Jasper Polane- Cyberstaadt deel 3, kort verhaal.

CYBERSTAADT
door Jasper Polane

III. In de Donderarena
Het geruis van stemmen klonk door de gangen, lang voordat ze de arena bereikt hadden. De tegels op de vloer en het metselwerk van de muren maakten plaats voor ruw natuursteen en de gang werd de galerij van een grot. De wanden waren verstopt onder lagen graffiti, kleurrijk en nietszeggend, kreten en namen.
‘Dit ben ik,’ zei Punkie. Ze legde haar hand op een onleesbaar woord. ‘Als je wint mag jouw tag erbij. Extra glans!’
‘En als ik verlies?’ vroeg Edison.
‘De dooien staan daar.’ Bonzer wees naar de tegenoverliggende muur. ‘Daar zet ik je bij op.’
‘De baas zelf,’ zei Punkie vol ontzag. ‘Dat heeft eer! Megaglans!’
Ze stapten het enorme lawaai in, ontelbare stemmen die door de enorme grot galmden. De ingang lag bovenin de ruimte en keek van bovenaf op de Donderarena: een circuspiste met zand, overkoepeld met een ijzeren geraamte van staven en kippengaas. Scherpe metalen bladen staken op regelmatige afstand naar buiten als zwaarden. De schuin oplopende stenen wanden rondom de kooi waren bezet door een publiek van punkers, hun gekleurde haren een golvende lapjesdeken van zuurstok- en neontinten.
Het bericht over een nieuwe kampioen was niet alleen bij de Rovers aangekomen. Terwijl Edison de trap afdaalde kreeg ze de indruk dat alle ogen op haar gericht waren. Bendeleden aan weerszijden van de trap riepen haar toe: ‘Sta op, zus!’ en ‘Sta recht!’
Punkie had haar flink onder handen genomen. Ze had een blauwe spuitbus in haar haren leeggespoten en haar gezicht met zwarte oogschaduw en lippenstift bewerkt. Edison droeg een zwaar leren jack en een spijkerbroek zonder pijpen, met daaronder een paar van Punkie’s gescheurde kousen. Haar eigen laarzen waren glitter genoeg bevonden, maar hadden met de spuitbus een fluorescerend kleurtje gekregen.
Toen ze beneden kwamen vroeg Punkie: ‘Wat is je plan, zus?’
‘Ga je de Zwarte Rune mollen?’ vroeg Bonzer.
‘Als het meezit is dat niet nodig.’ Edison haalde de schakelaar van haar paraprojector om. Het apparaat sprong met een luid gezoem tot leven. Een ster van groene ethergie verscheen in de matrijs op haar borst. Ze draaide aan de knoppen om het gewicht van haar en Rune in te stellen. Hopelijk had hij hetzelfde postuur als de Rune die ze gekend had. ‘Ik hoef alleen bij hem in de buurt te komen en dit ding te activeren.’
‘Puike cyber!’ riep Punkie, enthousiast als altijd. ‘En dan gaan jij én Rune terug naar de toekomst?’
‘Zoiets, ja,’ zei Edison met een glimlach. Ze had Punkie gisteravond proberen uit te leggen waar ze vandaan kwam en hoewel het een slimme meid was, waren alternatieve werelden voor haar geen vanzelfsprekendheid. Tijdreizen begreep ze beter.
‘En als jullie foetsie zijn zullen de secondanten moeten opstaan,’ zei Bonzer. ‘Ik en Zwerker dus. Hij is een eitje.’
‘Zachtgekookt,’ bevestigde Punkie.
Edison probeerde door de tralies van de kooi naar de andere kant te kijken, maar ze kon Rune niet ontwaren.
Er klonk een toeter en ergens schreeuwde een man door een megafoon: ‘Het is tijd! De Duivels en de Rovers zullen strijden om de westgrens! De megakampioen tegen een groentje. Dit wordt glitter!’
Het applaus zwol aan tot een oorverdovend kabaal.
‘Oké, daar ga ik,’ zei Edison.
Punkie duwde een zaklamp in haar hand. In haar eigen wereld was deze grot waarschijnlijk donker en ze zou het licht hardnodig hebben. Punkie had haar een routebeschrijving naar buiten gegeven; hopelijk zou die in die andere versie begaanbaar zijn.
‘Zie ik je nog eens?’ vroeg Punkie.
Edison schonk haar een zonnige glimlach. ‘Ik kom terug.’
