Voorproefje: Kwade Geest – Mark van Dijk

Proloog

‘Gefeliciteerd met je achttiende verjaardag, meid.’ Een man van middelbare leeftijd schudde de hand van een knappe, jonge meid, met een lief gezicht. Ze lachte, waardoor er een kuiltje in haar linkerwang te voorschijn kwam.
‘Dank u,’ zei ze. We zullen het huis netjes houden!’ Ze staarde naar de grond en veegde een blonde lok achter een van haar oren.
‘Kom nou maar mee,’ riep een andere meidenstem van dichtbij. ‘We zijn nog steeds niet klaar met de hapjes.’
Een donkerblond meisje kwam naast haar staan. ‘Pap, ga nou maar! We redden het hier echt wel. We willen alleen weten wanneer jullie terugkomen?’
De man fronste. ‘Morgenmiddag, rond een uur of twaalf. Tenminste… als je moeder een beetje opschiet, anders zijn we pas morgenmiddag weg.’

Een paar uur later was het feest in volle gang. De meeste gasten waren gekomen en er werd volop gelachen en gedronken. De twee hartsvriendinnen kwamen samen van de geïmproviseerde dansvloer in de tuin en liepen naar binnen.
‘Ik vind het echt onwijs lief van je ouders dat ik mijn verjaardag bij jou thuis mag vieren,’ zei Marcella, terwijl ze glimlachte.
‘Je weet toch hoe mijn ouders zijn?’ antwoordde Anouk. ‘En je had het moeilijk bij jouw ouders kunnen vieren.’
Marcella’s glimlach verflauwde. ‘Ja, dan hadden we wel iets meer bier mogen halen. Maar goed, wil jij nog wat drinken?’ Ze had vanavond geen zin om het verhaal over haar dronkenlap van een vader op te rakelen.
Anouk zag het en liet het onderwerp verder rusten. Hand in hand liepen ze naar de bar en schonken samen een nieuw mixje in.
‘Hé dames, spelen jullie mee?’ riep iemand achter hen. Beide meisjes draaiden zich om en zagen een jongen, die een houten spelbord in de lucht hield.
‘Wat heb je daar nou weer?’ riep Anouk terug.
‘Dat is dat bord dat we vorige maand in Amsterdam hebben gekocht,’ zei Marcella. ‘Ik heb hem meegenomen. Leek me wel grappig voor vanavond. Kom, we doen ook mee.’
Er werd nog ergens een jongen vandaan getrokken en nadat Marcella voor de sfeer het licht iets gedimd had, kropen ze met zijn vieren om het bord. De regels waren simpel en bekend. Alle vier lieten ze hun handen op het schuifje rusten, dat in het midden op het bord lag. Tegelijktijdig duwden ze het schuifje met de klok mee over het bord, in steeds groter wordende cirkels.
Eén van de jongens begon met het stellen van vragen die alleen met ja of nee beantwoord konden worden: ‘Is daar iemand?’
Er gebeurde niets.
‘Is daar iemand die met ons wil praten?’
Het schuifje op het bord begon te trillen en schoof langzaam naar “YES.”
Ze schoten allemaal in de lach, terwijl ieder er voor zich probeerde achter te komen wie van hen nou eigenlijk het schuifje bewoog.
‘Trouw ik later met een knappe man?’ vroeg Marcella.
Vliegensvlug schoof het schuifje naar “NO.”
Er werd weer gelachen. Ondertussen kwamen er steeds meer mensen om hen heen staan.
‘Dat wordt trouwen met een lelijke vent,’ riep één van de jongens aan het bord.
‘Ja, waarschijnlijk met jou!’ reageerde een toeschouwer.
Een luid gejoel barste los en de sfeer werd uitgelaten.
‘Blijven Marcella en ik altijd vriendinnen?’ vroeg Anouk.
Het schuifje maakte opnieuw een rondje over het bord en schoof ineens met een wilde beweging naar “NO.”
‘Nou, wie doet dat?’ zei Marcella, terwijl ze de groep rondkeek. ‘Dit is echt lullig!’
Het schuifje begon ruw heen en weer te schuiven tussen “YES” en “NO”. Plots begonnen de lichten te flikkeren en iedereen keek elkaar geschrokken aan.
‘Ik kan niet meer loslaten!’ gilde Anouk in paniek. In slechts één seconde veranderde alles in een chaos. Vanuit het niets begon de radio hard te spelen en het licht sneller te knipperen. De televisie sprong aan en uit. Aan en uit. Aan en uit.
‘Ik zit ook vast!’ riep Marcella bang.
Het feest viel stil en iedereen probeerde zo snel mogelijk het huis te verlaten, zonder zich verder over de vier spelers te bekommeren.
Hoewel de aantrekkingskracht van het schuifje bleef, lukte het één van de jongens om zichzelf los te rukken. Onmiddellijk werd hij met een enorme kracht door de kamer geslagen. Ergens vloog er een rij bloempotten van een plank en belandde met veel kabaal op de grond. Iedereen rende door elkaar en probeerde voor zichzelf een uitgang te vinden. De temperatuur in de kamer begon snel te dalen en héél even werd van iedereen de adem zichtbaar, alsof dit tafereel zich op een ijskoude winterdag voltrok, in plaats van op een prachtige zomeravond. De jongen die het bord had losgelaten rende naar de openstaande deur. Precies op het moment dat hij erdoor was, sloeg de deur met een luide klap dicht. Buiten begon de jongen hysterisch te krijsen.
Met veel pijn en moeite wisten Marcella en Anouk zich ook los te rukken van het bord. Tegelijkertijd vielen alle lichten uit en explodeerden er in de keuken en woonkamer overal lichtpeertjes. Er vloog een vitrinekast tegen één van de muren aan, waardoor overal glassplinters in het rond vlogen. De woonkamer en de keuken lagen bezaaid met scherven. Iedereen rende in paniek ergens anders naar toe. Het beeldscherm van de flatscreen televisie smolt weg, waardoor het plastic in taaie draden op de vloer droop. Vanuit de keuken vlogen borden en kopjes de kamer in en raakten verscheidene gasten tegen het hoofd. Met bebloede gezichten probeerden de laatst overgeblevenen een uitweg te vinden.
Anouk en Marcella keken verdwaasd naar het schouwspel om hen heen, toen hun aandacht ineens getrokken werd door een krassend geluid. Ze keken achterom en zagen hoe de eetkamertafel wild begon te schudden. Plots kwam de tafel los van de vloer en begon langzaam te zweven. Eenmaal in de lucht begon de tafel om zijn as te draaien, steeds sneller en sneller.
Doodsbang renden Anouk en Marcella naar de voordeur en probeerde deze wanhopig te openen, maar de deur zat muurvast. Toen leek al het geluid om hen heen weg te sterven. Gealarmeerd door het vreemde vacuüm waarin ze zich opeens leken te bevinden, keek Anouk opnieuw achterom. Ze zag nog net de zware, eikenhouten eettafel met grote snelheid op haar en Marcella afkomen. Pijlsnel draaide ze zich om. Ze wilde Marcella waarschuwen, maar er was geen tijd meer. De tafel sloeg met een enorme klap tegen haar rug. Alles om haar heen kleurde zwart.

Voorproefje: Geestverwanten – Hilda Spruit

Hoofdstuk 4

Een mooi rondje

‘Ben je niet goed wijs of zo,’ protesteert Fenneke. ‘Heb je het dan niet gehoord van Lara en Carlijn?Die hebben…’

‘Ja, ja, Lara en Carlijn,’ onderbreekt Anouk haar en ze grijnst. ‘Die stomme buurtrutjes vanjou kijken allebei nog onder hun bed voordat ze gaan slapen. Schei toch uit. Zullen we eens een mooi rondje knutselen, Merthe?’

‘Ik vind alles best,’ zegt Merthe, ‘als ik maar antwoorden krijg.’ ‘Goed zo.’ Anouk loopt naar de keuken en trekt een schaar uit de la. ‘Nu nog pen en papier,’ commandeert ze Fenneke.

‘Ik ben het er echt niet mee eens, hoor,’ laat Fenneke weten. ‘En als jullie dit zo nodig moeten doen dan pakken jullie het zelf maar.’

Een kwartier later liggen alle letters, de cijfers van nul tot en met negen, en de woorden ja en nee in een gerangschikte cirkel op tafel. Anouk knikt voldaan. ‘Heb je een paar kaarsen en een glas?’ vraagt ze aan Fenneke.

‘Heb je dit wel eens eerder gedaan dan?’

‘Doe nou toch niet zo schijterig, Fen,’ zegt Anouk. ‘Schijterig?’tettert Fenneke. ‘Ik heb pas geleden nog een verhaal gelezen over een jongen in Amerika die dat achterlijke spel heeft gedaan. Die is wel mooi bezeten geraakt van een of andere geest en hij heeft toen zijn ouders en een paar klasgenoten neergeknald.’

‘O ja?’ vraagt Merthe.

‘Kap er nou mee, Fen,’ zegt Anouk pinnig. ‘Dat zijn allemaal stomme verhaaltjes. Gaan we Merthe nou helpen of niet?’

Merthe schuift haar stoel wat dichter naar de tafel. ‘Misschien moeten we gewoon beginnen,’ zegt ze.

Mokkend sjokt Fenneke naar het dressoir. In het voorbijgaan trekt ze het gordijn een stukje opzij en werpt een blik op het woonhuis, alsof ze hoopt dat daar nog redding vandaan zal komen. Maar de lichten zijn al uit.Het verhaal van Lara en Carlijn zit haar helemaal niet lekker, maar misschien heeft Anouk wel gelijk.

Een voor een zet Fenneke de kaarsen en het glas voor Anouks neus. Ze pakt een aansteker uit de la onder de tafel en gaat tegenover de anderen zitten. Anouk zet het glas met de open kant naar boven midden in de cirkel van papiertjes. Zwijgend kijkt Fenneke toe hoe Merthe de vier kaarsen aansteekt en links en rechts naast de cirkel zet.

‘Lekker creepy, hè?’ grinnikt Anouk.

Fenneke kijkt haar vernietigend aan. ‘Begin nou maar.’

‘Oké,’ zegt Anouk en ze legt haar armen op tafel. ‘Pak elkaars handen vast.’

De meisjes leggen de handen in elkaar en richten hun ogen strak op het glas. Het is doodstil.

‘Geest, bent u daar?’ vraagt Anouk.

Fenneke durft nauwelijks te ademen. Haar hart bonkt zo hard dat ze bang is dat de anderen het kunnen horen. Ze wil haar han- den wegtrekken, maar Anouk en Merthe verstevigen hun greep.

‘Geest, kom in ons midden, kom in het glas.’ Anouk blaast zachtjes in het glas en knikt naar Merthe. Ook Merthe blaast in het glas en Fenneke volgt aarzelend. Voorzichtig draait Anouk het glas om. Ze legt haar wijsvinger op de onderkant enFenneke en Merthe doen hetzelfde.

‘Zit er een geest in dit glas?’ vraagt Anouk. Gespannen wachten ze af, maar er gebeurt niets.

‘Laten we er maar mee stoppen,’ zegt Fenneke. ‘Het lukt toch niet.’

Net als ze haar vinger van het glaswil halen, begint het te schuiven. Verbaasd bewegen de meisjes mee, terwijl het glas langzaam naar het briefje schuift waar JA op geschreven staat. ‘Wow,’ fluistert Anouk.

Fenneke begint nerveus te giechelen. ‘Jullie duwen het.’ Ze trekt haar hand terug en slaat haar armen over elkaar. Maar dan begint het glas weer te schuiven en glijdt naar het woordje NEE.

Anouk en Merthe kijken elkaar verbaasd aan.

‘Deed jij dat?’ ‘Nee, jij?’

Anouk schudt haar hoofd. ‘Wie bent u?’ Het glas verroert zich niet.

‘Kom op, Fen, zonder jou gebeurt er niets. Doe weer mee,’dramt Anouk.

Met tegenzin legt Fenneke haar vinger terug op de bodem en direct begint het glas weer te schuiven.

‘Nu gaat het gebeuren,’ verzekert Anouk. ‘Weet je al wat je gaat vragen,Merthe?’

Het boek is in iedere boekhandel verkrijgbaar voor € 16,95 (paperback)

Wil je een hardcover (€ 18,95) aanschaffen, of een gesigneerd paperback exemplaar, stuur de auteur, Hilda Spruit, dan even een pb. Ik heb gehoord dat de auteur het boek in de maand december zonder verzendkosten door heel Nederland verstuurt,gesigneerd en wel en verpakt in een mooie doos met flyers en boekenleggers van allerlei auteurs

Voorproefje: Bloeddorst- Mark van Dijk

HOOFDSTUK 2

Ze stapten in haar auto en reden over de provinciale weg richting Wassenaar. Jack was benieuwd waar ze naar toe gingen, maar kreeg niet de kans om dat te vragen, want Sylvia had over iedere bocht die ze maakten wel iets te vertellen. Ze namen het rotonde driekwart en daar ging ze weer.
‘Hier was vroeger een schitterend hertenkamp, met allerlei dieren. Vooral herten, die zag je toen nog niet zoveel.’
‘Oh.’
Bovenaan de heuvel draaide ze de Cantineweg op, een smalle landweg die langs de rand van de duinen liep en de scheiding vormde tussen nieuwbouw en duin. Onverstoorbaar praatte ze verder. Jack overwoog even om zijn vingers in zijn oren te steken, maar herinnerde zich net op tijd de belofte aan zijn vader.
‘Ik zie dat de oprukkende nieuwbouw hier ook al woekert als onkruid. Ach, zo is er weer een karakteristiek stukje Katwijk verworden tot niet meer dan een willekeurige jeugdherinnering.’
‘Het zal wel.’ Zou hij een grapje maken over haar zenuwtrek? Nee, beter van niet.
‘Het zal wel? Dit waren voorheen prachtige landerijen. Huizenbouw is haast even vernietigend als k… Oh, we zijn er.’ Ze parkeerde de auto halverwege aan de zijkant van de weg, tegen de duinen. Beiden stapten tegelijk uit.
‘Hier is het!’ riep ze. Triomfantelijk overhandigde ze Jack de zaklamp, die ze zojuist uit het dashboard had gehaald.
Jack nam aarzelend de lamp aan. ‘Wat moeten we hier nou doen? Ik dacht dat we naar een film ofzo zouden gaan?’
‘Nee,’ zei ze, terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Ik vroeg of je van oorlogsfilms hield.’ Ze knipte haar eigen zaklamp aan en uit, om te kijken of hij het deed.
‘Wat heeft dat dan met de duinen te maken?’
‘Dat zal ik je zo laten zien.’
Samen liepen ze de duinen in, het schelpenpad op. Het was rustig. Op Jack en Sylvia na, was er verder niemand te bekennen. Voor hen uit schoot een klein, bruin konijn weg van het pad. Het diertje sprong geschrokken in het groen achter het prikkeldraad. Een wit huppelstaartje verried waar het zich verscholen hield.
Al na een paar meter stond Jack even stil en ademde diep in. Hij rook die karakteristieke, frisse duinlucht, die alleen nóg lekkerder kan ruiken na een regenbui. Het begon al zachtjes te schemeren en naast zich hoorde hij een aantal krekels die in het helmgras voorzichtig begonnen te tjirpen. Opeens twijfelde hij of het wel een goed idee was om met een vreemde vrouw, waar hij eigenlijk alleen haar naam van wist, de duinen in te gaan. Maar zijn vader vertrouwde haar, dus moest hij dat ook maar doen. Hij trok een korte sprint, zodat hij weer naast haar kwam te lopen. Ze volgden het paadje tot ze voor een tweesprong stonden.
‘En nu?’ vroeg Jack.
‘Nu gaan we linksaf en lopen we door tot we aan onze linkerhand bunkers zien.’
Meteen stond Jack stil en staarde zijn oppas met grote ogen aan. ‘Echt waar? Zijn daar echte bunkers? Uit de oorlog?’ vroeg hij.
‘Echte bunkers, uit de tweede wereldoorlog,’ beaamde ze. ‘Ik kan niet geloven dat je nog nooit met je vader door de duinen hebt gewandeld. Dit is zo’n mooi gebied. Dan had je ze zelf al veel eerder zien liggen.’
‘Mijn vader heeft weinig tijd. Als hij tijd heeft, dan wil hij liever ontspannen en lekker op het strand liggen.’
‘Het zal inderdaad niet meevallen om een eenoudergezin draaiende te houden,’ zei ze meer tegen zichzelf dan tegen Jack.
‘Kunnen we gewoon bij die bunkers naar binnen?’ vroeg Jack hoopvol.
‘Dat kan. Er zijn er heel veel dichtgegooid met puin, maar er zijn er ongeveer evenveel waar we nog gewoon in kunnen. Dat is niet overal meer zo, maar hier gelukkig nog wel, voor zolang het nog duurt, tenminste. Het enige wat we nodig hebben is dit.’ Triomfantelijk liet ze een klein zaklampje zien, dat ze al die tijd in haar hand verscholen had gehouden en zwaaide ermee voor zijn neus. Jack begon onmiddellijk te grijnzen.
‘Waarom zijn hier toen eigenlijk bunkers gebouwd?’ Jack keek haar nieuwsgierig aan en zag dat Sylvia het een stomme vraag vond.
Ze haalde haar schouders op. ’Dat vonden de Duitsers een goede strategische plek.’
‘Wat was er dan strategisch aan?’
Sylvia zuchtte geïrriteerd. ‘Ze verwachtten vanuit zee te worden aangevallen door onze bondgenoten, daarom leek een kustlijn vol bunkers en een grote, dikke muur hen de beste verdediging. Op deze manier hebben de moffen bijna de hele kust van West-Europa bedekt, van Noorwegen tot Spanje aan toe.’
‘Een hele muur langs de zee?’
‘Nee, de Atlantikwall liep niet aan één stuk door. Het concentreerde zich op strategische punten en na de invasie van Normandië hebben ze de bouw zelfs grotendeels stilgelegd.’
‘Ligt die dikke muur hier ook?’
‘Ja.’
Jack liet de informatie op zich inwerken en keek Sylvia ondertussen bewonderend aan. Ze wist blijkbaar erg veel over de tweede wereldoorlog, of ze kon snel dingen verzinnen. Maar ze had jammer genoeg weinig zin om er over te vertellen. Dan had ze hem maar niet hiernaartoe moeten nemen, vond Jack en waagde zich nog aan een laatste vraag. ‘Kunnen we straks ook bij die muur kijken?’
‘Als we tijd hebben wel.’
Het viel hem op dat haar linkeroog weer heftig knipperde. Bovendien werd het erger naarmate ze dichter in de buurt van de bunkers kwamen. Waar zou ze toch zo zenuwachtig voor zijn? Misschien mocht ze niet meer in de duinen komen? Misschien had ze hier wel eens iets stoms gedaan? Brand gesticht of zoiets. Dat zou best kunnen. Hij had ooit eens met Tim per ongeluk een houten speelhuisje in brand gestoken. Het was nooit de bedoeling geweest om het hele huisje plat te branden, ze wilden alleen maar een openhaardvuur maken in de hoek. Net als zijn vader thuis ook altijd deed. Dat was zo gezellig. Maar ineens was de muur in brand gevlogen en konden ze het niet blussen, omdat ze geen water hadden. De beheerder van de speeltuin was woedend geweest. Ze mochten na het ongeluk nooit meer terugkomen. Ze waren verbannen voor het leven, had zijn vader hem verteld. Wat niet helemaal eerlijk was geweest, want zijn vaders verzekering had een flinke vergoeding aan de beheerder betaald, die daarvan toen een veel mooier huisje had gekocht.
Misschien was dit ook wel zoiets en was ze daarom zo zenuwachtig? Tenzij ze iets met hem van plan was? Ze waren hier per slot van rekening helemaal alleen. Het onbehaaglijke gevoel groeide met iedere stap, tot hij zelfs een beetje bang begon te worden.
‘Wat gaan we daar ook alweer precies doen?’ vroeg hij voorzichtig. Ondertussen hield hij haar scherp in de gaten en zag Jack dat er heel even een geïrriteerde frons op haar gezicht verscheen door al zijn vragen.
‘We gaan daar gewoon even kijken,’ klonk het toch nog redelijk vriendelijk.
‘Maar het wordt steeds donkerder en we hebben maar twee zaklampen bij ons. Zitten er wel nieuwe batterijen in? We zijn daar helemaal alleen,’ wierp Jack tegen.
‘Kom nou maar mee. We zijn er bijna. Ik weet zeker dat je het leuk zult vinden.’
‘Hoe weet je dat nou zo zeker? Je kent me nog maar net.’
Hij zag haar rustige uitstraling als sneeuw voor de zon verdwijnen, haar ogen werden koud en fel en haar gezicht nam ineens scherpe lijnen aan.
‘Hou nou eens op met dat gezeur en stel niet de hele tijd van die stomme vragen! Je doet alsof je simpel bent! We gaan gewoon…’
Haar stem klonk ineens vriendelijk en de scherpe lijnen in haar gezicht werden meteen zachter. ‘Oh, kijk! Daar zijn ze!’ riep ze opgelucht. Ze strekte haar arm en wees de duinheuvels in.
Al was het volle maan, Jack moest zijn ogen tot spleetjes knijpen om ook maar iets in de grauwe verte te kunnen zien. Hij zag in een duintop iets dat op een smalle, maar hoge opening leek. Bovenop een andere heuvel stond nog zo’n stenen gleuf. Deze was nog slechter te zien, doordat de stenen verscholen lagen achter talloze struiken duindoorn. Maanlicht weerkaatste op de oranje besjes en gaven de heuvel bijna iets feestelijks, maar verder was er niets van de betonnen oorlogsmonumenten te zien.
Sylvia stapte over de lage, houten paaltjes waar prikkeldraad overheen gespannen was.
‘Dit zijn waarschijnlijk niet de beste schoenen om de duinen mee in te gaan,’ zei ze toen de hakken van haar rode pumps tot de zool in het zand zakten.
Jack hoorde het niet, hij was al een paar meter voor haar uit het dalletje in gerend. Op zijn hoede, maar opgejaagd door zijn nieuwsgierigheid, wachtte hij ongeduldig op haar.
Ze stapten samen door een kaal zanddalletje omhoog en ontweken zoveel mogelijk de stekelige duindoorn met zijn zachtgroene bladeren en vlijmscherpe doornen. Jack herkende de struik uit “Wat vind ik in de duinen”, dat boekje dat hij ooit eens van zijn vader had gehad. Hij had er maar een handvol planten uit kunnen onthouden. De rest was gewoon een plant. Boven op de heuvel aangekomen moesten ze nog een meter of tien door helmgras en over een tapijt uitgebloeide witte duinroosjes en andere duinflora, die om de beurt opdoemden in het schijnsel van de zaklamp. De schemer had intussen definitief verloren van de invallende nacht en in het zachte maanlicht kon Jack nog net de contouren onderscheiden van de bruine bakstenen gang die achter een ruim twee meter hoge sleuf schuil ging. Aangekomen bij de stenen sleuf, zag hij dat Sylvia zenuwachtig om zich heen keek voordat ze hem de bunkeringang introk.
Met grote ogen van verbazing liet hij zich meevoeren. De sleuf was ongeveer vijftien meter lang en anderhalve meter breed. Tussen de muren lag zand, met hier en daar een verdwaald polletje gras. In het midden van de sleuf waren aan weerszijden twee deuropeningen. Jack bekeek de openingen en zag de grote, stenen kamers die erachter lagen. Toen hij met zijn zaklamp de kamer in scheen, zag hij dat er aan het eind nog meer kamers aan vast zaten. Maar Sylvia bleef hem maar meetrekken en ze liepen de kamers gehaast voorbij. Met grote passen liep Sylvia voor hem uit en Jack deed zijn best om bij te blijven. Voordat hij er erg in had wandelden ze aan de andere kant de sleuf uit en stonden weer buiten. Vanaf die plek zag Jack dat er nog meer van dezelfde hoge sleuven her en der in de aangrenzende duinheuvels verspreid lagen. Sylvia stond even stil en leek zich te oriënteren. Jack maakte van de pauze gebruik om vlug weer naast haar te gaan staan. Hij vond de kolossale bouwwerken enorm indrukwekkend en wilde eigenlijk graag in de kamers rondkijken. Maar omdat ze steeds zo vinnig reageerde, durfde Jack dit niet voor te stellen.
Hij merkte dat Sylvia sneller begon te ademen en ze duwde hem nu voor zich uit. Ze daalden de heuvel af en uit het duister doemde er rechts van hem een vierkant blok beton op.
Het was overwoekerd met duindoornstruiken en hoog helmgras. Aan de zijkant groeide een flinke meidoorn. De witte bloemen aan de boom leken op te lichten in het donker en trokken even Jacks aandacht. Bovenop het blok beton lag een mat met half verdord gras, dat misschien nog wel uit de oorlog stamde. Daarmee was de bunker gecamoufleerd, zodat er vrijwel niets van te zien was.
Ze liepen behoedzaam om het grauwe blok beton heen, terwijl zich aan de achterkant een halve eeuw wildgroei openbaarde. Vol ontzag scheen Jack zijn zaklamp op de met planten begroeide trap, die, opgesloten tussen twee baksteenbruine muren, naar beneden leidde. Er groeide een kleine boom tussen een traptrede en de muur omhoog en de trap zelf was links en rechts met varens begroeid. Van onder naar boven liep een wirwar van dode takken en op iedere tree groeide een dikke laag mos. Bovenaan gedijde een grote boom. Zijn lange takken vol bladeren hingen precies boven het gat en verscholen met gemak het grootste gedeelte van de ingang. Er was slechts een klein, donker gat dat als doorgang kon dienen.
‘Gaan we hier naar beneden?’ vroeg Jack opgewonden.
‘Dat is het plan, lijkt je dat niet spannend?’
Even twijfelde Jack, maar nu hij dit allemaal gezien had, waren zijn eerdere huiveringen geen enkele partij meer voor de nieuwsgierigheid die hem nu volledig in zijn greep had. Toen zijn avontuurlijke besluit eenmaal vaststond, bedacht hij zich ook geen moment meer en liep haastig naar de trap. ‘Mag ik eerst?’
‘Vooruit dan, maar let goed op. Het kan glad zijn.’
Jack stapte over een grote tak, die voor de trap lag en zocht voorzichtig met zijn schoen de eerste tree. Zodra hij zijn gewicht erop zette, hoorde hij het zompige geluid van nat mos. Sylvia volgde hem en terwijl Jacks ene hand steun vond bij de koele muur, greep zijn andere hand de overhangende takken van de boom vast. Behoedzaam zette hij zijn ene voet voor de andere op de glibberige treden. Bezorgd keek hij achterom en zag Sylvia’s opgewonden blik en gloeiende wangen. ‘Je pakt me toch wel op tijd vast, als ik uitglijd?’ Zonder op antwoord te wachten zette hij zijn voet op de volgende tree en zocht opnieuw naar houvast tegen de muur. Hij was benieuwd hoe het er beneden uitzag. Misschien lagen er nog dingen uit de oorlog.
Op dat moment gleed zijn voet van de mossige tree en viel hij achterover tegen Sylvia aan. Onvoorbereid op wat er gebeurde, greep ze hem te laat vast en onmiddellijk schoof hij de laatste treden hard naar beneden. Van schrik gaf hij een luide schreeuw, maar die hield abrupt op toen zijn achterhoofd met een harde klap op de rand van een tree terecht kwam.

Voorproefje: De boomridder- Peter Varg

Het Ultieme Wapen

In blinde razernij smeet ik mijn bureau van massief eikenhout door mijn werkkamer. Al mijn documenten vlogen als papieren vogels door de lucht. Nieuwsgierig geworden door mijn gebrul opende mijn secretaris de deur en kwam binnen. Hij kreeg prompt de monumentale schrijftafel tegen zijn lelijke trollenkop en stond niet meer recht.
Ik was het beu. Beu van lijsten te controleren van manschappen, voor-raden en wapens. Beu van strategieën te bedenken voor mijn zwarte legioenen. Beu om de rapporten van infiltranten te lezen. Beu om te zijn wie ik was. Prins van de Duisternis, Heerser over de onderwereld, of een armzalige controlefreak? Ik greep mijn vest en trok de deur met zoveel geweld achter mij dicht dat een deel van de zoldering instortte. Dat luchtte wat op en de trol was netjes begraven. Dat verdiende hij wel na zoveel jaren dienst.
Honderd meter verder botste ik op een gnoom. De problemen bleven me volgen. Boos trapte ik het onvoorzichtige wezen de gang door. Het maakte nog een paar vreemde geluiden en toen zweeg het voor altijd. Een langsvliegende harpij wierp me een bezorgde blik toe. Dat had ze beter niet gedaan.
Tijdens de tocht door mijn paleis floot ik een melancholisch wijsje terwijl ik met de nagels van mijn rechterhand een spoor van krassen op de granieten muren achterliet. Langzaam kwam ik tot rust. Ik zag tot mijn verbazing dat mijn dienaren voorbeeldig aan het werk waren. Er was er niet één die in mijn richting keek. Dat was vreemd, zo werklustig waren ze meestal niet. Ach, wat maakte het uit.
In gedachten verzonken kuierde ik verder. Ik begreep mezelf niet meer. Ik was altijd een controlefreak geweest en daar had ik tot op heden best mee kunnen leven. Waarom werd ik nu humeurig, ja zelfs woedend over het feit dat ik was wie ik was en waarom, bij alle duivels groot en klein, stond ik in de kelder met het hoofd van een harpij in mijn hand? Ik gooide het bloederige ding in een hoek en keek verdwaasd om me heen.
Op dat moment besefte ik het: ik was op weg naar Amit. Hij was een van de dertien gevallen engelen die, net zoals ik, na de opstand in de hemel door Akash uit zijn glorie was verstoten en aan de Aarde was gebonden. Het was een vervelende vent met merkwaardige talenten. Amit gebruikte in de strijd als wapen de angst. Heel lang geleden had hij mij verteld dat de strijd op de Aarde niet gewonnen zou worden op het slagveld. Op mijn vraag ‘hoe dan wel’ had hij geantwoord: ‘In de hoofden en in de harten van de mensen.’
Het waren deze woorden die woekerden in mijn geest. Onbewust had ik me gerealiseerd dat al mijn inspanningen om een machtig leger uit te bouwen nutteloos waren. Ik had mijn zwarte legioenen, de dienaren van de Leegte hadden hun elitekrijgers. Ik had een reus, zij hadden een mutant. Ik had een geest, zij hadden er twee, en zo ging het maar door. Geen wonder dat ik gefrustreerd was. Ik had iets anders nodig om het laatste gevecht te winnen. Misschien kon Amit mij helpen bij het ontwikkelen van het ultieme wapen.
Ik dwaalde wat rond tot ik uiteindelijk voor een nis stond waar een groot schilderij hing. Ik stapte door het doek en kwam in de stille, roerloze wereld van Amit terecht. Ik stond op de binnenplaats van een Spaanse haciënda. De gebouwen waren voor het grootste gedeelte ingestort. Marmeren zuilen lagen gebroken op de grond. Een tuin vol verrotting, waarvan de grond vervuild was met stukjes hard plastic, werd omringd door tegels in vale kleuren. In het midden van de binnenplaats stond een fontein. Een gevleugelde draak, van wie het lichaam bestond uit roestige stukken ijzer, spoot bruin water naar de altijd grijze hemel. Het dikke, gekleurde glas waarvan zijn vleugels waren gemaakt, was op tientallen plaatsen gebarsten. Onder een zwarte, bladerloze boom stond een edelhert van zeker twaalf jaar oud met een indrukwekkend gewei. Zijn ingewanden hingen uit zijn opengescheurde buik.
Ik stapte door een gat in de muur de woning binnen en liep via een draaitrap, waar hier en daar een trede ontbrak, naar zijn atelier in de wetenschap dat Amit daar altijd te vinden was.
Hij stond in het midden van een grote ruimte voor een wit doek met een verfborstel in de hand. Op de grond stonden verschillende verfpotten. Hij leek te wachten op iets. Hij keek me even aan, groette me met een knikje en concentreerde zich weer op zijn werk. Door een groen beslagen dakraam viel een streep licht naar binnen. Ik keek aandachtig toe. Een druppel zweet zocht zijn weg over Amits gezicht, viel op de grond en ontplofte in het stof. Zijn penseel schoot vooruit met de snelheid van een slang.
Terwijl hij als een bezetene aan het werk was, keek ik wat rond. De muren hingen vol schilderijen.
Een mager meisje dat gevangen zat in een kader gemaakt van botten, vroeg om mijn aandacht. Het was een levend skelet met een bleke, droge huid en lange, smerige haren. Ze stond naakt voor het deurgat van een krot en spoot met een gouden naald chemische rotzooi in haar buik. Ze likte met haar tong over haar gebarsten lippen en met haar linkerhand streelde ze haar rechtertepel. Als ik in haar groene ogen keek, keek er iets wilds en ontembaars naar mij terug. Ik schrok, dat had ik niet verwacht. De ellende had haar niet gebroken, maar had haar sterker gemaakt. Door een venster zag ik een oud wijf. Ze sneed met een groot mes een plastieken pop met uitgestoken ogen en afgebrande lokken open op een tafel met drie poten. Door een gebroken spiegel gluurde ze begerig naar het meisje.
Amit kwam naast mij staan.
‘Neem wat meer afstand, Lucifer. Kijk zonder verwachting. Kijk niet naar wat je zou willen zien, maar naar wat er staat.’
Ik schrok van zijn stem. In deze stille wereld leek elk geluid misplaatst. Ik deed twee stappen achteruit en keek opnieuw.
Een schittering trok mijn aandacht. Het viel me op dat het meisje en de oude vrouw beiden een ring droegen met een robijn. Ze hadden ook alle twee een heel klein litteken boven hun linkeroog. Inzicht overspoelde me.
Ik wilde mijn pas verworven kennis met Amit delen, maar hij stond weer bij zijn schilderij. Zijn tong flitste uit zijn mond en zijn hand speelde gedachteloos met zijn ring. Een ring met een rode steen.
Terugkijkend naar het meisje herkende ik moeiteloos het gezicht van Amit in haar uitgemergelde gelaat. Ook in de oude vrouw vond ik hem terug. De rimpels en de wellustige grijns konden hem niet meer verbergen. Zelfs in de pop was hij aanwezig. Hoe kwam het dat ik dat de eerste keer niet had gezien? Misschien door mijn weerzin voor rauwe emoties? Blind voor de zielenpijn waaruit het was geboren, had ik naar zijn kunstwerk gekeken. Ik besefte dat hij schilderde met bloed en tranen. Nu ik wist hoe ik moest kijken, kreeg ik een heel nieuw werk te zien. Het was gruwelijk, het was mooi. Het was te veel voor mij. Snel richtte ik mijn blik op het volgende doek.
Een straatbende trok op strooptocht door de eindeloze sloppenwijken, gewapend met ijzeren staven, bijlen en basketbalknuppels. Ze wandelden door grachten vol uitwerpselen en rottende lijken. Ze staken krotten in brand en maakten ze met de grond gelijk met de bewoners erin. In hun houding zag ik geen woede of haat, enkel dodelijke verveling. Amit was alom tegenwoordig. Hij wachtte en verbeet zijn tijd.
Op een ander schilderij speelden diezelfde jongeren voetbal tegen een rivaliserende groep. Het spel was wild en uitgelaten. De energie spatte van het doek. Ze gebruikten een hoofd als bal en de scheidsrechter bestrafte een speler die in de fout ging met een vlijmscherpe vleeshaak. Helemaal alleen op een bank naast het veld zat een jongeman in een mooi voetbaluniform. Hij was gewassen en geschoren en zijn haar was netjes geknipt. Hij keek smekend naar de scheidsrechter. Hij wilde spelen. Werd hij een reservespeler, of een reservebal?
Een volgend schilderij, een volgende confrontatie. Een amokmaker moordde in het wilde weg. Hij maaide met een machinepistool tientallen mensen neer. De mannen, vrouwen en kinderen in zijn buurt waren niet onder de indruk. Ze wandelden rond alsof hij er niet was en zij die stierven deden dat met een glimlach.
‘Waar heb ik je bezoek aan te danken?’ vroeg Amit die naast mij op-dook.

Voorproefje: Adem: Tsunami – Nico De Braeckeleer

1. Skye en de zee

Skye liet haar blik langs de kustlijn glijden. Op het strand lag een groepje jongeren op kleurrijke strandhanddoeken te zonnebaden. Een knappe jongen met een gespierd lichaam zat naast een meisje met lichtbruin haar. Hij smeerde haar rug in met zonneolie. De bandjes van haar bikini waren losgemaakt. Zijn hand gleed in een vloeiende beweging over haar blote rug.
Skye beeldde zich in dat zij dat meisje was en dat de jongen haar rug insmeerde. Zijn handen beroerden haar naakte huid. Een aangename huivering ging door haar heen. Ze draaide haar hoofd naar de jongen toe. Hij legde een lok van haar lange, platinablonde haar achter haar rechteroor. Met zijn wijsvinger duwde hij haar kin zachtjes omhoog. Zijn groene ogen keken diep in haar ijsblauwe ogen, haast tot in haar ziel. Ze kon onmogelijk weerstand bieden aan de aantrekkingskracht die in elke vezel van haar lichaam voelbaar was. Zijn lippen naderden die van haar. Zijn warme adem beroerde haar gezicht. Hun lippen raakten elkaar.
Er ging een schok door haar lichaam die haar de adem benam. Verrast door de intense gewaarwording schudde ze het droombeeld van zich af. De jongen zou haar nooit kussen. Zij zou hem nooit kussen.
Ze verlegde haar blik van de jongen naar de azuurblauwe lucht boven de kustlijn. Die was doorspekt met verschillende soorten vliegers, waaronder driehoekige delta’s en ruitvormige diamantvliegers. De benamingen voor de andere vliegers kende ze niet.
Lachende jongens en meisjes hielden samen met hun ouders de vliegers in bedwang. Jongeren lieten hun vlieger alleen op, maar leken er net zo van te genieten.
Anderen speelden petanque, kubb, volleybal, voetbal, en de kleinsten bouwden zandkastelen of verzamelden schelpjes in kleurrijke emmertjes. De stralende zon warmde het water op. Heel wat strandgasten waagden zich in zee. De aanspoelende golven liefkoosden hun voeten, benen en lichamen terwijl ze in het water ravotten en zwommen.
Waarom kan ik niet zo vrij zijn als zij?
Een jongetje van een jaar of vier zat in een blauwgrijs bootje. Zijn papa duwde het bootje verder de zee in. Het kind stak zijn handjes joelend in de lucht. Surfers trotseerden de golven. Verder op zee voeren zeilbootjes, motorbootjes en jetski’s. Skye stelde zich voor dat ze op een van de jetski’s door het water stoof.
Hoe is het om midden op zee het zoute water in je gezicht te voelen spetteren? Het gevoel van vrijheid moet machtig zijn…
De zilte zeesmaak op haar tong werd plots vies, licht zurig. De wansmakelijke geur van de lucht die abrupt opdook, sneed haar de adem af. Ze hoestte.
Na de korte hoestbui keek ze weer naar de vergeelde foto van het strand en de zee. Zoals zo dikwijls had ze zich ingebeeld dat ze echt op die plek was. Maar het strand, de zee, en de knappe jongen waren bijna 150 jaar geleden vastgelegd op foto. De afbeelding stond op het gebarsten display van haar apptphone. Het roestige toestel, een verre nakomeling van de smartphone, was meer dan 35 jaar oud. Het werkte nog amper.
Op het ogenblik dat de foto was genomen, roken de zee en de lucht ongetwijfeld nog lekker fris.
Kon ik maar heel even terug in de tijd reizen naar dat moment en die plaats…
Haar ogen hechtten zich weer vast aan de foto, waarop honderden mensen als mieren door elkaar krioelden. Zoals altijd als ze naar de foto keek, gleed haar blik naar het jonge meisje van een jaar of acht met honingblond haar. Met een oranje schepje vulde ze een rood emmertje met zand. Haar vader en moeder lagen met de ruggen naar elkaar op het strand met een boek in de hand. Het meisje zat tussen hen in. Het gaf Skye een gevoel van veiligheid dat ze zelf nooit had gekend. Het meisje deed haar aan zichzelf denken, al had zij nooit met een emmertje op het strand gespeeld. Toen zij in 2150 werd geboren, was het door de vervuiling veel te gevaarlijk om in de zee of op het strand te spelen. Nu, 15 jaar later, was de situatie er niet op verbeterd, ook al waren er al meer dan 35 jaar geen bedrijven, vliegtuigen of auto’s meer om koolstofdioxide in de atmosfeer te pompen.
Het weer was onvoorspelbaar. Seizoenen bestonden niet meer. Koude, warme, droge en vochtige perioden wisselden elkaar in onregelmatige cyclussen af. Officieel was het nu winter, maar de temperatuur liep op tot meer dan twintig graden. Skye droeg een korte, blauwe jeansshort met daarboven een wit T-shirt met de afbeelding van een zilverkleurig beertje op de welving van haar linkerborst. Haar blote voeten zaten in blauwe sneakers.
Ze wendde haar ogen af van haar apptphone en keek naar de zee, de zee zoals die nu was, en die in niets meer leek op de prachtige zee op de foto uit 2018.
Het zeewater was nu donker, zwart bijna, en de hoge golven slokten afval op en braakten het uit wanneer ze aanspoelden op het strand. Grote bergen afval hadden in de loop der jaren een soort van onnatuurlijke duinen gevormd.
‘Skye!’
Ze keek van de zee naar Joanna, die naast haar op de uitkijktoren stond. Joanna wees naar beneden. Aan de voet van de toren liep een man voorbij. Skye dook weg achter de houten balustrade. Alleen de wachters mochten op de torens. De man verdween in een weggetje en Skye stond weer op. Dankbaar om de verwittiging glimlachte ze naar Joanna.
Joanna was een grote, struise, donkere vrouw en een van de stoerste wachters. Een dik halfjaar geleden had ze Skye voor de eerste keer uitgenodigd om de uitkijktoren te beklimmen waarin ze wachtliep. De voorbije maanden waren ze ondanks het leeftijdsverschil bevriend geraakt. Hoe bruut de vrouw soms ook was tegen anderen, voor Skye had ze een boontje. Misschien zat er ergens diep binnenin haar toch iets moederlijks verborgen. Iedereen vond Joanna streng, hard en koel. Zelfs de burgemeester van Noord-Brussel zette een stap achteruit wanneer hij oog in oog met haar stond. Niemand in de nederzetting zou een gevecht met deze zwaargewicht aandurven. Skye had ontzag voor Joanna, die nu wachter was, maar voorheen jarenlang als speurder op pad was geweest.
‘Binnen een kwartier komt Charlie mij aflossen. Dus maak maar dat je wegkomt.’
Dat was de manier waarop Joanna praatte. Onverbloemd. To the point.
‘Als je me beu bent, mag je dat ook gewoon zeggen, hè,’ grapte Skye. Ze liep naar de ladder toe. Toen ze die bereikte, draaide ze zich nog even om naar Joanna, en kwam terug op het gesprek dat ze daarstraks hadden gevoerd. ‘En? Denk je dat het iets voor mij is of niet?’
‘Wat?’
‘Speurder zijn.’
‘Wat denk je zelf?’
Skye had daar al dikwijls over nagedacht. Heel dikwijls. ‘Als ik hier nog lang binnen deze muren zit, word ik gek.’
‘Vrijheid zit in je hoofd, Skye. Het is geen kwestie van naar buiten gaan.’
‘Voor mij wel.’
‘Dus je gaat op je achttiende een aanvraag indienen om speurder te worden?’
‘Als het mocht, deed ik het nu al.’ Skye zuchtte. Drie jaar leek een eeuwigheid. Tot dan moest ze op het land werken. Ze was het kotsbeu.
‘En Roy?’
‘Wat met Roy?’
‘Zal die jou laten gaan?’
‘Het is niet omdat hij me heeft opgevoed dat ik zijn eigendom ben. Op mijn achttiende ben ik mijn eigen baas!’
‘Roy houdt van jou, Skye. Vergeet dat nooit.’
Skye haalde haar schouders op, alsof het haar niet kon schelen.

https://baeckensbooks.com/catalogus/adem-1-tsunami/

website

Voorproefje: Kleine Moordenaar – Sophia Drenth


Kleine moordenaar

Sophia Drenth

I

Raf strekte zich behoedzaam uit om beter te kunnen zien wat er gaande was in de steeg. Hij zat op zijn hurken in de dakgoot. Nu er een briesje was opgestoken, werden de wolkenuiteengedreven en wierp de maan haar waterige licht over de schots en scheve huisjes van het Scheepskwartier. Het was opgehouden met miezeren, maar de dakpannen waren nog steeds glibberig. Toch was hij hier op het dak veiliger dan in het vissershuisje, waar de ploert en zijn luimen het voor het zeggen hadden.

Rookflarden afkomstig uit de vuurkorf op de hoek van de straat trokken voorbij. De walm van verbrande kruiden prikte in Rafs neus. Overal in het Scheepskwartier waren van die korven neergezet, maar uiteindelijk kon de heilzame rook de Gehoornde Vrouwe niet op andere gedachten brengen; de waterpest bleef dagelijks slachtoffers eisen.

Raf verwachtte dat het tumult dat hem had opgeschrikt werd veroorzaakt door een paar zwerfkatten. Hij had het mis: twee mannen waren in een innige omarming verstrengeld. Juist nu de Gehoornde Vrouwe zoveel zielen wegplukte, was het niet ongebruikelijk dat stelletjes zich in de schaduwen terugtrokken. Maar dat was niet wat deze mannen in elkaars armen had gedreven.

Rafs hoofd dreunde nog na van de klappen die de ploert hem had verkocht, maar hij verbeeldde zich niet wat hij zag. Tegen alle verwachting in dolf de grootste man het onderspit. Hoe hij zich ook verzette en ook al had hij vuisten als mokers, toch moest hij buigen voor zijn overweldiger: een man akelig dun van postuur, gekleed in een chic maatkostuum.

Hun omarming was er niet een van liefde of lust. Het was een ontmoeting tussen roofdier en prooi. En die magere man was geen mens. Nee, hij was een gemaakte.

Ademloos keek Raf toe hoe de opgedofte verschijning zich volzoog met vissersbloed.

Natuurlijk had hij er nooit aan getwijfeld dat die bloedrovers echt bestonden – de verhalen waren zo gruwelijk dat ze wel waar moesten zijn – maar toch, nu hij er zomaar getuige van was hoe eentje een mens oppeuzelde, kon hij zijn ogen nauwelijks geloven.

Een flinke schreeuw om gardisten te alarmeren zou het slachtoffer misschien kunnen redden, maar in plaats van te kikken klemde Raf zijn kaken op elkaar. Met ingehouden adem probeerde hij zichzelf onzichtbaar te maken. Hij liet gebeuren wat er gebeurde, precies zoals zijn moeder met hem liet gebeuren wat er gebeurde.

De visser die kreunend werd leeggeslobberd deed hem aan de klerelijer denken, met zijn bonkige postuur en die stomme pet op zijn kop.

Een voorzichtig glimlachje bestreek Rafs lippen.

De gemaakte was op het eerste gezicht geen monster. Hij had geen klauwen of hoorns. Geen verwrongen snuit of gebogen rug. Buurvrouw Kosters had het mis met haar verhalen over gemaakten gruwelijker dan de knechten van de duvel: deze gemaakte was gewoon een man. Hij was hier niet op zijn plaats in zijn dure kleren, zeker niet nu de quarantaine van kracht was. Ergens stelde het Raf teleur dat het monster gewoon een mens was, maar hoe langer hij toekeek hoe sneller zijn ontgoocheling sleet.

Het was zo verschrikkelijk gemakkelijk, hoe de gemaakte zijn prooi te grazen nam. Het leek hem niet eens kracht te kosten. De geluiden die de stervende visser uitstootte leken op het onderdrukte grommen van de ploert die zijn hoogtepunt naderde.

Hoewel Raf vanbinnen ineenkromp, bleef hij ademloos toekijken. De natte dakpannen doorweekten zijn broek, maar hij merkte er nauwelijks wat van. Met Jarno’s dikke jas aan en zijn muts tot over zijn oren getrokken had hij het niet koud.

Met een ijzige zelfbeheersing onderbrak de gemaakte zijn dronk. Zijn slachtoffer leefde nog. Zodra de gemaakte hem losliet zakte de visser ineen. Zijn ademhaling kwam en gingin korte stoten. Onbewogen keek de gemaakte hoge ome op zijn slachtoffer neer. Hij streek een lucifer af en stak een sigaartje aan. Met een korte uithaal van het zilveren handvat van de flaneerstok – recht tegen ’s mans slaap – legde hij de reutelende visservoorgoed het zwijgen op.

Rafs hartslag versnelde. Bijna slaakte hij een jubelkreet. Rondom zijn angstige opwinding nestelde zich een randje blinde hoop. Daar, half in de schaduwen, was een man aan hetwerk die de ploert het hoofd zou kunnen bieden, iemand die de kille bloedlust bezat om een einde aan alle pijn en de vernederingen te maken.

De gemaakte draaide zich om en keek naar Raf op alsof hij diens gedachten kon lezen. Zijn donkere blik glom in het verregende duister.

Raf bevroor. Opwinding ruimde het veld voor de wurggreep van paniek.

De menselijke onmens bleef hem strak aankijken. Hij bracht de knop van zijn flaneerstok naar zijn mond en likte hem schoon. Met een grijns tikte hij de rand van zijn hoge hoed aan en struinde weg.

Raf bleef met een panisch pompend hart achter. Hij hapte naar adem, zoals de visser net. Voor het eerst werd de vraag of vandaag de dag zou zijn dat hij door de vuisten van de klerelijer zou sterven overschaduwd door een andere.

Zonder nadenken liet hij zich via de regenpijp naar beneden zakken. Vanaf de regenton sprong hij op de grond en spurtte hij de gemaakte achterna. Hij zou banger voor de bloedrovermoeten zijn dan voor de ploert, dat was zeker, maar hoe langer hij erover nadacht, hoe zekerder hij ervan werd dat deze nachtelijke schim zijn redding was. In al die jaren had zich geen betere kans op verlossing voorgedaan, want ook dagelijks bidden dat de waterpest de rotzak bij de kladden zou grijpen had nergens toe geleid. Misschien werden zijn gebeden op een andere manier verhoord.

Voor de zekerheid sloeg hij een kruisje.

De nauwe steegjes van het Scheepskwartier maakten het niet makkelijk om de man bij te houden. Daarnaast was het alsof hij een spookverschijning achtervolgde; soms zag hij de gemaakte, vaker niet, hoewel de man in een gemoedelijke wandelpas liep en eigenlijk niet zo snel kon zijn als hij zich in werkelijkheid bleek voort te bewegen. Geen geniepig sluipen van schaduw naar schaduw, nee, gewoon een hoge ome die op zijn gemak door de stad struinde, alsof hij omringd werd door bezienswaardigheden in plaats van vervallen ellende.

Uiteindelijk verloor Raf hem helemaal uit het oog en liet hij zich hijgend tegen de muur van een arbeidershuisje in een van de vele doodlopende gangetjes zakken. De stank van pis en rottend afval hing zwaar in de lucht. Nu de spanning plaatsmaakte voor teleurstelling, begon hij te rillen en dat kwam niet doordat hij het koud had. Sterker nog, hij had het snikheet. Hij trok zijn muts van zijn hoofd en verkreukelde hem in zijn vuisten.

Waar was hij mee bezig? Als een kip zonder kop een moordenaar achtervolgen … Een gemaakte die zó zijn strot zou afbijten. Vol ingehouden woede vervloekte hij zichzelf. Deploert had gelijk, hij was zo stom als het achtereind van een varken.

Tot hoogglans opgepoetste schoenen hielden vlak naast hem halt. Regen glom in talloze druppeltjes op de zwartleren neuzen. Drek koekte aan de randen vast.

‘Het lijkt erop dat ik een miezerige schaduw heb opgelopen, die zich als de waterpest aan me heeft vastgeklampt,’ sprak een ongeïnteresseerde stem.

Raf kromp ineen.

De man haakte het zilveren handvat van zijn flaneerstok onder Rafs kin en dwong zijn blik omhoog. ’s Mans trekken gingen grotendeels schuil in de schaduw die de rand van zijn hoge hoed over zijn gezicht wierp. ‘Ik vraag het maar één keer: wat moet je?’

Raf deed zijn best om zijn angst weg te slikken, maar bracht er niet veel van terecht. Hij dwong zichzelf om de gemaakte aan te kijken. ‘Uw hulp, m’neer,’ stamelde hij.

‘Ik verstrek geen aalmoezen.’

‘Het benne geen aalmoes.’ Raf raapte al zijn moed bij elkaar en krabbelde overeind. Hij reikte nauwelijks tot borsthoogte.

De man deed vol walging een stap naar achteren.

‘Ik wil vragen of u …’ Raf slikte.

‘Wat? Sta niet te stamelen alsof ik de hele nacht heb om met een stuk verdriet zoals jij te verdoen.’

‘Leg m’n pa om.’ Nu Raf de woorden eruit had geflapt, kon hij ze niet meer terugnemen. De verschrikkelijke waarheid lag op straat. Hij klemde zijn kaken op elkaar en rechtte zijn rug.

Een lachje rolde over de lippen van de gemaakte hoge ome. Dat was wel de laatste reactie die Raf had verwacht. De hoon liet woede in zijn maag ontvlammen, maar voordat het zwartevuur om zich heen kon grijpen onderbrak de man zijn plezier: ‘Zoals ik al zei: ik doe niet aan liefdadigheid. Zie ik eruit als iemand die de bevelen van een mens opvolgt? Laat staan van vliegenvoer zoals jij?’

Rafs moed verschrompelde. Hij wilde naar achteren stappen, weg uit dat kille, vorsende aura, maar hij stond al met zijn rug tegen de bakstenen muur. Snel liet hij zijn blikuit die van de gemaakte wegglijden, terwijl zijn hart zo luid achter zijn slapen dreunde dat hij niet meer helder kon nadenken.

‘Ik heb je niets te geven behalve de dood. Een bijna even groot geschenk als het kelen van je vader. Maar dat is niet wat jij wilt, hè? Nee, jij wilt leven. Jij bent zo’n smerig opdondertje dat niet stuk te krijgen is. Hij kan je uitmaken voor rotte vis, je alle hoeken van de kamer laten zien en je in je gat naaien tot je geen stap meer kan verzetten, maar toch krabbel je weer overeind. Zelfs de waterpest lust jou niet. Hoeveel van je broers en zussen heeft ze de afgelopen weken geroofd? Maar jou komt ze niet halen. Uitgerekend jij blijft leven.’

Raf schudde zijn hoofd met opeengeklemde kaken. Hij had geen broers of zussen verloren, niet in de afgelopen weken. Pietertje van verderop was wel door de waterpest gegrepen. Dat was de enige van wie het hem kon schelen dat hij er niet meer was. Zijn oudere broer Jarno was maanden geleden verongelukt zonder dat de waterpest er iets mee te maken had. ‘Astublief. Wat dondert het of u mijn omlegt of hem? U weet nie …’

‘Wat? Probeer je mij te vermurwen met zijn slechtheid? Maakt dat zijn bloed zoeter?’ Een in leer gehulde hand sloot zich om Rafs keel. De man tilde hem bijna van de grond. Hijdrukte Raf hardhandig tegen de muur, bracht zijn gezicht zo dichtbij dat hun neuzen elkaar bijna raakten. Nadrukkelijk snoof hij de geur van Rafs leven op. Zweet prikte tussen Rafs schouders en als hij zijn kaken niet zo stevig op elkaar had geklemd, zou hijgaan klappertanden. Moeizaam balanceerde hij op zijn tenen, zoekend naar evenwicht. De muts gleed uit zijn van angst verlamde handen.

‘Ik weet wat hij met je doet,’ fluisterde de gemaakte. ‘Geloof me, ik weet het. Je mond houden en alles slikken – de klappen, zijn ongenoegen en zijn geil – dat is jouw rol in dit leven. Zet die stomme muts op zodat de duvel niet naar binnen waait en ga naar huis voordat ik je de nek omdraai.’ De man duwde hem van zich af.

Raf bukte om zijn muts van de grond te pakken, maar hij zette hem niet op. Met zijn hand op zijn beurse hals strompelde hij weg. Hete tranen gleden over zijn wangen.

Net toen alle hoop vervlogen leek, schalde de stem van de gemaakte door de nacht: ‘Dat ik niet help, betekent niet dat het uitgesloten is dat je vader de Gehoornde Vrouwe ontmoet. Heb jij het in je? Schuilt er een kleine moordenaar in jou?’

De woorden lieten een onbeschrijflijke hunkering in Raf ontvlammen. Hij bleef staan en wierp een blik over zijn schouder. Nog net ving hij op hoe de gemaakte sigarenrook in elegante kringels van zich afblies. De man verdween in dezelfde ademtocht, alsof hij niet meer was dan een boze droom.

Kleine moordenaar is verkrijgbaar op www.bloedwetten.com

X, Sophia

Kleine moordenaar

Sophia Drenth

I

Raf strekte zich behoedzaam uit om beter te kunnen zien wat er gaande was in de steeg. Hij zat op zijn hurken in de dakgoot. Nu er een briesje was opgestoken, werden de wolkenuiteengedreven en wierp de maan haar waterige licht over de schots en scheve huisjes van het Scheepskwartier. Het was opgehouden met miezeren, maar de dakpannen waren nog steeds glibberig. Toch was hij hier op het dak veiliger dan in het vissershuisje, waar de ploert en zijn luimen het voor het zeggen hadden.

Rookflarden afkomstig uit de vuurkorf op de hoek van de straat trokken voorbij. De walm van verbrande kruiden prikte in Rafs neus. Overal in het Scheepskwartier waren van die korven neergezet, maar uiteindelijk kon de heilzame rook de Gehoornde Vrouwe niet op andere gedachten brengen; de waterpest bleef dagelijks slachtoffers eisen.

Raf verwachtte dat het tumult dat hem had opgeschrikt werd veroorzaakt door een paar zwerfkatten. Hij had het mis: twee mannen waren in een innige omarming verstrengeld. Juist nu de Gehoornde Vrouwe zoveel zielen wegplukte, was het niet ongebruikelijk dat stelletjes zich in de schaduwen terugtrokken. Maar dat was niet wat deze mannen in elkaars armen had gedreven.

Rafs hoofd dreunde nog na van de klappen die de ploert hem had verkocht, maar hij verbeeldde zich niet wat hij zag. Tegen alle verwachting in dolf de grootste man het onderspit. Hoe hij zich ook verzette en ook al had hij vuisten als mokers, toch moest hij buigen voor zijn overweldiger: een man akelig dun van postuur, gekleed in een chic maatkostuum.

Hun omarming was er niet een van liefde of lust. Het was een ontmoeting tussen roofdier en prooi. En die magere man was geen mens. Nee, hij was een gemaakte.

Ademloos keek Raf toe hoe de opgedofte verschijning zich volzoog met vissersbloed.

Natuurlijk had hij er nooit aan getwijfeld dat die bloedrovers echt bestonden – de verhalen waren zo gruwelijk dat ze wel waar moesten zijn – maar toch, nu hij er zomaar getuige van was hoe eentje een mens oppeuzelde, kon hij zijn ogen nauwelijks geloven.

Een flinke schreeuw om gardisten te alarmeren zou het slachtoffer misschien kunnen redden, maar in plaats van te kikken klemde Raf zijn kaken op elkaar. Met ingehouden adem probeerde hij zichzelf onzichtbaar te maken. Hij liet gebeuren wat er gebeurde, precies zoals zijn moeder met hem liet gebeuren wat er gebeurde.

De visser die kreunend werd leeggeslobberd deed hem aan de klerelijer denken, met zijn bonkige postuur en die stomme pet op zijn kop.

Een voorzichtig glimlachje bestreek Rafs lippen.

De gemaakte was op het eerste gezicht geen monster. Hij had geen klauwen of hoorns. Geen verwrongen snuit of gebogen rug. Buurvrouw Kosters had het mis met haar verhalen over gemaakten gruwelijker dan de knechten van de duvel: deze gemaakte was gewoon een man. Hij was hier niet op zijn plaats in zijn dure kleren, zeker niet nu de quarantaine van kracht was. Ergens stelde het Raf teleur dat het monster gewoon een mens was, maar hoe langer hij toekeek hoe sneller zijn ontgoocheling sleet.

Het was zo verschrikkelijk gemakkelijk, hoe de gemaakte zijn prooi te grazen nam. Het leek hem niet eens kracht te kosten. De geluiden die de stervende visser uitstootte leken op het onderdrukte grommen van de ploert die zijn hoogtepunt naderde.

Hoewel Raf vanbinnen ineenkromp, bleef hij ademloos toekijken. De natte dakpannen doorweekten zijn broek, maar hij merkte er nauwelijks wat van. Met Jarno’s dikke jas aan en zijn muts tot over zijn oren getrokken had hij het niet koud.

Met een ijzige zelfbeheersing onderbrak de gemaakte zijn dronk. Zijn slachtoffer leefde nog. Zodra de gemaakte hem losliet zakte de visser ineen. Zijn ademhaling kwam en gingin korte stoten. Onbewogen keek de gemaakte hoge ome op zijn slachtoffer neer. Hij streek een lucifer af en stak een sigaartje aan. Met een korte uithaal van het zilveren handvat van de flaneerstok – recht tegen ’s mans slaap – legde hij de reutelende visservoorgoed het zwijgen op.

Rafs hartslag versnelde. Bijna slaakte hij een jubelkreet. Rondom zijn angstige opwinding nestelde zich een randje blinde hoop. Daar, half in de schaduwen, was een man aan hetwerk die de ploert het hoofd zou kunnen bieden, iemand die de kille bloedlust bezat om een einde aan alle pijn en de vernederingen te maken.

De gemaakte draaide zich om en keek naar Raf op alsof hij diens gedachten kon lezen. Zijn donkere blik glom in het verregende duister.

Raf bevroor. Opwinding ruimde het veld voor de wurggreep van paniek.

De menselijke onmens bleef hem strak aankijken. Hij bracht de knop van zijn flaneerstok naar zijn mond en likte hem schoon. Met een grijns tikte hij de rand van zijn hoge hoed aan en struinde weg.

Raf bleef met een panisch pompend hart achter. Hij hapte naar adem, zoals de visser net. Voor het eerst werd de vraag of vandaag de dag zou zijn dat hij door de vuisten van de klerelijer zou sterven overschaduwd door een andere.

Zonder nadenken liet hij zich via de regenpijp naar beneden zakken. Vanaf de regenton sprong hij op de grond en spurtte hij de gemaakte achterna. Hij zou banger voor de bloedrovermoeten zijn dan voor de ploert, dat was zeker, maar hoe langer hij erover nadacht, hoe zekerder hij ervan werd dat deze nachtelijke schim zijn redding was. In al die jaren had zich geen betere kans op verlossing voorgedaan, want ook dagelijks bidden dat de waterpest de rotzak bij de kladden zou grijpen had nergens toe geleid. Misschien werden zijn gebeden op een andere manier verhoord.

Voor de zekerheid sloeg hij een kruisje.

De nauwe steegjes van het Scheepskwartier maakten het niet makkelijk om de man bij te houden. Daarnaast was het alsof hij een spookverschijning achtervolgde; soms zag hij de gemaakte, vaker niet, hoewel de man in een gemoedelijke wandelpas liep en eigenlijk niet zo snel kon zijn als hij zich in werkelijkheid bleek voort te bewegen. Geen geniepig sluipen van schaduw naar schaduw, nee, gewoon een hoge ome die op zijn gemak door de stad struinde, alsof hij omringd werd door bezienswaardigheden in plaats van vervallen ellende.

Uiteindelijk verloor Raf hem helemaal uit het oog en liet hij zich hijgend tegen de muur van een arbeidershuisje in een van de vele doodlopende gangetjes zakken. De stank van pis en rottend afval hing zwaar in de lucht. Nu de spanning plaatsmaakte voor teleurstelling, begon hij te rillen en dat kwam niet doordat hij het koud had. Sterker nog, hij had het snikheet. Hij trok zijn muts van zijn hoofd en verkreukelde hem in zijn vuisten.

Waar was hij mee bezig? Als een kip zonder kop een moordenaar achtervolgen … Een gemaakte die zó zijn strot zou afbijten. Vol ingehouden woede vervloekte hij zichzelf. Deploert had gelijk, hij was zo stom als het achtereind van een varken.

Tot hoogglans opgepoetste schoenen hielden vlak naast hem halt. Regen glom in talloze druppeltjes op de zwartleren neuzen. Drek koekte aan de randen vast.

‘Het lijkt erop dat ik een miezerige schaduw heb opgelopen, die zich als de waterpest aan me heeft vastgeklampt,’ sprak een ongeïnteresseerde stem.

Raf kromp ineen.

De man haakte het zilveren handvat van zijn flaneerstok onder Rafs kin en dwong zijn blik omhoog. ’s Mans trekken gingen grotendeels schuil in de schaduw die de rand van zijn hoge hoed over zijn gezicht wierp. ‘Ik vraag het maar één keer: wat moet je?’

Raf deed zijn best om zijn angst weg te slikken, maar bracht er niet veel van terecht. Hij dwong zichzelf om de gemaakte aan te kijken. ‘Uw hulp, m’neer,’ stamelde hij.

‘Ik verstrek geen aalmoezen.’

‘Het benne geen aalmoes.’ Raf raapte al zijn moed bij elkaar en krabbelde overeind. Hij reikte nauwelijks tot borsthoogte.

De man deed vol walging een stap naar achteren.

‘Ik wil vragen of u …’ Raf slikte.

‘Wat? Sta niet te stamelen alsof ik de hele nacht heb om met een stuk verdriet zoals jij te verdoen.’

‘Leg m’n pa om.’ Nu Raf de woorden eruit had geflapt, kon hij ze niet meer terugnemen. De verschrikkelijke waarheid lag op straat. Hij klemde zijn kaken op elkaar en rechtte zijn rug.

Een lachje rolde over de lippen van de gemaakte hoge ome. Dat was wel de laatste reactie die Raf had verwacht. De hoon liet woede in zijn maag ontvlammen, maar voordat het zwartevuur om zich heen kon grijpen onderbrak de man zijn plezier: ‘Zoals ik al zei: ik doe niet aan liefdadigheid. Zie ik eruit als iemand die de bevelen van een mens opvolgt? Laat staan van vliegenvoer zoals jij?’

Rafs moed verschrompelde. