Schrijver van de maand Mei 2020: Cathinca van Sprundel

Leesfragment: De held van Anwyn/ The Hero of Anwyn

De held van Anwyn is dit jaar vertaald naar het Engels en straks exclusief bij de schrijver verkrijgbaar. Het plan was om deze vertaling te presenteren op Castlefest, maar dat gaat niet door. Daarom een exclusief leesfragment:

1. The hunter

I should never have gone after that white deer. Sadly, I only realised this after I had signed a contract that would change my life forever. In that moment, I was consumed by the hunt and the honour it would bring me.
‘My finest sword belt for the one who catches that deer!’ I called out over the racket of the horses and the hounds.
I heard my brother Evan shout from behind me: ‘And my best knife!’
‘Then you better hurry. You don’t have that many left!’ I yelled back, though I couldn’t be sure if he had heard me. I spurred Alban on and pressed myself flat against his back. This unique prey could not be allowed to escape. Truly, I wished my friends all te best, but I would be the one to take this animal home. I moved my javelin aside and whistled a signal to the hounds. Without thinking, I used my knees to manoeuvre my horse through the undergrowth. Leaves whirled into the air and I ignored the branches clawing at my trousers. My breath and that of my stallion created puffs of cloud, and the cold of the air scorched my throat. The weather had turned. This morning in autumn had come with the promise of warmth and sunshine.
A white flash in the corner of my eye made me sit up straight in the saddle. There! He wouldn’t get away from me. I made my horse turn and had him gain speed. My short hair was sticking to my forehead, and Alban’s fur felt clammy to the touch. Just a little longer. I knew the stag was getting exhausted. The treeline smoothed up the hill into a clearing, and there he stood, in all his glory, frozen, and surrounded by the hounds. His antlers told me he was but a few years old. I could see his heart thumping in his throat, and his lustrous coat, as white as the clouds, sent a mist of sweat into the air. Only by a miracle could he made it this far in life. Nature normally dealt with these types of abnormalities, after all. Oh well – better for it to find its end now, by the tip of my spear, than later in the jaws of a wolf.
Bringing this one home would greatly improve my standing. The animal would serve as a sign of good fortune. I could use some fortune, especially so soon after my father’s death. But where were Evan and the others? Shouldn’t they have caught up with me by now? Well, if they couldn’t keep up with me, that was their problem.
As I pulled back my arm to throw the javelin, another group of hounds suddenly jumped out of the bushes and on to the stag. Within seconds they had seized the deer by the throat and overpowered him. Surprised, I tried to understand what was happening. These sleek, grey animals did not belong to one of my thirteen comrades. Anger took hold of me. I hadn’t chased this beast across hill and dale just to lose it to this strange pack.
‘Get the blazes out of here! That deer is mine!’ I called out as I rode towards them. Alban’s legs and the back of my javelin were enough to drive them off, and they ran away with their tails between their legs.
I dismounted and examined the deer, which was lying on the ground. Those strange hounds had torn into him quite a bit, though I could see that the life in his eyes had not yet faded. I grabbed my long knife and approached. Effortlessly, I avoided the convulsing legs and grabbed the antlers, after which I ended the stag’s suffering. I pressed the knife to the grass to wipe off the blood, and then put it back in its sheath.
‘Thank you for the good hunt, and good luck in the afterlife,’ I muttered the short prayer that my mother had taught me. Skilfully, I cut the head off the animal’s body and put it in a sack that I took from one of my saddlebags. Not much of a trophy, but it would have to do. The rest of the hide was worthless now. I whistled to my hounds and allowed them to have their way with the remainder of the kill.
Now that the hunt had ended, exhaustion overcame me. The cold air still prickled my lungs and I started coughing. I thumped my chest in vain, wheezing, and my throat clenched. I used Alban to keep myself upright and was glad to be alone. I didn’t like it when people saw me like this. In my head, I could hear my mother’s words. ‘Stay calm, this will pass. It always passes.’ Tears burnt behind my eyes and I pulled up my shoulders. Thankfully, the attack didn’t last long. I pricked up my ears in hopes of hearing the hunting horn of my brother or one of my friends. I lacked the strength to blow my own horn.
A rustling in the bushes startled me. One of the grey hounds that I had chased off had come back and stepped into the clearing, his ears flat and his eyes glowing red. Behind him the others of his group appeared, an imposing figure materialising in their midst. If this man was as skilled with a weapon as he was broad and muscular, he would be an incredibly fierce foe. His jet-black hair fell around his broad face like a mane, and the colour matched his short circle beard perfectly. A graceful tattoo ran down from his temple and disappeared under his short-sleeved grey tunic. My hounds, noticing him, perked their ears forward and ran, whining as they went.
‘Hunter,’ the man said with a low, echoing voice. ‘I know who you are, but I won’t greet you.’

Meer informatie:
http://www.cathinca.com
http://www.facebook.com/cathincavansprundelschrijver/

Voorproefje: Midland 2- Het pact

Midland – Het pact

Caleb doorkruist een duistere, gehavende gang. Hij let niet op de losliggende tegels. De brokken steen die eens in het plafond zaten, hinderen hem niet. Het enige wat een obstakel voor hem vormt, is de krappe opening tussen een gammele trap en de muur. Het lukt hem net zich daartussendoor te wringen.
Aan het einde van de gang brandt een zwak licht aan zijn rechterzijde. Merkwaardig, dat de kaarsen in die ruimte zich niet laten doven. Hij heeft het weleens geprobeerd. Nog merkwaardiger is het dat ze niet opbranden. Zoals zoveel onderdelen van Het Pact zijn ze oneindig.
Voor de grafkamer aarzelt hij even. Alles in hem schreeuwt dat hij moet omkeren. Dat hij ervandoor moet gaan, zo snel hij kan. Wat zich daarbinnen bevindt, moet met rust gelaten worden. Had een geheim moeten blijven. Zoals het zo lang was.
Tientallen fel flakkerende vlammen laten hem met zijn ogen knipperen. De schaduwen die ze op de muren werpen, wekken de indruk dat iemand erlangs loopt. Caleb bedwingt de neiging de grafkamer te doorzoeken. Er is hier niemand. Niemand die leeft. Niet echt.
De doodskisten staan in een wijde cirkel in het midden van de kamer. Behoedzaam schuifelt hij naar de dichtstbijzijnde. Zijn vingers trillen als ze over het donkere hout glijden. Geschrokken trekt hij zijn hand terug als deze iets scherps raakt. De laatste rustplaats van De Ouden stamt duidelijk uit een tijd waarin schuurpapier nog niet was uitgevonden.

Voorproefje: Midland 1: De terugkeer

Voorproefje: Midland 1: De terugkeer

Midland – De terugkeer

In de eindeloze gang zet ze het op een rennen. Haar hart gaat tekeer in haar borstkas, ze is buiten adem en haar kuitspieren branden. Heldere, roodoranje vlammen creëren wilde schaduwen op de donkere muren. Ze wil geen moment langer op deze plek blijven en negeert de pijnlijke signalen die haar lichaam haar geeft. Achter haar weerklinkt het geluid van naderende voetstappen, alsmaar sneller en alsmaar dichterbij. Sammy riskeert het niet om achterom te kijken, als de dood dat ze struikelt en een flinke smak maakt. Het einde van de duistere gang komt eindelijk in zicht en het kost haar al haar kracht om de loodzware deur naar de buitenwereld te openen.
De kou geeft haar een klap in haar gezicht. Een ijzige wind snijdt dwars door haar dunne kleding heen en doet haar beseffen dat ze zonder jas in de vrieskou is beland. Toch sprint ze verder, tussen de aftandse gebouwen door, alsof haar leven ervan afhangt. Terwijl ze vlucht voor een man die ze zich misschien alleen heeft ingebeeld, slaat de paniek steeds feller toe. Lantaarnpalen flikkeren aan en uit en verlichten haar weg net genoeg om te voorkomen dat ze in volle vaart tegen een muur aan botst. Sammy kijkt ongerust om zich heen; ze heeft geen idee waar ze is. Waarom heeft ze niet beter opgelet toen ze hierheen liepen?

Marguerita Le Roy

Voorproefje: 1000 Nachten

1000 nachten
Sophia Drenth

Deel I: Zus

I/1
Achter mij nadert het doffe dreunen van paardenhoeven. Mijn voeten glijden weg. Het losse zand van de woestijnduinen biedt nauwelijks houvast. Ik verlies mijn evenwicht, maar weet ternauwernood te voorkomen dat ik gestrekt ga en klauter op handen en voeten tegen het wegglijdende zand op. Ik zag zonet mijn kans schoon toen de mannen die mijn karavaan overvielen op hun knieën zaten te bidden, zoals ze bij elke schemering en morgenstond doen. Dit is mijn laatste kans om aan de in indigo gehulde rovers te ontsnappen en ik grijp hem bij zijn kladden.
De vrouwen uit mijn gevolg die eveneens een vluchtpoging wagen worden door de indigo rovers ingesloten en overmeesterd. Enkelen van hen verweren zich fel. Ze laten zich niet langer gedwee gevangenhouden. Met hun blote handen gaan ze de overweldigers te lijf. Hun moed zorgt voor de afleiding die ik nodig heb om mijn voorsprong verder uit te bouwen.
Lang niet alle vrouwen die onder de vlag van het huis Barlieux reizen zijn zo dapper. De drie dienstmaagden bijvoorbeeld die in deze woestenij zijn geboren, zijn vervuld met een ongezonde angst voor de indigo rovers. Blauwe Lijken, zo noemen zij ze, verschijningen waarover met gedempte stem rond het kampvuur wordt gesproken, dienaren van een meedogenloze zwarte koningin die aan het hoofd staat van een leger van bloedhongerige vrouwen.
Ik ben er de persoon niet naar om in dergelijke sprookjes te geloven, ook al ben ik bekend met soortgelijke vertellingen over van mensenbloed afhankelijke wangedrochten. Maar sinds de blauwe mannen mijn karavaan overvielen, komt het me voor dat ik die fabeltjes even dorstig in me had moeten opnemen als de andere lessen waarin de dienstmaagden van mijn toekomstige echtgenoot mij kwamen onderwijzen. Ik had die niet op voorhand als op sensatie beluste vertellingen van de hand mogen wijzen.
Hoe het ook zij, de Blauwe Lijken schromen niet om geweld te gebruiken. Tot nu toe behandelden ze hun gevangenen met respect, maar die tijden zijn voorbij. Ik sluit me af voor de pijnkreten die de avondlucht doorklieven. Het blijft deze keer niet bij een oorvijg die de vrouwen in het gareel slaat.
Sommigen van hen ken ik sinds mijn geboorte. Het idee om ze achter te laten verscheurt me, maar ze verwachten dat ik deze kans benut. De kleine voorsprong die ik heb mag ik niet kwijtspelen.
Slechts een van de rovers is op zijn paard gesprongen om de achtervolging in te zetten. Ik ben immers maar een bediende, niet meer mankracht waard. De grote schat van de karavaan is veiliggesteld. Haar rijkversierde bruidsstoel staat beneden in de duinpan, omringd door een handjevol Blauwe Lijken. Hoe groot de chaos ook wordt, zij wijken niet van hun plek. Ze bewaken de draagstoel, zodat de vracht hun niet ontglipt. Tegelijkertijd dragen zij er zorg voor dat niemand die benadert. In de draagstoel bevindt zich de mooiste vrouw van het hoog-Noorden. Tenminste, dat denken de Blauwe Lijken.
Die vrouw is onderweg naar haar bruidegom. De verhalen over haar onmetelijke schoonheid zijn haar vooruitgesneld en hebben haar tot het doelwit van de woestijnrovers gemaakt.
Dagen geleden overvielen zij de karavaan. Sindsdien leven mijn gevolg en ik in angst. Angst dat ze ontdekken wie ik werkelijk ben, angst dat ze genoeg van ons krijgen en ons zonder pardon over de kling jagen, net zoals ze deden met de mannen die de huwelijksstoet begeleidden. Of erger …
Man en paard zwoegen in mijn kielzog. De ruiter laat zijn zweep door de lucht ketsen. De knal is bedoeld om mij tegen te houden, niet om zijn rijdier aan te sporen. Hij brult een commando in die vreemde taal waarin de rovers onderling spreken. Zijn stem klinkt gehavend, rauw als verscheurd vlees. Ik zou hem waarschijnlijk ook niet verstaan als ik zijn taal sprak.
Het is een bekeken zaak, maar ik geef niet op. Ik richt mijn aandacht op de top van de zandheuvel en ploeter verbeten voort. De opgehoopte berg stuifzand is immens en ik betwijfel of het me gaat lukken hem te bedwingen. Maar ik moet. Daarachter wacht de redding. Einar en Harald hebben meer dan voldoende tijd gehad om mijn toekomstige echtgenoot te bereiken. Gezamenlijk zullen ze mij en mijn gevolg uit de klauwen van de overvallers redden. Zij zullen niet toestaan dat die woestelingen ons naar de rode rotspartij voeren die vandaag aan de horizon opdook. Die rotsen zijn onze eindbestemming, de plek waar de gemaskerde mannen zich elke zonsopgang en -ondergang naartoe buigen om te bidden. Als ze me daarheen leiden is alles verloren, dan val ik in handen van de persoon die zij dienen. Yara en de twee dienaressen van mijn toekomstige echtgenoot fluisteren diverse namen in hun moedertaal, het Arabesch: de zwarte koningin, de eeuwige, de bloeddorstige en meer van dat soort met bijgeloof doorspekte overdrijvingen. Eén naam keert steeds terug, een woord waarvoor zij geen vertaling kennen, een woord waar in zijn simpelheid een grote dreiging van uitgaat: Rah.
Tegen de tijd dat ik de duintop bereik schrijnt mijn keel en pompt mijn hart als bezeten. Mijn adem giert door mijn longen. Het fijne zand is door mijn sluier heen gewaaid. Het knarst tussen mijn tanden, die ik gefrustreerd over elkaar maal.
Zandduinen, de late avondzon en een onmetelijke leegte strekken zich tot in de verte uit. Nergens een levende ziel te bekennen, laat staan mijn broer, mijn neef en het leger van Och al Zaraf.
Lamgeslagen staar ik voor me uit. Ik bal mijn vuisten.
Waar blijven ze? Wat is er gebeurd? Einar zou me nooit aan mijn lot overlaten.
Mijn achtervolger manoeuvreert zijn paard behendig door het zand. Hij kent geen haast. Ik kan nergens heen, niet zonder water of rijdier, met onvoldoende kennis van dit land. Hij weet het. Ik weet het. Ontsnappen is zelfmoord.
Net zoals alle Blauwe Lijken draagt hij een bronzen masker dat zijn trekken verhult. Elk van die uitdrukkingsloze bronzen gezichten – alle identiek – is gedecoreerd met een patroon van vreemde tekens dat in het metaal is gedreven. Het masker van deze man is grotendeels bedekt met symbolen, terwijl andere Blauwe Lijken maar een paar daarvan op hun maskers dragen.
Hoewel zijn gezichtsuitdrukking een mysterie is hangt de spot waarmee hij mij in zich opneemt bijna tastbaar in de lucht. Aan zijn gordel draagt hij een kromzwaard tussen diverse andere steek- en snijwapens en een paar grote leren riemtassen. Met dat kromzwaard kan hij iemand zo de kop van de romp slaan; het lot dat de gewapende mannen trof die de karavaan begeleidden, een beeld dat nauwelijks van mijn netvlies wil wijken. Gedurende die momenten heb ik ondervonden dat een mens wel degelijk verlamd kan zijn van angst. Ik kon alleen maar toekijken hoe het mannelijke deel van mijn onderdanen als vee werd afgeslacht. Zelfs mannen die de wapens neerlegden en zich overgaven, kwamen zonder pardon aan hun eind.
Gelukkig reageerden een paar van mijn vrouwelijke bedienden op dat moment een stuk voortvarender dan ikzelf. Ze bedachten een plan om mij te beschermen. Voor ik kon weigeren was het uitgevoerd. Van bruid transformeerden zij mij in bediende. Mijn kamenier Imhilde trok mijn kleren aan en nam mijn plaats in de bruidsstoel in.
Mijn broer en neef hebben alleen hun hielen gelicht omdat ik het ze opdroeg, anders hadden ze zich ter plekke doodgevochten. Voor mij. Samen met een klein groepje mannen lukte het hun om zich het vege lijf te redden.
Volhouden, had Einar me vanaf de rug van zijn rijdier toegeroepen. Wat er ook gebeurt, volhouden. Hij had de bezorgdheid niet uit zijn stem kunnen weren. Ongetwijfeld vreesde hij voor dezelfde verschrikkingen als ik. De eer van een vrouw is weinig waard in deze streken, die van een trofee zoals ik zeker niet. Op dat moment had ik hem bijna gesmeekt om op me te wachten, maar in plaats daarvan brulde ik hem toe dat hij zijn paard de sporen moest geven.
Sindsdien is de zon tien keer opgekomen. Hij en Harald hadden allang terug moeten zijn. We waren nog maar een paar dagreizen verwijderd van het kamp van mijn toekomstige echtgenoot, Dhamid och al Zaraf, krijgsheer van de noordoostelijke zandduinen, toen de Blauwe Lijken toesloegen.
Ik werp een blik achter me. De bruidsstoel en alle personen daaromheen zijn niet meer dan minuscule poppetjes in het zand. Imhilde moet doodsangsten uitstaan. De Blauwe Lijken zijn er nog steeds niet achter dat de persoon die zich in de draagstoel bevindt niet de grote buit is waar zij haar voor houden.
Als ik erin slaag om te vluchten teken ik haar doodvonnis en dat van de rest van mijn gevolg. Het weerhoudt me er niet van om de kans te grijpen. Het is mijn geboorterecht om mezelf te redden.
Ik neem de zwijgzame indigo ruiter met zijn bronzen masker in me op. Hij bezit alles wat nodig is om te kunnen overleven in dit barre klimaat: beschermende kleding, een gevulde waterzak, rantsoenen en een rijdier.
De andere vrouwen die probeerden te vluchten, zijn inmiddels overmeesterd en worden door zijn kameraden in bedwang gehouden. Een paar van mijn bedienden liggen roerloos op de grond. Zij zullen nooit meer een kreet slaken.
Niemand besteedt aandacht aan het tweetal op de top van het zandduin: de gevluchte bediende en haar achtervolger. Als het me lukt om nóg meer afstand tussen hen en ons te creëren heb ik alleen hem als tegenstander. Nu Einar en Harald hun plicht verzaken, zal ik mezelf moeten redden.
Voordat ik me kan bedenken zet ik een grote stap voorwaarts en nog een en nog een, aan de andere kant van het zandduin naar beneden roetsjend. Al snel verlies ik mijn evenwicht en rol ik door het zand. De vaart waarmee ik naar beneden duikel neemt toe. Angst giert door mijn keel. Ik houd mijn adem in, bang om in het opstuivende zand te stikken. Mijn hoofddoek, sluier en opgestoken haren worden losgerukt. Ik strek mijn armen uit om mijn lichaam tot stilstand te brengen. Ik ga veel te hard en mag van geluk spreken dat ik de afdaling zonder botbreuken doorsta. Door elkaar gerammeld en diverse blauwe plekken rijker kom ik tot stilstand. Zandkorrels schieten mijn longen in, waardoor ik in een hoestbui uitbarst. Ik veeg het zand van mijn lippen en moet mezelf noodgedwongen de tijd geven om op adem te komen.
Ruiter en paard naderen. De man is afgestegen om het dier te ontlasten en de kans op verwonding minder groot te maken. Hoewel zijn bewegingen kalm zijn en hij nog steeds geen haast lijkt te kennen, spuugt zijn hele houding vuur.
Ik wacht met overeind komen tot hij me heeft bereikt, elke seconde benuttend om het duizelen in mijn hoofd tot stilstand te brengen. Achteloos trek ik de laatste spelden uit mijn verfomfaaide kapsel. Ellenlange blonde lokken tuimelen over mijn schouders. Het zand uit mijn haren schuddend sta ik op. Bedaard neem ik hem in me op. Mijn schouders, armen en voorhoofd zijn verbrand door de woestijnzon, maar die imperfecties doen niets af aan mijn uitstraling. De gedweeë houding van een bediende valt van me af. Ik strek me tot mijn volle lengte uit als een bloem die naar het zonlicht hunkert en toon me in al mijn glorie aan hem.
Hij blijft op een paar passen afstand staan en staart terug, gevangen door mijn helderblauwe ogen.
Ademloos.
Ik ben niet anders gewend. Geen man is tegen mijn schoonheid bestand en voor mannen uit deze streken ben ik een heus mirakel, een levensvorm die ze niet eerder aanschouwden, met mijn lelieblanke huid, blauwe irissen en lichtblonde haren.
Zijn kleding heeft dezelfde diepblauwe kleur als de vroege avond die zich over het firmament uitstrekt. Meerdere lagen stof omhullen zijn gestalte, maar zijn onderarmen en kuiten steken bijna als stokjes uit het volumineuze silhouet. Armen en benen zijn strak omwonden met stroken stof in dezelfde tinten als de rest van zijn uitdossing. Zijn handen en polsen, voeten en enkels zijn overdekt met blauwe kleurstof die lijkt af te bladderen. Een tagelmust bedekt zijn hoofd en een deel van zijn gemaskerde gezicht. Leren kettingen vallen over zijn borst. Daaraan hangen tientallen kleine rechthoekige leren pakketjes met daartussen wat kralen van barnsteen en lapis lazuli, metalen amuletten en andere rotzooi, waaronder een stuk gedraaide antilopehoorn en een stel oude munten. Uitdrukkingsloos brons verhult zijn trekken.
Wat zou de betekenis zijn van de tekens die zijn masker overdekken? Zijn het woorden gericht tot de goden? Magische spreuken? Of misschien vertellen ze zijn levensverhaal en is hij een open boek voor iedereen die zijn taal beheerst. Nu ik hem goed bekijk, valt het me pas op dat de tekens grotendeels hetzelfde zijn. Erg ingewikkeld lijkt zijn verhaal dus niet.
De amuletten aan het tuig van zijn paard tikken tegen elkaar. Ze zingen een heldere maar simpele melodie. Samen met het geluid van zijn en mijn ademhaling zijn het de enige klanken die de stilte van de vallende avond doorbreken. Als betoverd neemt hij mij in zich op.
‘Geef mij je rijdier en mantel,’ zeg ik in het Arabesch, in de hoop dat hij dat verstaat. Kennelijk wel, want hij begint aan de sluiting van het kledingstuk te frunniken. Een zelfvoldaan glimlachje trekt aan mijn mondhoeken, maar ik zorg ervoor dat de triomf niet in mijn ogen doorschemert, zodat het lijkt alsof ik hem lieflijk toelach. Ik overwin alle schroom en loop op hem af, overtuigd dat ik hem getemd heb.
Galant slaat hij zijn mantel om mijn schouders. Ik nestel me in de stof, maar hij laat niet los en trekt me naar zich toe. Hij spreekt in die verschrikkelijke taal van hem; een hond die zich verslikt.
Mijn hart schiet naar mijn keel. Angst dreigt me te overrompelen. Maar ik sta het niet toe. Ook al ben ik in een gouden kooi grootgebracht, ik weet heel goed hoe ik van me af moet bijten. Geen wonder met zulke vechtjassen van broers. De meesten van hen kan ik eronder krijgen. Ik ben lang voor een vrouw en zeker niet zwak. Alleen van Einar win ik nooit. Hij is de sterkste krijger van het huis Barlieux.
Mijn onderarmen stoten tussen de armen van het Blauwe Lijk door en slaan die van hem uiteen. Zo dwing ik hem om mij en de mantel los te laten. Voordat de stof het zand raakt verankeren mijn vingers zich achter zijn masker. Ik wil dat die lafaard zijn gezicht aan me laat zien en geef een flinke ruk. Een van de leren riempjes breekt. Na nog een ruk schiet het masker los. Ik laat het brons meteen vallen, zodat ik mijn handen vrij heb.
De man is van zijn à propos omdat een vrouw terugvecht. Hij onderneemt niets om zichzelf te beschermen. Ik maak gebruik van zijn verwarring en stoot mijn knie omhoog. Ik mis zijn kruis op een haar na, maar zelfs dán zou de dreun meer dan voldoende moeten zijn om een man dubbel te laten klappen van de pijn.
De aanval laat het Blauwe Lijk onberoerd. Onbewogen staat hij daar. Hij lijkt wel van steen. Zijn gebrek aan reactie is niet de reden dat ik achteruitdeins.
Onder het bronzen masker is een wanstaltig gezicht vandaan gekomen, een gemartelde tronie overdekt met een lappendeken van roze en witte huid, volledig ontdaan van haargroei. Zelfs wimpers en wenkbrauwen heeft hij niet. Bleke niets ziende ogen staren dwars door me heen. Zijn lippen liggen als dode slakken over zijn tanden. Van zijn oorschelpen is niets over behalve een stel verschrompelde klompjes. Geen wonder dat het masker zo makkelijk losliet.
Wat is dit voor gruwelijk gedrocht? Het lijkt alsof zijn vlees is gesmolten en lukraak weer op zijn botten geplakt. Zijn afstotelijke uiterlijk laat nieuwe woede in mij ontvlammen. Waar haalt deze wangestalte het lef vandaan om míjn karavaan te overvallen? Om míjn onderdanen de kop af te hakken en míjn broer en neef ertoe te dwingen als laffe honden op de vlucht te slaan?
Maar toch staat hij daar, zwaar ademend alsof elke hap lucht hem kwelt. Hij doet een grote stap naar voren en grijpt me opnieuw beet, bij mijn schouders deze keer, stevig genoeg om me helemaal beurs te knijpen. Zijn geduld is op, maar dat kan me niet schelen. Ik verdraag zijn handen niet op me en sommeer hem om met zijn smerige poten van me af te blijven.
‘Weet je wel wie ik ben?!’ Ik flap het eruit voor ik er erg in heb, maar hij lijkt me niet eens te horen. Ik graai naar een van de dolken aan zijn riem, nog steeds niet klaar om mijn verzet op te geven. Zijn donkerblauw gekleurde vingers grijpen mijn hals. Het staat buiten kijf dat hij me iets verschrikkelijks kan aandoen zonder er een moment over na te denken.
Net op tijd weet hij zich te bedwingen, alsof hij zich herinnert dat zijn eigen emoties onbelangrijk zijn. Hij smijt me op de grond en wikkelt zijn mantel strak om mijn lichaam. Voordat ik nog iets kan doen gooit hij me over de rug van zijn paard, terwijl ik spartelend foeter dat hij me onmiddellijk moet laten gaan.

Voorproefje: De held van Anwyn

De jonge prins Pwyll weet dat hij in de problemen zit als hij per ongeluk Arawn, koning van de Andere Wereld, beledigt. Om zijn eer en zichzelf te redden, neemt hij Arawns gedaante aan en reist hij naar het magische hof van Anwyn. Daar moet hij de gevaarlijke Hafgan verslaan. Doen alsof je een oeroude koning bent, is alleen makkelijker gezegd dan gedaan…
De onsterfelijke Rhiannon wil maar een ding: ontsnappen aan haar verloofde. Daarom sluit ze een overeenkomst met Pwyll. Zij helpt hem, als hij haar meeneemt naar de mensenwereld. Wanneer duistere krachten zich rondom Anwyn verzamelen, moeten ze beiden boven zichzelf uitstijgen… of alles verliezen.

Voorproefje : Onmenselijk Verliefd- Jorien Cohrs

Hoofdstuk 1

Ik zit in de auto en staar naar de voorruit. Dat sterretje moet echt gerepareerd worden; Jim heeft het nog steeds niet laten doen. Ik denk aan gisteravond en voel weer die knoop in mijn maag. Hij had het zo goed voorbereid; precies zoals ik het in mijn hoofd had bedacht. Hij had mijn favoriete restaurant gebeld en verteld dat hij me nog vóór het dessert ten huwelijk zou vragen. Al het personeel zat in het complot en ze hadden de muziek perfect uitgezocht. En toen: zijn lieve woorden, die lieve blik van hem toen hij op zijn knieën ging… Echt, het was goud waard. Zoiets maak je maar één keer in je leven mee. Tenminste, dat is de bedoeling volgens mij. Maar toen ik ja zei, voelde het niet goed. En ook al was dat gevoel er maar even; voor het eerst in al die jaren samen met Jim was er iets in mijn buik en hart wat zei: “Dit moment hoort anders te voelen dan het nu doet.”
Ik hoor getoeter en schrik. Het stoplicht is op groen gesprongen. Ik kijk in mijn spiegel en zie een boze bestuurder die naar me wuift dat ik moet doorrijden. Van schrik laat ik de motor een paar keer afslaan. Ik raak in paniek. Oké Sophie-Ann: adem in, adem uit en probeer het dan nog een keer. Gelukkig start de auto meteen en nu laat ik mijn koppeling rustig opkomen. Sorry!! Ik wuif terug naar de auto achter mij en denk aan Jim. Ik ben in de war. Sinds het aanzoek is er iets in mij wat niet goed voelt.
Ik rijd terug naar huis en bereid me alvast geestelijk voor op ons verlovingsfeestje. Ik parkeer voor de deur en zie Jim staan in de keuken. Ook het feestje was al gepland. Na zijn aanzoek gingen we samen naar huis. Hij had het huis van tevoren versierd en vertelde me dat het verlovingsfeestje de volgende avond zou zijn, vanavond dus. Hij vertelde ook dat hij alles al had geregeld. Ik hoef dus voor de verandering niks meer zelf te doen en kan nu helemaal genieten van onze verloving.
Ik draai de autosleutel om en betrap mezelf op het gevoel dat ik niet wil uitstappen.

Zodra ik binnenkom, word ik enthousiast begroet door Budd. Ik ga op m’n knieën zitten en aai zijn lieve koppie.
“Hé lieverd, daar ben je eindelijk!”
Ik kijk op en kijk recht in het gezicht van Jim. Ik zie zijn gelukkige blik, zijn verliefde ogen. Hij trekt me overeind en houdt me stevig vast. “Heb je zin in vanavond?,” vraagt hij.
“Tuurlijk,‘’ zeg ik, met mijn grootste gemaakte glimlach.
Echt: de liefde die ik voor hem voel, is oprecht. En we zijn al samen sinds de middelbare school, dus we zijn toe aan de volgende stap. Althans, dat dacht ik…
Ik geef Jim een kus en ren gauw naar boven. Vanaf de trap roep ik dat ik nog even op bed ga liggen en daarna in bad ga. Hij lacht naar me en zegt dat hij verdergaat met het opruimen van de boodschappen. Vanaf de trap zie ik dat hij heel veel boodschappen heeft gehaald. Hij heeft echt zijn best gedaan voor dit verlovingsfeest. Hij heeft het allemaal zelf gepland en georganiseerd. Het enige wat ík hoef te doen, is genieten. Van alle aandacht, mijn familie, alle andere mensen en vooral van hem.
Maar toch… Het feest, de verloving; de hele situatie maakt me duizelig. Waarom voel ik me niet gelukkig, in elk geval niet gelukkig genoeg? Ik kijk vanaf de trap nogmaals naar de keuken en zie de jongen staan die mij gelukkig hoort te maken. In gedachten loop ik naar onze slaapkamer en daar pak m’n telefoon en bel ik mama.
Ze neemt meteen op: “Lieverd, al thuis? Papa, je zus en ik staan op het punt om te vertrekken richting jullie.”
Ik zucht en antwoord: “Ik ga nog even liggen en daarna in bad. Jim laat jullie wel binnen. Tot zo!”
“Ann, lieverd? Wat is er aan de hand? Na gisteravond had ik toch wel verwacht dat je blij zou zijn? je hebt maanden zitten vissen naar zijn verrassing; dit is toch wat je wilde? Ja toch, lieverd?”
Ik denk terug aan het telefoongesprek direct na het aanzoek. Ik belde mijn ouders op om te vertellen dat Jim op zijn knieën was gegaan. Hun oorverdovende geschreeuw deed me beseffen dat zij al wisten van de verrassing. Mama was zó enthousiast en zó gelukkig dat ik niet wilde beginnen met: “Ja, het voelde toch niet zoals het zou moeten voelen…”. Mijn moeder is echt van de oude stempel. Jong trouwen, kids, een gelukkig leven leiden en vooral niet je vuile was buitenhangen, als je begrijpt wat ik bedoel.
“Ik voel me prima, mam. Gewoon een beetje moe.”
Ze lacht en zegt dat ook dit erbij hoort. Het gevoel van onzekerheid en de twijfels. “Dit is allemaal heel normaal.”
“Tuurlijk,” zeg ik. “Tot zo.”
Ik hang op, loop richting de spiegel en kijk mezelf streng aan. “Ik zou je een schop onder je kont moeten geven, Ann. Je gaat nu gewoon even lekker liggen en daarna lekker in een heet bad. Je trekt je mooiste jurk aan en gaat genieten van je avond! Van je vrienden, je familie en vooral van je verloofde! Hij is het echt waard. Geloof jezelf nou maar.” Ik glimlach breeduit naar mezelf. Als ik even later op bed lig, doezel ik meteen weg.

Ik zit weer in de auto en sta voor het stoplicht. Het regent keihard. Ik kijk in mijn binnenspiegel en herken mezelf nauwelijks: mijn huid is erg bleek. Achter me wordt er getoeterd dat ik moet doorrijden. Ik kijk in mijn spiegel en wuif: sorry! Maar ik kom niet vooruit. Mijn auto doet het niet. Ik probeer hem te starten, en nog eens, maar er gebeurt niets. Ik raak in paniek… Inmiddels is achter mij een hele stoet auto’s aan het toeteren en boos aan het zijn omdat ik stilsta. Wat moet ik doen? Ik kan niks. Ik probeer de auto nog een paar keer te starten, maar tevergeefs. Ik stap uit en sta in de stromende regen. Ik ga naast mijn auto staan en zie de andere auto’s langs me heen rijden. Er wordt gescholden en gewuifd omdat ik de boel ophoud. Net als ik weer wil instappen, stopt er een auto naast me. Het raam gaat omlaag en ik hoor: “Heb je misschien hulp nodig?” Ik draai me om en kijk naar de onbekende auto.

“Ann! Ann! Lig je lekker?” Mijn zusje staat naast mijn bed te grinniken. “Er is een feestje dat op je wacht.”
Ik schrik als ik op mijn telefoon kijk. Ik heb bijna een uur geslapen. Bizar. Alwéér die levensechte droom… Ik word meteen weer met de realiteit geconfronteerd. Ik kijk mijn zusje aan: “Nik, is mama beneden?”
“Ja, zal ik even vragen of ze naar boven komt?”
“Graag,” zeg ik, terwijl ik opsta. Ik wil even met mijn moeder praten over mijn onderbuikgevoel. Ook wil ik het met haar hebben over de droom die steeds terugkomt; ik heb haar daarover al eerder verteld. Mama heeft een tijdje geleden een cursus gevolgd over het lezen van tarotkaarten en over wat dromen kunnen betekenen. Misschien staan mijn gevoel en die droom wel met elkaar in verbinding.
Mama stapt de slaapkamer binnen en ziet aan mijn gezicht dat er iets is. “Ann, lieverd. Wat is er aan de hand?” Ze gaat op de rand van het bed zitten.
Ik sta inmiddels voor de spiegel en vertel haar wat ik voelde tijdens het aanzoek. “Mam, sinds Jim het aanzoek heeft gedaan, is er iets in mijn lichaam wat gewoon niet goed voelt. Er is een knoop ontstaan in mijn maag en ik weet gewoon niet waarom. Ik bedoel: ik ben toch altijd gelukkig met Jim? Ik weet dat we snel zijn gaan samenwonen, maar dat wilde ik omdat ik gewoon niet zoals mijn vriendinnen ben. Ik hoef niet jaren te feesten en verschillende jongens te daten. Dat zit niet in me.”
Ik snik zachtjes en mama loopt naar me toe. “Lieverd, maak je nou geen zorgen. Het komt echt allemaal wel goed. Jij en Jim zijn echt voor elkaar gemaakt; de twijfels en de onzekerheid horen erbij. Toen hij het aanzoek deed, werd het voor jou waarschijnlijk écht serieus en sindsdien twijfel je. Je praat het jezelf aan, Ann. Echt, geloof je moeder nou maar. Het komt echt goed.” Ze veegt de tranen van mijn wang en loopt naar het raam. “Weet je, Ann… Elk meisje heeft weleens twijfels over de relatie waarin ze zit, of over de keuzes die ze maakt. Maar ik geloof in het lot, net zo sterk als ik in jou en Jim geloof.”
Ik loop naar haar toe en sla mijn armen om haar heen. “Mam, ik weet dat je het allemaal goed bedoelt, maar het voelt gewoon anders dan het zou moeten voelen.” Ik kijk in haar bruine ogen. “Mam, ik heb weer zo’n droom gehad.”
Ze draait zich van me weg en vraagt: “Wanneer?”
Ik vertel dat ik was weggedoezeld en dat de droom toen is teruggekomen.
De houding van mijn moeder verandert. Ze glimlacht: “Ann, die droom is niks meer dan de weerspiegeling van wat jij zelf wilt zien.” Haar toon is koud en anders dan ik gewend ben.
‘’Maar mam, ik weet dat die droom iets betekent! Ik voel aan alles in mijn lichaam dat het ergens mee te maken heeft. Waarom voel ik me anders zo?”
Ze kijkt me aan en zegt: “Ann, ik wil dat je lekker even gaat douchen, je jurk aantrekt en naar beneden komt. De mensen wachten op je en Jim ook.”
“Mam, serieus? Ga je nou net doen alsof ik niks heb gezegd?”
Ze draait zich om en loopt mijn slaapkamer uit.
Ik blijf alleen achter en kan niet geloven dat mijn moeder gewoon is weggelopen.

Het feest is inmiddels in volle gang en iedereen vermaakt zich prima. Ook ik vermaak me; ik voel me beter dan ik had verwacht. Jim staat naast me en vertelt liefdevol aan iedereen dat hij zo blij is met deze verloving. Hij wilde me vorig jaar tijdens de zomervakantie al ten huwelijk vragen, maar twijfelde toen omdat ik nog een jaar naar school moest. Maar nu ik net mijn diploma heb behaald, is het tijd voor de volgende stap.
Ik lach lief naar iedereen en knik vrolijk met de woorden van Jim mee. Ik geef hem een kus op zijn wang en gebaar naar mijn vriendin Mel dat we naar buiten gaan. Ze loopt naar de tuin en ik volg haar.
Buiten is het donker en koud. Ik sla mijn armen om mezelf heen en Mel lacht. “Wat een feestje heeft-ie georganiseerd hè? Wist je echt helemaal nergens van?”
Ik probeer me groot te houden en lach. “Ja, hij heeft zich al maanden voorbereid op dit moment en hij heeft het echt goed gedaan.” Ik probeer zo gelukkig mogelijk over te komen en lach als een boer met kiespijn.
“Ann… Serieus? Denk je nou echt dat ik niet doorheb dat mijn beste vriendin zich ontzettend kut voelt?”
Ik kijk haar aan en stort in. Ik huil en stotter en door al mijn gesnotter heen zeg ik: “Oh Mel, sinds het aanzoek is die droom weer terug. En hij was vandaag intenser dan ooit. Ik kan het gewoon niet van me afzetten. Ik kan gewoon niet van die verloving genieten, zoals het hoort.”
Mel staat naast me en houdt me stevig vast. “Ah, liefje! Jij kunt toch helemaal niks aan die dromen doen?”
Ik huil: “Nee, dat weet ik ook wel. Maar ik probeerde er net met mijn moeder over te praten en die negeerde het volkomen.”
“Ann, je weet dat je moeder het beste met je voor heeft. Ze wil je gewoon gelukkig zien en ze wil zéker niet dat je je toekomst laat afhangen van een droom die je af en toe hebt. Dat slaat ook nergens op; dat ben ik met haar eens.”
“Ik weet het, Mel. Ik stel me ook ontzettend aan en maak mezelf helemaal gek met waarschijnlijk niks.”
“Inderdaad Ann, laat die droom rusten. Die hoort gewoon bij jou en je gekke dromenwereld.” Mel lacht en veegt de tranen van mijn wangen. “Ga lekker genieten van je feestje en van Jim. Het komt uiteindelijk allemaal goed, echt!”
Ik kijk haar aan en lach. “Je hebt gelijk, Mel. Ik maak mezelf helemaal paranoïde met die gedachtes.” “Inderdaad. Nou, veeg je tranen af. We gaan binnen nog een wijntje halen.”
“Geef me even een minuutje en dan kom ik.”
Mel lacht lief naar me en loopt naar binnen. Ik blijf nog even in de tuin. Het begint zachtjes te regenen. Ik voel me verloren en bang. Iedereen die ik wil vertellen over mijn echte gevoel en over die rare droom die steeds maar terugkomt, luistert niet naar me. Ik praat mezelf moed in en herhaal de gesprekken met Mel en mam in mijn hoofd. “Ann, je maakt jezelf gek en je praat jezelf ook van alles aan. Kap ermee en ga genieten van deze tijd! En van je eigen feestje!”
Opeens schrik ik: ik hoor iets, vlak achter me. Ik draai me snel om en zie mijn zusje. Waarschijnlijk heeft zij het hele gesprek met Mel gehoord. Ik kijk haar boos aan. “Kon je niet even laten weten dat jij er ook stond?”
Nik kijkt me ongerust aan en zegt: “Ann, ik vind dat je wél wat met die droom moet doen hoor! Een droom die niet verandert en steeds terugkomt; dat moet iets betekenen, echt!”
Ik kijk mijn zusje aan en trek mijn wenkbrauw op. “Serieus, Nik? Wat weet jíj nou!” Ik heb meteen spijt van mijn woorden.
Ze kijkt me boos aan en wil weglopen, maar ik pak haar vast en zeg dat het me spijt. “Sorry, Nik. Zo was het niet bedoeld. Ik ben een beetje gestrest en dat moet ik niet op jou afreageren.”
Ze kijkt me aan en trekt zich los. “Weet je wat jij moet doen, Ann? Ga jij maar lekker het gelukkige huisvrouwtje spelen met je vriend en je hondje. Trouw, krijg kinderen en word oud – of niet. En luister vooral niet naar je onderbuikgevoelens. Dan spreken we elkaar over tien jaar nog een keer en dan kijken we of je nog steeds zo gelukkig bent!”
Ik kijk Nik boos aan en wil wat terugzeggen, maar voordat ik de kans krijg, is ze al naar binnen gestormd. Ik blijf achter en vraag mezelf af hoe het kan dat mijn zeventienjarige zusje mijn gevoelens wél serieus neemt.

Jim en ik liggen in bed. Het feest is al een tijdje afgelopen en ik blijf maar denken aan mijn zusje. Hoe kan het dat zij mij wél gelooft en dat zij wél denkt dat die droom iets te betekenen heeft? Ik pak mijn telefoon en tik een berichtje. “Lieve Nik. Sorry, sorry, sorry voor vanavond. Ik was gewoon gestrest, boos en bang. Je hebt gelijk: ik moet er iets mee doen. Zullen we morgen samen lunchen? XX Ann.” Ik druk op de verzendknop en hoor het fluitende geluid van het verzonden berichtje. Nu maar hopen dat ze hem niet meteen verwijdert.
Jim draait zich om en vraagt met wie ik zo laat nog contact heb. ‘’Ik stuurde Nik even een berichtje. Zij en ik hadden vanavond een kleine discussie in de tuin.”
“Waarover?”
“Gewoon over zusjesdingen. Je kent het wel: geharrewar over de bruidsmeisjesjurken en zo.” Ik lach en draai me om.
Jim wrijft zachtjes over mijn rug en lacht: “Wat zusjes gewoon horen te doen dus, haha. Jullie moeten maar snel een dagje inplannen zodat jullie de band een beetje kunnen versterken!”
Ik lach en antwoord: “Ja, dat moeten we zeker doen. Morgen hebben we een lunchafspraak staan.”
“Goed zo!”
Ik zeg tegen Jim dat ik moe ben en graag wil gaan slapen. Hij geeft me een kus en draait zich om. Ik wacht tot hij slaapt en pak mijn laptop erbij. Ik zoek op internet naar ‘droom betekenis’ en scrol door pagina’s vol informatie. Hier word ik niet wijzer van. Ik klap mijn laptop dicht, ga liggen en sluit mijn ogen. Als die droom nu maar niet terugkomt. Ik probeer schaapjes te tellen: één schaapje, twee schaapjes, drie schaapjes, vier schaapjes… Mijn gedachten dwalen af naar mijn moeder, Mel en Nik. Het gesprek met mijn moeder zit me ook niet lekker. Ik zal morgenochtend bij haar langsgaan om verhaal te halen. Ik wil graag weten waarom ze mijn droom volkomen negeerde. Het voelt gewoon allemaal niet goed. Dat onderbuikgevoel is te sterk. Ik draai me om en kijk naar Jim. Hij ligt rustig te slapen en lijkt zo gelukkig. Ik streel zijn blonde haren. Ik wil hem ook helemaal niet kwijt; ons leventje, dit geluk. Ik wil onze relatie ook helemaal niet op het spel zetten voor een droom of voor mijn gevoelens. Die zijn nergens op gebaseerd. Ik praat het mezelf allemaal aan. Ik spreek met mezelf af dat het afgelopen moet zijn met dit getwijfel. Ik ben gelukkig met Jim, mijn leven en mijn verloving. Ik ga ervan genieten en ik ga Jim gelukkig maken. Mijn droom kan wel een betekenis hebben, maar dat heeft allemaal met mezelf te maken. Het is wat ík ermee doe en wat ík mezelf aanpraat. Even later val ik in slaap.

De auto start niet. Ik wacht een minuutje en probeer het dan nog een keer. Ik raak in paniek, want inmiddels staat er een hele stoet met toeterende auto’s achter me. Ik word zenuwachtig en weet niet meer wat ik moet doen. Ik kijk in mijn binnenspiegel en zie dat mijn huid bleek is; héél bleek. Ik stap uit de auto en schreeuw om hulp. Inmiddels is mijn witte jurk helemaal doorweekt door de regen. Ik sta op de weg en niemand stapt uit om me te helpen. Ik schreeuw nogmaals om hulp, maar er is niemand die me hoort of helpt. Ik kan geen kant op. Het lijkt wel of mijn voeten zijn vastgeplakt op het wegdek. Ik sta hier maar en mijn jurk schijnt inmiddels helemaal door. Het regent zo hard dat ik letterlijk niks meer kan zien. Ik probeer een stap te zetten, maar het lukt me niet. Ik kom hier nooit meer weg, denk ik bij mezelf. Ik hoor alle toeterende auto’s, maar waar ís iedereen? Waarom stapt niemand uit? Waarom helpt niemand me? Ik kijk achter me en zie een auto langzaam naar me toe rijden. De auto is donker en ook de ramen zijn geblindeerd. Hij stopt naast me en het raampje gaat langzaam naar beneden. Ik probeer door de regen heen te kijken, maar het lukt me niet. Ik probeer om hulp te vragen, maar uit mijn mond komt geen geluid. Door de regen heen hoor ik een vragende mannenstem: “Heb je misschien hulp nodig?” Ik probeer een stap te zetten om te zien wie het is. Maar niks lukt; ik kan geen antwoord geven en ook geen stap zetten. Ik wil dat deze persoon uitstapt. Ik probeer hem uit te leggen dat ik niks kan doen en dat mijn voeten zitten vastgeplakt, maar uit mijn mond komt geen geluid. Ik wil schreeuwen, ik wil rennen, ik wil kijken wie er in de auto zit, maar ik kan niks. Mijn hele lichaam is verstijfd, alsof ik van steen ben. De auto staat nog steeds naast me, maar er is niemand die uitstapt. Ik voel me verloren en bang. Help me nou, alsjeblieft! Ik snik zachtjes en probeer omhoog te kijken. Het regent zó hard dat ik inmiddels helemaal onderkoeld ben. Langzaam verdwijnen de auto’s om me heen, maar de donkere auto blijft. Het regent en het stopt maar niet. Help me… Iemand. Alsjeblieft! Ik probeer in de donkere auto te kijken, maar het lukt niet…

Voorproefje: Poldergruwel – Mark van Dijk

Op de boerderij heerste een doodse stilte. Alle dieren sliepen, terwijl in de verte de klok van de Dorpskerk twaalf uur sloeg.
Uit de meidentent scheen een zwak licht. Nadat Erik naar binnen was gegaan, hadden de meiden het niet meer over zijn verhaal gehad. Na wat gegeten te hebben, waren ze in een cirkel bij elkaar gaan zitten en de avond was voorbij gevlogen met vrolijk geroddel en meidenpraat. Er waren wel honderd dingen om elkaar te vertellen, maar één onderwerp werd zorgvuldig vermeden, tot Zoë er toch over begon.
‘Dat verhaal van Erik zal toch zeker wel onzin zijn?’ vroeg ze hoopvol.
‘Ik weet het niet,’ zei Inge. ‘Het kan best echt gebeurd zijn.’
‘Er gebeurden wel meer gekke dingen in die tijd,’ zei Kim. ‘Weten jullie dat mysterie nog van die verdwenen boerderij?’
‘Van dat schoolproject?’ vroeg Zoë. ‘Dat was toch nóg eerder? Ik dacht ergens in vijftienhonderd.’
‘Ja, zoiets. Dat was ook een gaaf verhaal,’ riep Esmee opgewonden. ‘Dat was ik al helemaal vergeten. Hoe zat dat ook alweer? Die boerderij was in één nacht helemaal door de aarde verzwolgen, toch?’
‘Yep,’ zei Kim. ‘Opgeslokt door een zinkput, met vrijgezelle boerin en dieren en al.’
‘Helemaal verdwenen, nooit meer iets van terug gevonden,’ mompelde Zoë.
‘Maar dat is nu geen mysterie meer,’ zei Inge. ‘Het kwam doordat er heel veel zeezout in het zand zat, dat oploste toen het ineens met grondwater in aanraking kwam.’
‘Ja, hè, hè,’ zei Esmee en schoot in de lach. ‘Dat weten ze nu, maar dat wisten ze toen toch niet. En trouwens, een boerderij die in één nacht helemaal verdwijnt zou nu nog steeds wereldnieuws zijn.’
‘Even iets anders,’ zei Zoë. ‘Hebben jullie ook gezien dat het volle maan is?’ Ze keek de andere meiden vragend aan.
Esmee haalde haar schouders op. ‘Ja, dat heb ik gezien. Wat geeft het? Of ben je soms toch een beetje bang door dat stomme verhaal van Erik?’ Ze zette haar handen in haar zij en keek haar tweelingzus brutaal aan.
‘Het is wel toevallig dat het net vanavond volle maan is,’ gaf Inge toe.
‘Ach joh, dat heeft die idioot van te voren geweten,’ zei Kim over haar broer.
Inge stond op van haar plaats en ritste de tent een klein stukje open. Met een bezorgd gezicht gluurde ze door de kleine kier naar buiten. ‘Het is in ieder geval niet mistig,’ meldde ze. ‘We moeten het er maar niet meer over hebben. Het was gewoon een onzinnig verhaal dat hij verzonnen heeft om ons bang te maken.’
Esmee grijnsde en zei: ‘Jij begint ook al bang te worden!’ Ze keek Inge verbaasd aan. ‘Ik had jou toch wel iets heldhaftiger ingeschat.’
‘Ik ben niet bang! Ik keek gewoon even of het al mistig werd.’ Inge haalde ongeïnteresseerd haar schouders op. ‘Laat die mist maar komen, hoor, wat mij betreft. Ik hou wel van een beetje avontuur.’
Kim schrok. ‘Dat moet je niet zeggen. Straks krijgen we ineens echt mist.’
‘Welnee, maak je nou maar niet zo druk,’ zei Esmee. ‘Het is gewoon een stom puberverhaaltje.’ Ze keek Kim aan en zei: ‘Bovendien zitten we nog steeds vlak voor de deur van je huis, dus wat kan ons nou gebeuren?’
‘Dat is waar,’ beaamde Kim. ‘We kunnen zo naar binnen rennen als het moet. We zijn zo veilig als het maar kan.’
‘Ik vind wel dat we dit niet zomaar over onze kant moeten laten gaan,’ zei Inge. ‘We laten ons aardig gek maken door die etterbak.’
‘Precies!’ riep Kim. ‘We moeten hem zijn plek maar eens leren.’
‘Als we hem nou morgen zelf eens bang maken?’ zei Zoë.
‘Ja, we laten hem schrikken,’ zei Inge.
‘En niet één keer, maar gewoon de hele dag lang,’ zei Kim. ‘Dat zal hem leren ons van die stomme verhalen te vertellen.’
‘Goed idee, zeg,’ zei Zoë. ‘Nu ik weet dat gerechtigheid zal zegevieren kan ik met een gerust hart in slaap vallen.’ Ze geeuwde en rekte zich uit.
Door de koele zomeravond begon het fris in de tent te worden. De meiden nestelden zich met hun kleding aan in hun slaapzak en begonnen hun wraakplannen te perfectioneren tot ze door de slaap werden overvallen.

Ineens schoot Inge in haar slaapzak overeind. Haar blauwe ogen stonden wijd open van de schrik. Langs de zijkant van de tent klonk vreemd geritsel. Ze kneep haar ogen tot spleetjes om iets in de pikdonkere tent te zien, maar tevergeefs. Het was te donker om ook maar iets te kunnen onderscheiden. Met tegenzin vroeg ze zich af of ze voorzichtig met een half oog buiten de tent moest kijken, om te zien wat het was, maar ze besloot meteen dat dit een waardeloos idee was. De anderen wakker maken en dán een kijkje nemen sprak haar veel meer aan, dus gaf ze voor de vorm een gilletje en liet zich over Kim vallen, die meteen wakker schrok.
‘Wat is er?’ vroeg Kim nijdig en veel te luid, waardoor Zoë en Esmee ook wakker werden.
‘Ik hoorde iets buiten de tent,’ zei Inge zacht.
‘Wat hoorde je dan?’ vroeg Zoë slaperig.
‘Weet ik niet. Ik hoorde gewoon iets geks.’
‘Zullen we kijken wat het is?’ vroeg Esmee opgewonden.
‘Ja, dág!’ zei Kim. ‘We zitten hier tegen de duinen aan. Het barst hier ’s nachts van de vossen.’ Ze klonk vastbesloten, maar Esmee was vliegensvlug uit haar slaapzak gekropen en had de rits van de tent al in haar vingers.
‘Ik heb nog nooit een vos gezien,’ zei ze. Langzaam trok ze de rits naar boven. In hetzelfde tempo zakte haar mond open. Niemand durfde meer iets te zeggen toen ze het zout in hun neuzen voelden branden. Onzeker staarden ze de dichte mist in en keken vervolgens naar elkaar. Zoë was de eerste die de stilte verbrak: ‘Oké, ik wil niet zeuren, maar nu ben ik echt bang.’
‘Ik ook,’ zei Kim.
De blikken van Inge en Esmee kruisten elkaar vluchtig, toen Esmee de grote Maglite zaklamp pakte.
‘We willen toch weten wat Inge net hoorde? Ik ga even kijken.’
‘Niemand wil dat weten, alleen jij,’ snauwde Zoë tegen haar zus.
‘Geen stomme geintjes uithalen,’ waarschuwde Kim.
‘Wees maar niet bang. Ik ga alleen even kijken. Er zal wel een egel of zoiets naast de tent lopen.’
Esmee zette een voet buiten de tent en speurde met de zaklamp de omgeving af.
‘Zie je iets?’ vroeg Kim.
‘Nee, het is veel te mistig om iets te zien.’ Esmee bleef twijfelend staan en draaide zich naar Inge. ‘Ga je mee, even kijken?’ vroeg ze hoopvol. ‘Ik heb nog nooit zo’n dichte mist gezien.’
‘Ben je nu toch bang?’ plaagde Zoë haar zus.
‘Misschien kunnen we beter met zijn allen gaan kijken,’ probeerde Inge.
Weinig enthousiast werden er onderling twijfelende blikken uitgewisseld. Met tegenzin kwam de rest ook overeind. Ze liepen voorzichtig achter Esmee aan en schuifelden één voor één de tent uit. Gespannen keken ze om zich heen. De krachtige bundel licht van de zaklamp bleek geen partij voor de dikke mist, zodat ze amper een meter zicht hadden. Voetje voor voetje liepen ze om de tent heen en hielden hun ogen op de grond gericht, maar er viel niets vreemds te bekennen.
Net toen Esmee de tent weer binnen wilde stappen, zag Kim, die achteraan liep, vanuit haar ooghoek iets schitteren.
‘Wacht, ik zie iets,’ zei Kim en pakte Zoë’s arm vast. Ze stond stil en keek in de richting waar de vreemde schittering was verschenen. In de verte brandde een klein en helderwit licht.
‘Zien jullie dat ook, daar in de verte?’ vroeg ze en wees in de goede richting.
De anderen tuurden door de dichte mist om ook een glimp van het schijnsel op te vangen.
‘Ik zie het ook!’ riep Zoë nerveus. ‘Wat kan het zijn?’
De kleine lichtbundel leek feller te worden, alsof het dichterbij kwam. Plotseling vervaagde de heldere witte kleur en ging langzaam over in een zacht gele tint. Het leek nu alsof het altijd geel geweest was. Door het fonkelen en de subtiele verandering die de kleur steeds onderging, bleven de meisjes gefascineerd naar de kleine lichtbron kijken. Nu werd het geel wazig en veranderde zelfs van vorm. De schittering leek zich uit te rekken en werd langzaam ovaal. Het waas verdween en ineens was de glinstering paars.
Zonder dat ze het zelf door hadden, pakten de meisjes elkaars hand vast.
De ovale, paarse gloed had steeds stil in de lucht gehangen, maar begon nu traag rondjes te draaien. Plotseling schoot het met een noodvaart op ze af en nog voordat iemand kon reageren, explodeerde het schijnsel in een enorme paarse flits, die de dichte nevel om hen heen volledig mee kleurde. Eén moment kon geen van hen ademen, alsof ze zich in een vacuüm bevonden. Kim probeerde te gillen, maar er kwam geen geluid. Even plotseling was de flits weer voorbij. Ze hapten naar lucht en zogen gretig de zoute zeelucht op, die nog nooit zo verfrissend had gevoeld. Met grote ogen en angstige gezichten keken ze elkaar aan, maar niemand durfde de stilte te verbreken.
Na een seconde of tien was het Esmee die haar rug rechtte en vroeg: ‘Wat was dat?’ Haar stem trilde een beetje.
‘Geen idee en ik wil het ook niet weten,’ zei Zoë.

“Eindelijk weer eens een fantasievol verhaal met alle ingrediënten: een dosis humor, fijne spanning en volop actie. Het verhaal prikkelt de verbeelding en voedt de fantasie. Iets wat je niet vaak meer tegenkomt.”
Helen Vreeswijk (auteur van onder andere Loverboys, Zwijgplicht en De Kick)

Voorproefje: Evolutie – Ursula Visser

hoofdstuk 1 (begin)

In het schijnsel van het felle licht zag ik de vrouw waaruit ik als eerste van de drieling was geboren. Ze huilde toen mijn broer en zus nauwelijks ademend ter wereld kwamen. Dokter Jefferson gaf de lichaampjes aan een zuster, die ze snel meenam. Troostend zei hij dat hij haar de aanblik van haar stikkende kinderen wilde besparen. De natuur selecteerde de sterkste: mij. Mijn zus en broer… Ik ben niet zoals zij.
Claire, de vrouw die mij gebaard had, liet duidelijk merken dat ze blij was dat ik leefde. Murmelde onverstaanbare woorden in mijn zwarte haar. Ik haatte haar, de mensen die mij dit aangedaan hadden en dit weerloze lichaam dat me gegeven was. De op kleine wormen lijkende aanhangsels van vingers; de blubberende nutteloze benen. Het feit dat ik mijn hoofd nauwelijks omhoog kon houden.
Vrouwen in witte jurken brabbelden tegen mij met hoge opgewonden stemmen en legden me in een bedje bij andere pasgeborenen. Ik schrok me wezenloos toen ik besefte dat ik er waarschijnlijk ook zo uitzag. Ze keken doelloos naar het plafond. Kwijlend, huilend. Ze konden niets, niet eens communiceren. Geloof me, ik heb van alles geprobeerd om een gesprek met hen te beginnen, er kwam geen zinnig geluid uit. De andere wezens konden niet zelfstandig bewegen. Het enige wat we gemeen bleken te hebben was ons hulpeloze lichaam.
Ik hoorde hier niet, het voelde zo afhankelijk. Ik zou moeten wachten tot de tijd juist was om degene te vinden die hiervoor verantwoordelijk was. Dan zou ik op zoek gaan naar mijn echte ouders.
Voordat mijn benen het zwakke lichaam konden dragen sprak ik al vloeiend. De vrouw die Claire werd genoemd gaf me genoeg te eten, baadde me iedere dag en zorgde ervoor dat ik warm bleef. Ze noemde me John Water.

Voorproefje: Dragan Duma, Een onbreekbare band – Patty

* Een Onbreekbare Band speelt zich 330 jaar voor de Drägan Duma trilogie af en kan als stand-alone worden gelezen. Het is een verhaal over moeilijke keuzes, angst voor het onbekende, diepe banden aangaan en een wanhopige strijd om te overleven. *

Duisternis. Een angstaanjagende leegte waar geen einde aan lijkt te komen.
Mijn borstkas zwoegt op en neer; ik krijg bijna geen lucht! Het is alsof er een band om me heen is geslagen die steeds strakker wordt aangetrokken. De totale afwezigheid van licht en geluid is huiveringwekkend. IJskoude kettingen lijken me op mijn plaats vast te snoeren. Gevangen. Ik kom hier nooit meer weg.

Groen.
Groene schubben, groene vleugels.
Angst.
De kou kruipt in mijn botten.

Het duister verdrijft de vreemde beelden en gevoelens. Wat was dat? Net als de verstikkende atmosfeer van mijn omgeving voelde het angstaanjagend echt aan.
Een helder licht verblindt me en het gebrul van draken vult de lucht om me heen. Ik gluur door mijn wimpers en zie tot mijn verbazing een berglandschap voor ons opdoemen. Achter een hoge berg waar drägan ons vanaf de uitsteeksels begroeten, ligt een dorp, beschenen door het licht van de ondergaande zon. Is dit Dragon Stone? Hoe zijn we hier zo vlot gekomen?
O ja, de Poorten! Draken reizen via portalen door het Niets en duiken zo in een oogwenk ergens anders in Xydoyla op. Dus dat was die duisternis… Ik ril van top tot teen. Dat draken en hun ridders op deze manier reizen vind ik onbegrijpelijk.
Ataloth daalt rustig in cirkels naar beneden en landt op het plein voor de berg. Dat viel me alles mee, zeker na het abrupte vertrek. Bian tikt me op mijn schouder en gebaart me af te stappen. Gehoorzaam zwaai ik mijn been over Ataloths nek om achterwaarts naar beneden te klimmen. De sleep blijft echter aan de nekstekels van de draak hangen en ik verlies mijn evenwicht. Ik slaak een gil wanneer de sleep afscheurt en ik naar beneden stort.
Juvo krijst in mijn oor en klampt zich aan me vast.
Vlak voordat ik tegen de keien sla, word ik opgevangen door twee sterke armen. Opgelucht zet ik mijn voeten neer en kijk omhoog naar het gezicht van degene die me nog altijd stevig vasthoudt. Het is de jonge ridder met het vriendelijke gezicht. Hij heeft een karamelkleurige huid en mooie hazelnootkleurige ogen met pretlichtjes erin.
‘Bedankt’, fluister ik ademloos.
‘Graag gedaan. Het gebeurt niet elke dag dat er een mooie dame uit de lucht komt vallen’, zegt de jongen met een knipoog.
‘Zo kan die wel weer, Trench.’ Bian staat inmiddels naast me en zegt: ‘Ze is al laat, dus vooruit met de tjalika.’
Trench grijnst en neemt de tegenstribbelende mialou van me over. Met ferme passen loopt hij naar de enorme, houten deuren die in een opening van de berg hangen. Ataloth beweegt zijn kop in mijn richting en ik verstijf. De dräga is echt monsterlijk groot!
Bian geeft me een zetje tegen mijn schouder: ‘Kom op meid, er staat een leven op het spel.’ Zijn dringende toon zorgt ervoor dat ik in beweging kom. Ik schop mijn schoenen uit, til de gescheurde rok op en dribbel op blote voeten achter Trench aan.

In het schemerachtige gangenstelsel van de berg moet ik haast rennen om de twee mannen bij te houden. Ik vloek binnensmonds als ik mijn kleine teen tegen een stuk rots stoot. Tijd om stil te staan heb ik niet; Bian en Trench lopen stevig door en verdwijnen de volgende gang in. Ik volg ze de hoek om en blijf dan met bonzend hart staan.
De zwarte draak zwaait haar kop in mijn richting, opent haar muil en ik sla mijn handen voor mijn oren als haar gebrul weerkaatst tegen de stenen wanden.
Een onherkenbaar verbrand lichaam smeult nog na in het zand dat rood kleurt van het bloed…
Bian pakt mijn polsen beet en kijkt me doordringend aan. ‘Dit is niet het moment om te aarzelen. Je stapt nu met zelfvertrouwen en rechte rug het zand op, hoor je me? Draken ruiken angst en reageren er over het algemeen heftig op, dus zorg dat je jezelf onder controle hebt. Het drakenjong kiest jou. Ataloth heeft nog nooit een onterechte kandidaat aangewezen.’
Hoewel ik maximaal de helft begrijp van wat hij heeft gezegd, knik ik beduusd. Het drakenjong kiest mij? En dan? Moet ik die dan temmen of zo? Hoe doe je dat? De vragen kolken door mijn hoofd, maar Bian heeft zich alweer omgedraaid en gebaart me op te schieten.
Ik schuifel over het zand, dat tussen mijn tenen kriebelt, naar voren.
Gatver, nat! Met een vieze blik kijk ik naar mijn voet. Is dat … bloed?
Met een rommelend geluid zuigt de draak lucht in zijn longen, spert zijn bek open en spuwt een straal vuur uit. Ik hef mijn rechterarm beschermend voor mijn gezicht…
Verwoed probeer ik het bloed aan het zand af te vegen. Ik wil er niet aan denken dat ík straks gebroken en onbeweeglijk op de broedplaats lig.
De draak spant haar spieren aan om ons te bespringen. Tranen beginnen uit pure angst over mijn wangen te stromen.
Het zweet breekt me uit en ik wil niets liever dan rechtsomkeert maken; wegrennen alsof een Morbide me op de hielen zit. Wat doe ik hier?
Ik slik en maan mezelf tot kalmte, terugdenkend aan de woorden van Tarun. De moeder wil haar jongen beschermen. Ze is geen kwaadaardig monster, alleen een moeder. Het ei, dat is belangrijk. Daar moet ik me op focussen.
Ik neem de omgeving in me op. Daar! Tussen de voorpoten van de zwarte dräga ligt een eenzaam ei, omringd door de schalen van de reeds uitgekomen eieren.
Is het nu de bedoeling dat ik naar het ei loop? Nerveus hef ik mijn gezicht naar de moederdraak. Dat blijkt een vergissing; haar kop schiet naar voren en haar kaken klappen vlak voor mijn neus op elkaar. Van schrik zet ik een paar passen achteruit. Ik struikel en kom onelegant op mijn billen terecht.
De muil van de draak hangt vlak boven me, ik ruik het vuur in haar adem. Draken ruiken angst.
Ik probeer uit alle macht mijn razende hartslag onder controle te krijgen. Enerzijds ruiken zij de angst, anderzijds voelen zij dat je iets probeert te verbergen.
Hoe toon je geen angst als je doodsbang bent?
… met een misselijkmakende klap tegen een van de grote pilaren terecht. Hij blijft doodstil liggen.
Ik schud de onaangename herinnering van me af, zo ga ik niet eindigen!
De draak opent haar muil en ik kijk recht tegen de rijen vlijmscherpe tanden aan. Zonder na te denken zet ik mijn handen tegen haar onderkaak en duw zo hard ik kan. De draak trekt met een ruk haar kop weg en loert naar me. Zonder te knipperen staar ik naar het grote, oranje oog terwijl ik overeind krabbel.
Ik recht mijn rug en neem op de bluf een stap in de richting van het ei. Waarschuwend gegrom laat me aarzelen.
De stem van Castian duikt op uit mijn herinneringen: ‘Drägan kunnen dus gedachten lezen?’
Ik raap al mijn moed bij elkaar en richt me mentaal tot de zwarte dräga: Ik ben Feniksa Drakena, vrouwe van Slot Silverfang! Ataloth heeft me gestuurd om verbonden te worden.
Tjorks lachende gezicht verschijnt voor mijn geestesoog.
Ik wil tegen Morbiden vechten! voeg ik er in gedachten aan toe.
De draak houdt haar kop schuin. Heeft ze me begrepen, of denkt ze aan hoe gemakkelijk ze me op kan peuzelen?
Op hoop van zegen dan maar… Ik stap naar voren.
Tot mijn verbazing trekt de zwarte draak zich terug. Het ei begint woest te schommelen en barstjes verschijnen over het oppervlak. Gefascineerd zie ik hoe de scheuren groter en groter worden tot het ei openbarst en er een groen drakenjong op het zand belandt. Nog nat struikelt het over haar eigen poten. De vleugeltjes hangen opgevouwen en verfrommeld tegen haar zij aan gedrukt.
Zwijgend kijken we elkaar aan, mens en draak. Alles om me heen vervaagt. Alsof het er niets toe doet, alsof de rest van de wereld niet meer bestaat. Een onzichtbare bubbel waar alleen het groene drakenjong en ik in zitten.
Waar wacht je nog op? Ga naar haar toe!
Ik schrik me een ongeluk van de zware stem in mijn hoofd. Ataloth?
Mijn slapen steken en duizelig beweeg ik me in de richting van de kleine dräga.
Vlak voor haar blijf ik staan. Haar gele ogen met groene en blauwe stippels erin sprankelen van nieuwsgierigheid en ze snuft met haar natte snuit aan mijn hand. Opeens heb ik dubbele gevoelens; ik voel me verwonderd en tegelijk bevreesd. Het is een heel aparte gewaarwording, alsof ik uit twee personen besta.
‘Jij daar! Met je groene draak!’
Met moeite ruk ik mijn aandacht los van het prachtige schepseltje voor mij en richt me op. Een dame met een lange, blonde vlecht komt van achter de zwarte dräga tevoorschijn. Achter haar staan Bian en een onbekende man. Ze gebaren naar me.
‘Kom’, fluister ik tegen het draakje. Gehoorzaam volgt het wezentje me naar de blonde vrouw en de twee mannen.
Het drakenjong schuurt met haar kop langs mijn bovenbeen en ik krijg spontaan ontzettend honger. Afwezig streel ik over de geschubde kop en het beest begint zacht te brommen. Het is een aangenaam geluid dat door mijn vingertoppen trilt. Haar huid voelt zachter en gladder dan gedacht. Waarschijnlijk omdat ze nog zo jong is; de schubben van Ataloth zijn veel ruwer. Mijn maag trekt knorrend samen. Vreemd, zo lang is het nog niet geleden dat ik heb gegeten. Of wel?
Ik blijf voor de vrouw met de blonde vlecht staan. De man naast haar is lang, heeft felrood haar en donkerbruine ogen, die mij onderzoekend aankijken. Ik houd mijn adem in. In gedachten hoor ik hem roepen dat er een vergissing is gemaakt en dat het draakje dat zich tegen mijn been aan drukt iemand anders toebehoort. Tot mijn eigen verbazing spannen mijn spieren zich alsof ik bereid ben om voor het drakenjong te vechten.
De man zwijgt. Waarschijnlijk vraagt hij zich af waar ik opeens vandaan ben gekomen, Slot Silverfang ligt niet eens in het territorium van de Dragonstoneclan.
De vrouw met de vlecht pakt de kop van het groene draakje naast mij vast. ‘Jouw naam is Danaleth. Je bent een draak van de Drakenburcht van Dragon Stone.’ De ogen van het draakje gloeien op, waarna de vrouw haar loslaat.
‘Jullie leggen nu de Eed af die jullie voor altijd verbindt. Spreek, Silseba.’
De Eed? Welke eed? Zenuwachtig graaf ik in mijn geheugen naar iets wat Bian misschien tegen me gezegd heeft over een eed, maar ik vind niets.
De vrouw merkt mijn verwarring op en zegt in de Oorspronkelijke Taal: ‘Voor nu, voor altijd. Onze zielen verbonden. Samen zullen wij strijden voor vrijheid en veiligheid.’
De Eed der Verbondenheid! Sianna heeft me daar les over gegeven; het is de gelofte die de drakenridders uitspreken om hun ziel aan een dräga te verbinden. De oude woorden zijn doordrenkt met magie.
Ik lik langs mijn lippen om ze te bevochtigen en dreun de woorden op: ‘Fort toh, fort älfinia. Siëst slysma donren. Sielaya ekai siesta blädren fort libermay int tûstmay.’
Zodra het laatste woord over mijn tong rolt, vult mijn hoofd zich met kleuren en ik wankel als ze exploderen. Gedachten die niet van mij zijn dringen mijn geest binnen en duiken in mijn geheugen.
Herinneringen aan mijn jeugd flitsen op en de plaatjes van mensen die ik ken trekken in een razend tempo voorbij. Castian komt het vaakst langs; de band met mijn tweelingbroer is dan ook erg sterk. Ik mis hem nu al.
Gelijk voel ik een troostende aanwezigheid die me vreemd genoeg kalmeert. Mijn lichaam schokt terwijl de vreemde gedachtetentakels zich met mijn geest verstrengelen. Mijn huid begint te gloeien.
Dan klinkt een zachte stem: Feniksa? Niet verdrietig zijn, ik ben bij je.
Een gevoel van intense liefde en trouw overspoelt me. Het gegloei trekt zich langzaam terug uit mijn ledematen tot er een vonkje blijft branden op de plaats van mijn hart.
Aarzelend open ik mijn ogen en kijk het drakenjong naast me aan. Ik moet heftig slikken om de brok in mijn keel weg te krijgen. Ik ben verbonden met een draak!

Drägan Duma – Een Onbreekbare Band is verkrijgbaar bij alle (internet) boekhandels en natuurlijk op de site van Celtica Publishing: http://www.celtica-publishing.nl/opencart/Boeken/Young_adults/Een_Onbreekbare_Band

Voorproefje: Kwade Geest – Mark van Dijk

Proloog

‘Gefeliciteerd met je achttiende verjaardag, meid.’ Een man van middelbare leeftijd schudde de hand van een knappe, jonge meid, met een lief gezicht. Ze lachte, waardoor er een kuiltje in haar linkerwang te voorschijn kwam.
‘Dank u,’ zei ze. We zullen het huis netjes houden!’ Ze staarde naar de grond en veegde een blonde lok achter een van haar oren.
‘Kom nou maar mee,’ riep een andere meidenstem van dichtbij. ‘We zijn nog steeds niet klaar met de hapjes.’
Een donkerblond meisje kwam naast haar staan. ‘Pap, ga nou maar! We redden het hier echt wel. We willen alleen weten wanneer jullie terugkomen?’
De man fronste. ‘Morgenmiddag, rond een uur of twaalf. Tenminste… als je moeder een beetje opschiet, anders zijn we pas morgenmiddag weg.’

Een paar uur later was het feest in volle gang. De meeste gasten waren gekomen en er werd volop gelachen en gedronken. De twee hartsvriendinnen kwamen samen van de geïmproviseerde dansvloer in de tuin en liepen naar binnen.
‘Ik vind het echt onwijs lief van je ouders dat ik mijn verjaardag bij jou thuis mag vieren,’ zei Marcella, terwijl ze glimlachte.
‘Je weet toch hoe mijn ouders zijn?’ antwoordde Anouk. ‘En je had het moeilijk bij jouw ouders kunnen vieren.’
Marcella’s glimlach verflauwde. ‘Ja, dan hadden we wel iets meer bier mogen halen. Maar goed, wil jij nog wat drinken?’ Ze had vanavond geen zin om het verhaal over haar dronkenlap van een vader op te rakelen.
Anouk zag het en liet het onderwerp verder rusten. Hand in hand liepen ze naar de bar en schonken samen een nieuw mixje in.
‘Hé dames, spelen jullie mee?’ riep iemand achter hen. Beide meisjes draaiden zich om en zagen een jongen, die een houten spelbord in de lucht hield.
‘Wat heb je daar nou weer?’ riep Anouk terug.
‘Dat is dat bord dat we vorige maand in Amsterdam hebben gekocht,’ zei Marcella. ‘Ik heb hem meegenomen. Leek me wel grappig voor vanavond. Kom, we doen ook mee.’
Er werd nog ergens een jongen vandaan getrokken en nadat Marcella voor de sfeer het licht iets gedimd had, kropen ze met zijn vieren om het bord. De regels waren simpel en bekend. Alle vier lieten ze hun handen op het schuifje rusten, dat in het midden op het bord lag. Tegelijktijdig duwden ze het schuifje met de klok mee over het bord, in steeds groter wordende cirkels.
Eén van de jongens begon met het stellen van vragen die alleen met ja of nee beantwoord konden worden: ‘Is daar iemand?’
Er gebeurde niets.
‘Is daar iemand die met ons wil praten?’
Het schuifje op het bord begon te trillen en schoof langzaam naar “YES.”
Ze schoten allemaal in de lach, terwijl ieder er voor zich probeerde achter te komen wie van hen nou eigenlijk het schuifje bewoog.
‘Trouw ik later met een knappe man?’ vroeg Marcella.
Vliegensvlug schoof het schuifje naar “NO.”
Er werd weer gelachen. Ondertussen kwamen er steeds meer mensen om hen heen staan.
‘Dat wordt trouwen met een lelijke vent,’ riep één van de jongens aan het bord.
‘Ja, waarschijnlijk met jou!’ reageerde een toeschouwer.
Een luid gejoel barste los en de sfeer werd uitgelaten.
‘Blijven Marcella en ik altijd vriendinnen?’ vroeg Anouk.
Het schuifje maakte opnieuw een rondje over het bord en schoof ineens met een wilde beweging naar “NO.”
‘Nou, wie doet dat?’ zei Marcella, terwijl ze de groep rondkeek. ‘Dit is echt lullig!’
Het schuifje begon ruw heen en weer te schuiven tussen “YES” en “NO”. Plots begonnen de lichten te flikkeren en iedereen keek elkaar geschrokken aan.
‘Ik kan niet meer loslaten!’ gilde Anouk in paniek. In slechts één seconde veranderde alles in een chaos. Vanuit het niets begon de radio hard te spelen en het licht sneller te knipperen. De televisie sprong aan en uit. Aan en uit. Aan en uit.
‘Ik zit ook vast!’ riep Marcella bang.
Het feest viel stil en iedereen probeerde zo snel mogelijk het huis te verlaten, zonder zich verder over de vier spelers te bekommeren.
Hoewel de aantrekkingskracht van het schuifje bleef, lukte het één van de jongens om zichzelf los te rukken. Onmiddellijk werd hij met een enorme kracht door de kamer geslagen. Ergens vloog er een rij bloempotten van een plank en belandde met veel kabaal op de grond. Iedereen rende door elkaar en probeerde voor zichzelf een uitgang te vinden. De temperatuur in de kamer begon snel te dalen en héél even werd van iedereen de adem zichtbaar, alsof dit tafereel zich op een ijskoude winterdag voltrok, in plaats van op een prachtige zomeravond. De jongen die het bord had losgelaten rende naar de openstaande deur. Precies op het moment dat hij erdoor was, sloeg de deur met een luide klap dicht. Buiten begon de jongen hysterisch te krijsen.
Met veel pijn en moeite wisten Marcella en Anouk zich ook los te rukken van het bord. Tegelijkertijd vielen alle lichten uit en explodeerden er in de keuken en woonkamer overal lichtpeertjes. Er vloog een vitrinekast tegen één van de muren aan, waardoor overal glassplinters in het rond vlogen. De woonkamer en de keuken lagen bezaaid met scherven. Iedereen rende in paniek ergens anders naar toe. Het beeldscherm van de flatscreen televisie smolt weg, waardoor het plastic in taaie draden op de vloer droop. Vanuit de keuken vlogen borden en kopjes de kamer in en raakten verscheidene gasten tegen het hoofd. Met bebloede gezichten probeerden de laatst overgeblevenen een uitweg te vinden.
Anouk en Marcella keken verdwaasd naar het schouwspel om hen heen, toen hun aandacht ineens getrokken werd door een krassend geluid. Ze keken achterom en zagen hoe de eetkamertafel wild begon te schudden. Plots kwam de tafel los van de vloer en begon langzaam te zweven. Eenmaal in de lucht begon de tafel om zijn as te draaien, steeds sneller en sneller.
Doodsbang renden Anouk en Marcella naar de voordeur en probeerde deze wanhopig te openen, maar de deur zat muurvast. Toen leek al het geluid om hen heen weg te sterven. Gealarmeerd door het vreemde vacuüm waarin ze zich opeens leken te bevinden, keek Anouk opnieuw achterom. Ze zag nog net de zware, eikenhouten eettafel met grote snelheid op haar en Marcella afkomen. Pijlsnel draaide ze zich om. Ze wilde Marcella waarschuwen, maar er was geen tijd meer. De tafel sloeg met een enorme klap tegen haar rug. Alles om haar heen kleurde zwart.