Ze stapte de arena in en het lawaai leek naar de achtergrond te verdwijnen. Ze had een heet gevoel in haar maag. De Rune die zij gekend had was verdwenen, meegenomen door de heraut van de Vorstin. Dat gebeurde in een ondergrondse kamer net als deze.
Zou ze hem herkennen? Hoe zou hij eruitzien? Wat voor man zou het zijn? Zou ze hem net zo aantrekkelijk vinden?
Nee dus.
De man die de kooi binnenstapte was Rune’s dubbelaar, daar was geen twijfel over mogelijk, maar hij zag er niet uit. Zijn wangen waren ingevallen en hij had donkere wallen onder zijn ogen. Zijn hoofd was voor de helft geschoren. De haren aan de andere kant waren lang en pikzwart geverfd. Zijn brede grijns miste een paar tanden. Het resultaat van heroïnegebruik, vermoedelijk.
Oké, niet aantrekkelijk. Mooi, dan kon ze zich beter op de missie concentreren. Hem grijpen en naar de Alixwereld duiken.
‘Je gaat eraan, zus,’ zei Rune. Hij knipte zijn stiletto open. ‘Denk niet dat ik me inhoud omdat je een kippetje bent!’
Edison flipte haar vlindermes open. Ze kon aan zijn houding zien dat hij gevechtstraining had gehad. Misschien had hij in het leger gezeten. Rune kon in ieder geval beter met dat mes omgaan dan de snotjongens die ze gisteren een lesje had geleerd. Ze zou vooral buiten zijn bereik moeten proberen te blijven en hopen dat hij een gat in zijn verdediging zou laten vallen.
Plotseling klonken er schoten. Het geratel van mitrailleurvuur. Applaus veranderde in geschreeuw. Angst en pijn.
Rune keek verbluft om.
Dit was haar kans. Hem nu vastgrijpen en de paraprojector activeren. Edison deed een stap naar voren en strekte haar arm uit.
‘Vredestichters!’ riep de Zwarte Rune boven het lawaai uit. ‘Ervandoor!’
Edison negeerde het lawaai, het geschreeuw, de mitrailleurschoten. Ze legde haar hand op zijn arm. Haar andere hand ging naar de knop.
‘Vlucht! Wegwezen, zus!’ riep Punkie achter haar. ‘Auw!’
Edison vloekte en draaide zich om. Punkie was de kooi in gerend en gestruikeld. Ze lag op haar buik in het zand en probeerde wanhopig weg te kruipen van het ding achter haar: een geraamte van metaal, met een sadistische grijns blinkende tanden en rode lichtgevende ogen. De vredestichter kwam met de stijve schokken van een robot de kooi in. Op zijn rechterarm was een roterend machinegeweer gemonteerd. Dat richtte hij op Punkie.
Edison aarzelde geen moment. Het was de Zwarte Rune of Punkie.
Ze dook naar de jonge vrouw met het roze haar. ‘Pak mijn hand!’
Overal om hen heen klonk geschreeuw. Pinkie stak haar hand uit. Er kwam geklik bij de robot achter haar vandaan. Edisons hand zocht de knop. Het geklik werd geratel toen het machineweer begon te vuren. Ze greep Pinkie en dook.
De Donderarena vervaagde en werd zwart.
*
De wereld bleef zwart. De grot was in deze wereld pikdonker. Het was er ook doodstil, totdat Punkie naast haar begon over te geven.
‘De misselijkheid duurt maar even,’ zei Edison. ‘Totdat je lichaam gewend is aan deze werkelijkheid.’
‘Drek, wat goor!’ Punkie spuugde een paar keer op de grond. ‘Wat was dat?’
‘Ik moest je meenemen naar mijn wereld.’ Edison knipte haar zaklamp aan en scheen de jonge vrouw in het bleke gezicht. ‘Anders had die robot je gedood.’
‘Het waren vredestichters,’ zei Punkie. ‘Cyborgs, gemaakt om te mollen. Uitroeiers.’
‘Ik denk dat niet veel van je vrienden het overleefd zullen hebben,’ zei Edison. ‘Het spijt me.’
Punkie haalde stoer haar schouders op, maar er stonden tranen in haar ogen. ‘Kan ik terug?’
‘Zodra de paraprojector is opgeladen, als je dat wilt.’ Edison stond op en scheen met de zaklamp in het rond. ‘Je kunt ook blijven. Misschien bevalt het je hier.’
Punkie knikte. ‘Mijn gangsters zijn dooien, gemold door de vredestichters. Ik heb niks om naar terug te gaan. Ik ben solo.’
Edison nam haar hand. ‘Hier niet. Hier ben ik er.’
‘Puik.’

EINDE

Advertenties

Voor mijn verjaardag: Grafzerken – Anthonie Holslag

Wat ontzettend gaaf… Een horror verhaal krijgen voor je verjaardag…. Met je grootste fobie erin verwerkt: grafkisten. Hier wordt je gegarandeerd claustrofobisch van. Ik kreeg letterlijk de kriebels en begon de paniek te voelen… Ook de soundtrack is geweldig. Mijn soort muziek. En heel erg toepasselijk.

Ik ben mega blij met dit originele verjaardagscadeau! #wow.

Huiveren jullie met me mee?

Grafkzerken
(Voor Tazzy en voor haar verjaardag)

Het begon eigenlijk allemaal als een grap. Iemand had iets op YouTube gezien, van iemand die het weer op YouTube gezien had etc. Het heette: “Gekke en enge dingen”. Zo sprongen mensen van hoge muren en gebouwen of namen een slok shampoo (die vaak niet verder gleed dan je ademsappel, want dan reageert je lichaam onmiddellijk en kots je de boel uit) en een spel “Truth or dare”. Dan mocht je tegen de mensen in je vriendenkring openlijk een truth of dare geven. Het meest tragische dat ik heb gezien dat iemand op YouTube had geplaatst, dat inmiddels door drie miljoen mensen was bekeken, was een meisje huilend tegen de camera die onder Truth moest opbiechten tegen haar vriendje dat ze op zijn feestje, zwaar beneveld en dronken, een trio met twee van zijn vrienden had gehad. Ik herinner me haar opgepofte ogen en de snottebel die uit haar neus stroomde. De vraag was geweest of ze ooit tijdens de relatie seks met anderen had gehad. En dit was haar antwoord. Het ging viral zoals ze dat noemden. Het was op Twitter te zien, op Facebook, op Reddit en zelf een aantal uren op LinkedIn. Voordat de moderators het hadden verwijderd. Het was triest om te zien, maar ook vermakelijk. Er waren zelfs hashtags: #the bitch and her other two friends. #diepgaande vriendschappen of, en die ik het meest vermakelijke vond, #de meest pijnlijke biecht van haar leven. Haar vriend had ook een filmpje gemaakt. Hij had in de camera gestaard, zijn ogen rood. Zijn lippen trilde. “Fuck you” was het enige dat eruit kwam. Het had 500 000 hits. Ik had het met haar te doen. Ik had het met ze allemaal te doen. Ook met een jongen die met een skateboard, op basis van een dare, de leuning van een trap afging, viel en met zijn ballen op de reling kwam. Hij gilde en kronkelde toen hij op de grond viel. Peter echter, de oudste van ons groepje; hij was zestien en we keken allemaal tegen hem op, had het idee gevat om ook een dare te doen.
‘We gaan iemand levend begraven,’ zei hij. We keken hem allemaal verbaasd aan. ‘Ja, we gaan iemand levend begraven en filmen het op YouTube en worden wereldberoemd.’ Eigenlijk vonden we het allemaal niks, maar Peter was de oudste en wijste en we waren ervan overtuigd dat hij wel wist waar hij het over had. We leefden in een tijdperk waarin je beroemd kon worden in enkele minuten. As je filmpje goed was en zelfs mensen in China of Australië het konden zien. We leefden meer in de mobiel dan daarbuiten.
‘Lijkt jullie dat een goed idee?’ Iedereen was bang, maar we wilden ons groot houden en ons niet laten kennen richting Peter. Hij kon boos worden als hij zijn zin niet kreeg. En niemand wilde een watje zijn vooral niet voor hem.
‘Ok,’ zei hij opgewonden. ‘Ik ga lootjes maken.’ En hij verdween in de bijkeuken. Er ging haast een zucht van verlichting door de groep. Ik was bang voor kleine ruimtes. Ik herinner me dat ik met mijn twee oudere broers ooit een spel speelde. We legden een matras op de grond en sprongen van de stapelbed af. Op een gegeven moment, het moest ergens tussen de twaalfde sprong zijn, zei mijn oudste broer die dezelfde temperament als Peter had : “We moeten het spannender maken. Johan als jij als eerste onder de matras gaat dan gaan wij springen. Mijn mond werd droog, terwijl de rest van mijn lichaam zweette. “Daarna is Roggie,” (afkorting van Rogier, zoals ik wel eens “Jo” werd genoemd) en dan ik”.
“Is dit wel verstandig,” zei ik. “Het klinkt gevaarlijk.” Ik keek naar het gezicht van Roggie en wist dat hij hetzelfde dacht.
“Tuurlijk, maar de matras vangt de klap op.”
Ik moest plotseling aan iets anders denken. Hij was 18, had zijn rijbewijs en was racend naar een feestje gegaan. Op de terugweg, zo zei de agent, was hij uit de bocht gevlogen. “Hij had waarschijnlijk gedronken.”, zei de agent. Natuurlijk was hij dronken. Welke 18 jarige zou zich niet klem drinken als het erop aankwam? Het meisje die hij meehad had het overleefd. Ze had verteld dat hij tegen een boom aan knalde, en dat de luchtkussens zich openvouwden, maar dat zijn luchtkussen opgeblazen bleef, zodat hij door de witte stof stikte. Mijn moeder huilde. Mijn vader probeerde haar te troosten, maar leek plotseling klein en fragiel. Roggie en ik keken elkaar slechts aan. Het deed me aan die middag van de matras denken. De eerste sprong was Roggie. Hij sprong, maar hij sprong zo dat ik hem niet voelde. Toen sprong mijn oudere broer. Hij nam een duik, kwam geheel op me terecht. Het witte stof duwde tegen mijn gezicht. Mijn hoofd, armen en benen deden pijn en dat witte stof verstikte me. Ik had het benauwd. Ik wilde gillen, maar er kwam niets. Toen verloor ik mijn bewust zijn. Het was eng, doodeng. Later hoorde ik van Roggie dat het gezicht van mijn oudere broer asgrauw was, terwijl hij mond op mond beademing deed. Ik overleefde het. Kantje boord. Maar ik wist wat Roggie dacht: wie was er voor mijn broer geweest? Hij zou gevochten hebben tegen het kussen. Klauwend. Slaan. Totdat zijn krachten verslapte en ook hij zijn bewustzijn verloor. Maar voor hem was er niemand. Het meisje was te hysterisch. Er was niemand in de buurt, terwijl hij daar stikte. Starend naar het eeuwige wit.
Ik heb hem nog gezien bij de opbaring. Mijn ouders waren er tegen, maar ik wilde hem zien. Hij lag daar in een bruine kist in zijn beste pak. Met stropdas en alles. (En hij had een hekel aan stropdassen.) Maar na de dood maakte dit niets meer uit. Als je goed keek, ook al waren zijn ogen gesloten, zag je dat de ballen van de ogen iets naar voren staken. Hij had zo hard gegild dat zijn ogen bijna uit zijn kassen popten. Een schreeuw die door de kussen onverstaanbaar was.
Het meisje was ook in de kerk. Ze had een gebroken been en hinkte met twee krukken. Ze bleef tijdens de ceremonie maar snotteren en huilen. Ik kon niet huilen in het openbaar. Dus liep ik naar haar toe en troostte haar.
Peter kwam enthousiast uit de keuken. Hij glimlachte, was blij. Hoopte waarschijnlijk beroemd te worden op YouTube. (Dat werd hij ook trouwens en ik ook, maar niet voor de reden dat we dachten.)
‘Ik heb vijf lootjes. Één is de kortste, wie aan deze trekt gaat de kist in.’
De eerste trok, de tweede trok en toen was ik aan de beurt. En ik had uiteraard mijn typische vorm van geluk: ik trok de kortste.
‘Daar ga je Jo,’ bulderden ze van het lachen. Ja, daar ging ik. Weer precies mijn domme geluk.
We kozen een datum en een vrijdag, weer een teken van geluk: het was vrijdag de dertiende. Ik zag mijn broer weer in de kist en mijn ouders, die allebei in drie dagen zoveel kilo’s hadden verloren. De kleding leek te groot voor hen. Mijn moeder had een verpulverde zakdoek in haar hand. Ze drukten elkaars hoofd tegen elkaar aan, terwijl mijn vaders arm slapjes op de schouder van mijn moeder lag.
Ik huilde nog steeds niet. Ik huilde pas toen ik in de slaapkamer zat en naar dat stomme stapelbed keek. Hij lag altijd op de bovenste. Deze was netjes opgemaakt, alsof hij ieder moment kon terugkomen. Toen huilde ik, toen niemand me kon zien. Ik gooide het bed opzettelijk door de war; zoals hij het altijd achterliet en keek voor het eerst vanuit zijn gezichtspunt naar onze achtertuin. Naar de boom die daar stond. Waar we onze boomhut hadden gebouwd. Ik zag het door een prisma van druppels. Het regende. Loodrechte stralen waardoor de tuin een zilveren kleur kreeg. Sommige druppels beleven aan de ramen plakken. “Waarom reed je zo hard!” schreeuwde ik. Ik wist dat iedereen me kon horen. Roggie die met mijn vader in de huiskamer zat en zonder veel plezier schaakten. En mijn moeder die met een valiumpje op bed lag.
“Waarom moest je zo hard rijden,” huilde ik. “Waarom? Waarom? Waarom moest je dood…”
Op vrijdag de dertiende verzamelde we ons bij het huis van Peter. Er hing een soort elektrische spanning in de lucht. Als we de televisie hadden aangedaan was het allemaal anders gelopen. Dan hadden we de chaos gezien die zich in de grote steden voltrok. Maar net zoals dat stapelbed en stomme luchtkussen; het leven liep als een zijdendraadje door alles heen. Als mijn broer niet had gesprongen, had ik geen last van claustrofobie gehad. Als mijn broer niet had gedronken was hij niet gestikt in dat stomme luchtkussen dat hem moest redden.
Zijden draden van actie en reactie.
We stonden met een schop in de hand in Peters tuin.
‘Vinden je ouders het niet erg als we een gat in een tuin gaan graven?’ vroeg één van mijn vrienden. Hij klonk angstig. Peter haalde zijn schouders op.
‘Ze zijn toch weg, dus wie kan het bommen?’
Ik keek naar de provisorische kist die Peter de afgelopen weken had gemaakt. Hij had me opgemeten en alles en nu ik er naar keek, zag ik hoe gammel het was.
De anderen waren aan het scheppen en er begon al een flinke gat in de tuin te ontstaan.
‘Houdt die kist de aarde wel?’ vroeg ik.
‘Tuurlijk,’ zei hij. ‘Het is onbewerkt hout en het kan lichtelijk buigen en daardoor veel gewicht hebben.’
Hij zei het allemaal geruststellend, maar ik voelde de angst hoe meer en des te groter opkomen. Ik dacht aan het matras. Ik hield niet van kleine ruimtes. Vooral niet als deze donker waren.
Mijn vrienden stapten uit het graf. Het was gelukkig zomer en dat was misschien ook wel de reden waarom we het deden. De zomervakantie was saai. Het was snikheet en we verveelden ons kapot. De kist werd zonder deksel in de grond gelaten en ik weet nog goed dat ik naar het gat keek en met alle zekerheid wist dat ik gek was.
Ik dacht weer aan mijn broer en hoe zijn glanzende bruine kist de grond inzakte.
‘Wil de levende dode het graf ingaan,’ zei Peter op een plechtige manier. Ik gromde iets en ging met mijn korte broek in dat houten kist liggen.
‘Op deze dag,’ zei mijn vriend plechtig, terwijl een andere vriend hem filmde. Hij had zelfs een bijbel in zijn hand. ‘ Zullen we onze vriend Johan Dekker ter aarde leggen.’ Mijn andere vrienden stonden als een kring om het graf heen. Sommigen grinnikten.
‘Hij was een goede jongen, onze Dekker, en met een bezwaard hart liggen we hem nu ook te rustte.’ Sommigen begonnen te schateren. ‘Zodat hij in vrede verder kan gaan.’ Ik moest niet lachen. Daar in de kist, dacht ik aan mijn broer. En toen kwam het moment dat ik het meest vreesde. Ze pakten de deksel, keken, lachend en grijnzend naar beneden en legde de deksel in “mijn graf”.
Het was meteen donker.
‘Niet langer dan een uur,’ schreeuwde ik nog, terwijl ook de laatste kier zich sloot. Ik hoorde iemand op de deksel springen. Het hout bewoog inderdaad mee en zag hoe iemand met spijkers de deksel dichtsloeg. Dat hadden we niet afgesproken en sloeg met mijn gebalde vuisten tegen het hout. ‘Geen spijkers,’ schreeuwde ik. Maar ze luisterden niet of wilde me niet horen. Het werden tien spijkers in totaal. Toen ging de jongen van de kist. (Om onverklaarbare redenen dacht ik dat het Peter zelf was.) Op de achtergrond hoorde ik iemand schreeuwen: ‘Draait de camera al?’ Het werd ongetwijfeld met een knik bevestigd, want ik hoorde daarna als een nieuwslezer zeggen: ‘Op deze mooie vrijdag avond, de dertiende wel te verstaan, gaan we onze vriend Johan Dekker begraven. Over een uur halen we hem eruit.’ Terwijl Peter dat op de meest zakelijke toon zei, hoorde ik hoe mijn andere vrienden, nog steeds lachend, aarde op de kist smeten. Smak. Smak. Smak. En met iedere knal werd het donkerder en leek de lucht in de kist dichter en stroperig te worden. Dit was nog erger dan de matras. Die was wit geweest. Dat had op daglicht geleken. Ik legde mijn hand op het hout, zodat ik wist dat er een afstand was, tussen mij en de deksel. Op een gegeven moment hoorde ik geen smak meer, omdat er nu aarde op aarde werd gegooid. Wel hoorde ik de kist piepen en klagen en voelde ik dat het hout inderdaad naar beneden boog. Wat zou er gebeuren, vroeg ik me af, als het hout brak. Dan zou de aarde op me afkomen en ik besefte dat als de kist in het midden brak en het hout dus op mijn middel viel, ik geen enkele kans had om naar boven te komen. De stemmen klonken steeds meer gemoffeld. Ik kon het wel verstaan, maar het klonk verder weg.
Ik bonsde met mijn handen tegen het hout en schreeuwde: ‘Ik wil hier weg.’ Maar ze hoorden me niet. Met stampende laarzen werd de aarde plat gedrukt. Compacter gemaakt. Ik wist dat ze me niet meer konden horen. Ik kon hun vreemd genoeg wel horen. Wat misschien logisch was, want in de kist, in de binnenkant was het muisstil, terwijl er buiten heel veel andere geluiden waren die mijn stem deed verdrinken.
Had mijn broer het ook zo ervaren. Hij had geschopt en geklauwd, maar had hij ook iets gehoord?
Ik begon te hyperventileren. De lucht was zo dik. Ik wist dat ik dat niet moest doen. Dat het zuurstof, wat ik zeer zeker nodig had, zou verspillen. Dus deed ik wat een dokter me ooit had geleerd. Vooral omdat ik als kind paniekaanvallen kreeg als ik in een lift zat of als de auto door een tunnel heen reed. Allemaal sinds die verdomde matras. De gedachte dat er honderden kubieke meters water boven me was en duizenden auto’s in de tunnel reden, maakte me altijd ontzettend angstig, Tunnels waren eng. Liften waren eng. Matrassen en kisten ook. Een teug ademhalen, acht seconden wachten, (1… 2… 3… 4… 5… 6… 7… 8…) uitademen, weer acht seconden wachten en weer inademen, Het leek te helpen. Ik werd rustiger, maar ook warmer. Daar was ik enigszins op voorbereid. Daarom had ik een korte broek aan. Maar het was niet afdoende. Mijn lichaamswarmte maakte van de kist een broeikast. En omdat ik niets kon zien, namen andere zintuigen, zoals gevoel (ik voelde iedere splinter van het onafgewerkte hout in mijn dijen en rug prikken) en mijn gehoor toe. Iemand deed een radio aan. Dat was goed. Daar kon ik me op concentreren. Hoelang duurde een nummer gemiddeld? Vier minuten? Dat betekende dat ik maar vijftien liedjes hoefde te luisteren en dan was het uur om. Dus ik sloot mijn ogen, luisterde naar de muziek en probeerde de kilo’s aarde boven me te negeren. Ik hoorde het nummer November Rain van Guns and Roses, waar ik vreemd genoeg nog alle teksten van kende, gevolgd door Black van Pearl Jam. Dit was goed nieuws, want deze waren langer dan vier minuten, wat de gemiddelde van vijftien nummers naar beneden drukte. Het volgende nummer was Shaftesbury Hill van Peter Gabriel. Het was duidelijk dat iemand, ongetwijfeld Peter, de radio op een rockzender had gezet. Had mijn broer ook naar muziek geluisterd als hij zo snel reed. Het volgende nummer was dan ook Enter Sandman van Metallica. Het was tijdens dit nummer, tijdens het refrein dat ik de ambulance hoorde. Ik hoopte stiekem dat één van de buren de politie had gebeld.
Exit, light
Enter, night
Take my hand
We’re off to never-never land
Ik zong het bijna opgetogen mee, terwijl de sirenen ons loeiend naderde en ons toen voorbij reed. Wat eerst een opluchting was, werd nu angst en zonk letterlijk als een stuk steen naar mijn sokken. Tenminste als ik sokken aanhad. Ik had een vreemd voorgevoel. Mijn voeten lagen bloot tegen het hout. En ik begon het plotseling koud te krijgen.
Somethings wrong, shut the light
Heavy thoughts tonight
And they aren’t of Snow White
Dreams of war, dreams of liars
Dreams of dragon’s fire
And of things that will bite
Ik vroeg me opeens af of er zich al ongedierte in mijn kist bevond. En met deze gedachte voelde ik overal jeuk. Ik begon onbedoeld weer te hyperventileren. Terwijl ik mijn mobiel pakte en het licht aandeed. Het licht ging maar vijf seconden aan. Misschien verbeeldde ik het me. Maar al mijn benen en voeten waren zwart van regenwormen, kevers, kakkerlakken. Het licht verdween. Ik drukte snel op een toets en zag mijn vertrouwde benen weer.
Now I lay me down to sleep
Now I lay me down to sleep
I pray the Lord my soul to keep
I pray the Lord my soul to keep
If I die before I wake
If I die before I wake
I pray the lord my soul to take
I pray…
Het nummer ebde weg, maar werd opgevolgd door een ander nummer, dat ik op dat moment helemaal niet wilde horen. Lullaby van The Cure. Mijn adem werd nog zwaarder.
On candy stripe legs the Spiderman comes
Softly through the shadow of the evening sun
Stealing past the windows of the blissfully dead
Looking for the victim shivering in bed
Searching out fear in the gathering gloom and
Suddenly
A movement in the corner of the room
And there is nothing I can do
When I realize with fright
That the Spiderman is having me for dinner tonight
En ik voelde ook spinnen op dat moment. Ik voelde overal spinnen. En ik kon ze voor me zien. Zes kleine puntige pootjes, met gulzige kaken, die op zoek waren naar een zacht stukje vlees.
And I feel like I’m being eaten
By a thousand million shivering furry holes
And I know that in the morning I will wake up
In the shivering cold
For the Spiderman is always…
Hungry…
Er kwam weer een ambulance voorbij en dit keer hoorde ik Peter duidelijk zeggen ‘Wat is daar verdomme aan de hand? Ze verpesten onze film.’
‘Waar?’
‘Aan het einde van de straat. Er staan twee ambulances en drie politieauto’s.’ En op dat moment hoorden we de schoten.
Ik dacht weer aan mijn broer en de luchtkussen die mijn broer had proberen open te klauwen.
Ik kreeg plotseling een kil gevoel. Alsof iemand een bak ijswater over me heen gooide. Ik wist dat er iets fout was. Ik wist niet wat, maar ik kreeg een heel naar gevoel. Terwijl ik gevangen zat in deze nare kist. Op de radio kwamen de eerste akkoorden van Fear the Reaper van Blue Oyster Cult. Ook dat nog, dacht ik.
‘Wie gaat er kijken?’ vroeg iemand.
‘Ik niet… Bekijk het even.’
‘Gewoon een gijzeling ofzo,’ maar de persoon die het zei klonk zeer onzeker.
‘Ok, ik ga wel,’ zuchtte Peter. ‘Stelletje mietjes? Letten jullie op de tijd. We hebben nog 40 minuten.’
40 minuten, dacht ik. 40 godverdomde minuten. De paniek sloeg zich onmiddellijk om me heen.
All our times have come
Here but now they’re gone
Seasons don’t fear the reaper
Nor do the wind, the sun or the rain, we can be like they are
Come on baby, don’t fear the reaper
Baby take my hand, don’t fear the reaper
Er waren nog meer schoten. Ik hoorde zelfs geschreeuw. Ik begreep dat het een politieagent was. ‘Hij heeft me gebeten, hij heeft me verdomme gebeten…,’ gevolgd door een gorgelend geluid alsof hij stikte in zijn eigen bloed. Er kwamen meer schoten en één agent hoorde ik roepen: ‘Waarom vallen ze niet neer?’
Valentine is done
Here but now they’re gone
‘Jongen, jongen,’ schreeuwde een agent, en ik wist dat hij Peter bedoelde. ‘Ga uit de weg. Ren. Hij komt recht op je af.’
Op dat moment werd het nummer op de radio gewelddadig onderbroken.
Dit is een noodoproep van de overheid. We weten nog niet zeker wat er aan de hand is, maar we willen iedereen adviseren binnen te blijven en de ramen en de deuren goed dicht te doen. Totdat we de situatie onder controle hebben.
Op dat moment hoorde ik een van mijn vrienden een stuk glas op de grond laten vallen en hoorde ik iemand anders schreeuwen: ‘Pas op Peter hij komt op je af. Peter! Peter!’ Ik hoorde een gil en vervolgens de ijskoude woorden: ‘De man bijt hem in zijn nek. Oh mijn God, het bijt hem in zijn nek. In de verte hoorde ik een gorgelend geluid en ik wist dat het Peter was, waarna ik iets als een natte zak op het trottoir hoorde vallen. Er klonken nog meer schoten en de paniekerige stem van een agent: ‘Ik heb hem geraakt. Ik heb hem verdomme geraakt. Ik heb geen kogels meer.’ Door een mobilofoon hoorde ik een andere agent tegen de kinderen schreeuwen: ‘Ga naar binnen en doe de deur op slot, hij komt recht op jullie af.’ Ik beukte inmiddels met mijn schouders tegen het hout en schreeuwde: ‘Laat me eruit. Laat me er verdomme uit.’ Op dat moment hoorde ik een vriend iets zeggen wat het meest ijzige was, dat ik ooit had gehoord: ‘Peter staat op. Mijn God Peter staat op, maar het bloed gutst nog steeds uit zijn hals.’ En toen een kalmer en nog onheilspellendere stem, die de eerste mee naar binnen trok. ‘Kom het is Peter niet meer.’ Op dat moment hoorde ik geschuifel van een paar voeten. In de verte ging het schieten en schreeuwen door. De politie verloor duidelijk het gevecht. Ik beukte nog steeds tegen het hout, maar toen ik de voeten hoorden, hield ik meteen op. Ik hield zelfs mijn adem in. De persoon, wie het ook was, stond recht boven me en ik hoorde tussen zijn zware ademhaling door een aantal woorden. ‘Vlees. Zacht vlees.’ De voeten maakte rondjes, alsof hij mijn aanwezigheid voelde, maar niet wist waar ik was. Het matras, mijn broer, de luchtkussen, kleren die te groot waren – ze schoten door mijn hoofd. Ik hield beide handen voor mijn mond, terwijl de urine langs mijn been stroomde. Hij maakte rondjes. Tientallen rondjes en stapte toen van het graf af. In de verte hoorde ik op de radio dezelfde noodoproep. Ik negeerde het. Zodra de voeten wegslenterde, begon ik als een gek in het hout te klauwen. Het was zacht hout en de splinters ramden zich onmiddellijk onder mijn vingers. Toen ik het idee had dat de sloffende voeten ver genoeg waren, schreeuwde ik tegen mijn vrienden, hoewel het meer gefluister was: ‘Help me. Help me dan toch.’ Ik had een gat gemaakt. Een klein gaatje. Brokken aarde vielen naar binnen. Het was toen ik mijn vingers in de aarde drong en me een weg naar buiten probeerde te graven, dat ik de nieuwe slenterende voetstappen hoorde. Ik hield mijn adem in. De voetstappen hielden op met lopen. Iets viel op de grond. Of beter gezegd, liet zich op de grond vallen en ik wist precies wie het was.
‘Vlees,’ zei het. Het was allang de stem van Peter niet meer. ‘Warm sappig vlees.’ Ik begon te gillen, te graaien. Beukte tegen de houten wanden. Bloed stroomde van mijn vingers over mijn polsen. Aarde viel op me. Hout viel op me. Ik maakte een groter gat en merkte dat de persoon boven me ook begon te graven. Ik begon zijn gezicht te zien. Nog nauwelijks zichtbaar. Een blauw gezicht. Met in zijn hals een gigantische wond waar nog een beetje bloed vanaf droop. Ik zag zijn vingers door de aarde graaien, totdat ook hij, onder het kleine kijkgaatje dat ik had gemaakt, zijn vingers over het hout schuurden. ‘Vlees,’ zei hij. ‘Zoet, sappig vlees.’ En terwijl ik mij blaas opnieuw leegde besefte ik met een duidelijke wrangheid, dat ik geen enkele kant op kon. Net zoals tijdens het matras. Net zoals bij de luchtkussen.
‘Vlees. Warm sappig vlees.’ En toen de belofte, de angstige belofte: ‘Ik kom er aan.’
Anthonie Holslag, juni 2018

Boek van de maand juni 2018: Heren van Twist van Jasper Polane: kort verhaal,deel 2!

CYBERSTAADT
door Jasper Polane

II. Punkie en de Rovers
‘Hou mijn hand goed vast,’ zei de jonge vrouw met de suikerspinkleurige haren. ‘Als je verdoolt vind ik je nooit meer terug.’
Door de smalle lichtstraal leek de gang nauwer dan hij in werkelijkheid was en de zaklamp flikkerde af en toe zorgwekkend.
Edison kneep in haar hand. ‘Vasthouden, begrepen. Ik volg je.’
Ze was vaker in het onderaardse gangenstelsel onder Otrostaadt geweest, in een andere wereld, maar ze kende alleen de weg van de haven naar de kathedraal. Na vier of vijf keer afslaan was ze er zeker van dat ze de weg terug niet meer zou kunnen vinden. Haar begeleidster leek echter zeker van haar zaak en zocht zonder aarzeling haar route.
Ze was een jonge meid van de lastig in te schatten leeftijd tussen de zestien en vijfentwintig. Haar roze haren waren asymmetrisch kort, haar leren jack zat vol glanzende metalen spikes en de netkousen onder haar rokje zaten vol gaten. Haar blauwe ogen waren omlijnt door dikke lijnen zwart oogpotlood, ze had een neusringetje en in haar oren pronkten een aantal veiligheidsspelden. Ze deed Edison denken aan haar eigen jeugd, toen ze zelf lid was van de leren jackie-brigade, maar dan de ontplofte variant. Leuk, maar over de top.
‘Ik heet trouwens Edison. En jij?’
‘Ik ben Punkie. Ik ben een Rover. Hoe je die Stalkers in mekaar ramde, dat was glitter! BAM!’ Ze sloeg met een vuist in de lucht. ‘Wacht maar tot Bonzer dat hoort! Vijf gangsters, dat gelooft-ie nooit! Door een zus nog wel! Ik neem je mee naar ons hol, waar …’
Plotseling hield ze halt. Ze draaide zich om en scheen de zaklamp in Edisons gezicht. Die draaide haar ogen weg en knipperde een paar keer om de vlekken te verjagen.
‘Je bent geen kopper, hè?’ vroeg Punkie. ‘Pas op, Rovers mollen koppers.’
‘Natuurlijk niet,’ zei Edison. ‘Zo opvallend? Als ik had willen infiltreren had ik op zijn minst mijn haar geverfd en een leren jack aangetrokken.’
‘Ja, dan had je er niet zo tut uitgezien,’ beaamde Punkie. ‘En had je wel struiser gepraat, niet van die kaktaal!’
Edison grijnsde. Ook al had ze zich aangeleerd niet te plat meer te praten sprak ze met het accent van de straat, compleet met Ottèhwostaasseh èhw. Thuis zou niemand zeggen dat ze bekakt praatte.
‘Ik zoek een schuilplaats om mijn apparaat op te laden. Zodra dat klaar is ga ik weg.’
‘Wist ik toch!’ Punkies gezicht brak in een aanstekelijke glimlach. Ze tikte met haar nagel tegen het metaal van Edisons paraprojector. ‘Die cyber … Wat doet ’t?’
Edison glimlachte zonnig terug. ‘Opladen.’
*
Punkie bracht haar naar een ovaalvormige concertzaal, met een houten podium groot genoeg voor een symfonieorkest en balkons aan beide kanten. De muren, pilasters en zuilen waren met graffiti bedekt en de meeste stoelen waren eruit gesloopt. Hier en daar zaten jongens en meiden tegen een muur, of op de rand van het podium. Zodra ze Edison zagen sprongen ze op. De zaal werd gevuld met het geklik van uitvouwende stiletto’s. Edison telde twaalf bendeleden. Ze greep naar het vlindermes in haar kontzak.
Punkie beende vlug door het gangpad. ‘Hoho, Rovers, wacht! De zus hoort bij mij!’
Een kaalgeschoren bendelid in een rafelig spijkerjack sprong van het podium af, raapte een honkbalknuppel van de grond en slenterde quasi-ongeïnteresseerd naar hun toe. ‘Waarom breng je een vreemde in ons hol, Punkie?’
‘Bonzer, dit is Edison. Ze heeft in haar uppie vijf Stalkers ingemaakt!’
De ogen van de bendeleider werden groot. Hij bekeek Edison opeens vol interesse. ‘Vijf gangsters? Zo’n kippetje? Echt niet!’
‘Echt wel! Het was glitter! Judo chop-HAI!’ Punkie sloeg de lucht met een paar overdreven karatestoten. Daarna liep ze naar Bonzer en huppelde om hem heen. ‘Ze is geen kippetje, Bonz! Ze is een megaduchtige vechter! Precies wat we nodig hebben!’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Bonzer scherp.
‘Edison kan onze kampioen zijn en morgen strijden in de arena,’ zei Punkie. ‘Dan hoef jij niet!’
‘Ho, wacht,’ begon Edison. ‘Ik …’
‘Ik ben de baas! Ik vecht voor de Rovers!’ riep Bonzer. ‘We hebben geen zus nodig.’
‘Maar als Edison vecht winnen we!’ riep Punkie.
‘Ik ga niet …’ probeerde Edison ertussen te komen.
‘Ik vecht ook struis!’ riep Bonzer beledigd. ‘Ik ben duchtig!’
‘Je bent heel duchtig, Bonz,’ zei Punkie. ‘Maar je houdt het nog geen tien minuten uit tegen de kampioen. Die Duivel maakt appelmoes van je. Edison vecht struiser.’
‘Wacht, Punkie,’ zei Edison. ‘Ik ga niet voor jullie vechten. Opladen, daarna ben ik weg, weet je nog?’
‘Maar je móét! Alsjebelieieft,’ smeekte Punkie met droevige hondenogen. ‘De kampioen van de Duivelsbende wint elk arenagevecht. Alle bendes verliezen van hem. We zijn al drie bazen kwijt!’
‘Punkie heeft gelijk,’ gaf Bonzer toe. ‘We verliezen gangsters, terrein en glans. Niemand heeft kans tegen de Zwarte Rune.’
‘Ik wil niet …’ begon Edison weer, maar toen viel het kwartje. Haar haren stonden in één klap recht overeind. ‘Wacht … zei je Rune?’

Volgende week: Edison in de Donderarena!

Boek van de maand: Heren van Twist—> een extra kort verhaal (deel 1)!

Deze maand is Heren van Twist, boek van de maand. Dat is een goede reden voor iets leuks!

Jasper schrijft een kort verhaal over mijn heldin Edison. Hier komt het eerste hoofdstuk! De rest volgt zsm. Hij is het nog aan het schrijven. Dus vandaag:Vers van de pers:hoofdstuk 1.

Jasper Polane
jasper@quasis.nl
CYBERSTAADT
door Jasper Polane

I. Cyberstaadt

De loodzware voetstappen van de looptank dreunden in een regelmatig tempo, nu en dan onderbroken door de schelle stem die uit de luidspreker schalde:

DE AVONDKLOK IS VAN KRACHT VAN ACHT UUR ’S AVONDS TOT VIER UUR IN DE OCHTEND! BLIJF BINNEN! DE POLITIE BESCHERMT DE DEMOCRATIE! WAAKZAAM EN DIENSTBAAR!

Aan weerskanten van de tank liepen politieagenten in volledige oproeruitrusting, bewapend met halfautomatische wapens. Hier schoot de politie met scherp.

Edison bleef ineengedoken achter het autowrak zitten en wachtte tot de zoeklichten haar voorbij waren. Toen haastte ze zich naar de donkere portiek van een winkel. Graffiti op de stalen rolluiken wensten de politie een gewelddadige dood toe. Auto’s in de straat waren slechts uitgebrande wrakken. Van de azuurblauwe en kanariegele neonreclames knipperde slechts een enkele letter.

Roestkleurige plekken op het asfalt lieten zien waar mensen op straat hadden liggen bloeden.
Edison veegde de blonde krullen uit haar gezicht. De paraprojector op haar borst zoemde zachtjes tijdens het opladen. Het zou nog een paar uur duren voordat hij opgeladen zou zijn en tot die tijd kon ze niet terug naar haar thuiswereld duiken. Zolang moest ze uit de schijnwerpers van de politie blijven.
De looptank sloeg een zijstraat in en de agenten volgden hem. Zodra ze uit het zicht waren stak Edison de straat over en ging een brede steeg in. Het schijnsel van de paraprojector baadde het straatje in turquoise licht. Tegen de muren lagen opengereten vuilniszakken, hun papier en plastic uitgekotst over de geplaveide weg. De zure stank van pis en kots hing in de lucht en er klonk geritsel van vluchtend ongedierte.

Misschien geen goed idee om met een felle schijnwerper rond te lopen.

Ze schakelde de paraprojector uit. Het betekende dat ze deze stad pas morgen kon verlaten, maar dat moest dan maar. Nu eerst een schuilplaats zoeken.
Het licht was nog niet uit of er werd schuin boven haar een zaklantaarn aangeknipt. Ze probeerde haar ogen met haar hand af te schermen voor de witte straal.
‘Kijk nou! Een kippetje!’
‘Tok tok tok!’
‘Lekker, lekker kippetje. Zin om een ei te leggen?’
Blijkbaar was niet ál het ongedierte gevlucht. Uit de schaduwen voor haar stapten vier mannen, jongens nog, met felgekleurde hanenkammen, leren jackie’s en gescheurde spijkerbroeken. Een van hen flipte met veel vertoon een vlindermes open en dicht. Nog een jongen liet zich van een balkon vallen en landde achter haar.
Stik, het zou eens niet zo zijn.
‘Kom op, jongens, laat me erlangs,’ zei Edison. ‘Ik heb geen zin in moeilijkheden. Het is al laat.’
‘Schijt aan de avondklok.’ De jongen spuugde op de grond. ‘Wij zijn Stalkers. Wij staan op!’
‘Wij staan récht!’
‘Je bent op ons terrein, kippetje. Je moet tol betalen.’
‘We zijn met vijf, dat past precies.’ De jongens grinnikten.
Zucht, vooruit dan maar weer. Edison sprong in actie. Een goedgerichte trap in het kruis schakelde de voorste uit. Hij liet zijn vouwmes vallen. Ze pakte het en sprong naar achter. De jongen naast haar greep mis en verloor zijn evenwicht. Ze trapte tegen zijn knie. Een schreeuw en hij was neer.
Edison flipte het vlindermes een paar keer. De drie jongens die nog stonden cirkelden om haar heen. Een van hen knipte een knipmes open en nam een dreigende houding aan.
Edison draaide naar hem toe en liet het mes nonchalant van de ene hand naar de ander buitelen. ‘Jongen, wat denk je nou? Ik heb zeker tien jaar meer ervaring met messen dan jij.’
De jongen met het knipmes aarzelde even, lang genoeg zodat Edison actie kon ondernemen. Een sprong bracht haar naast hem, buiten bereik van zijn mes. Voordat hij zich om kon draaien greep ze zijn arm. Ze plantte haar laars in zijn maag. Kuchend stortte hij op de grond en liet zijn mes vallen. Een elleboogstoot schakelde de volgende uit. Een lage trap handelde de laatste af.
Links van haar werd een putdeksel opgetild. Eronder was een zuurstokroze kleur te zien. Een vrouwenstem zei: ‘Hé, zus! Hierzo! Vlug, voordat de koppers komen!’
Meteen scheen een verblindend wit licht de steeg in.
HALT! LAAT JULLIE WAPENS VALLEN! LEG JE HANDEN IN JE NEK EN GA TEGEN DE MUUR STAAN!
‘Drek! De koppers!’ De bendeleden krabbelden op en vluchtten halsoverkop de steeg uit.
Edison aarzelde geen moment en rende naar de putdeksel.

*binnenkort meer*