterste raam van de stuurhut kon ik het silhouet van de oude man onderscheiden. Hij keek niet meer om. Het schip begon te draaien, met de neus naar de twee gebouwen toe. Daar tussenin waren nu duidelijk drie snel naderende boten te zien, met erachter een mist met regenbogen. Mijn gastheer voer hen tegemoet.
Signalen uit mijn vingers maakten me ervan bewust dat ik het kozijn wel heel stevig omklemde. Alleen met bewuste aandacht kon ik ze losmaken. Ik dwong mezelf achteruit te lopen, de duisternis van de ruïne in. De mechanische geluiden van buiten vervaagden. Ik hoorde alleen het klotsen van water van de verdieping onder mij.
Nog verder trok ik mij terug, bij het raam vandaan. Er klonk een knal, die echode tussen de torens. Nog een. Ik hield me stil. Luisterde, maar hoorde niets meer. Er waren drie schepen naar me op zoek geweest. Kwam de derde nu mijn kant uit? Of had hij genoeg aan een boot met boeken en mappen? Ik tastte achter me. Een deurklink. Voorzichtig duwde ik de deur open, zorgend dat ik geen geluid maakte. Van achter mij viel licht genoeg om de wit betegelde ruimte te kunnen onderscheiden. Een prullenbak met stof op het deksel. Een drooggevallen toiletpot. En een spiegel.
En daarin zag ik mezelf. Mijn gezicht was androgyn, zonder rimpels, de kin glad. Mijn ogen waren wijd open en knipperden niet. Mijn huid was groen en glom als kunststof, mijn haar was dik en golvend. Ik stond rechtop als een standbeeld, zonder enige trilling, zelfs mijn borst volledig stil. Ik was een androïde. Gemaakt met de meest hoogstaande biotechnologie van voor de overstromingen. In staat om warmte en zonlicht om te zetten in energie en beschadigingen aan het eigen lichaam te herstellen. Niet gevoelig voor straling, hitte of vervuiling, en nooit ziek. Voorzien van een brein met de mogelijkheid zichzelf te kopiëren en dus een eigen, onafhankelijke vorm van leven. Ik trok de deur achter me dicht en het beeld in de spiegel verdween. Ik was opnieuw alleen met mezelf.
Onder de wasbak zakte ik door mijn hurken. Ik schoof mijn tas onder mijn knieën en maakte me vervolgens klein, met mijn handen op mijn achterhoofd. Ik wachtte af wat er ging gebeuren.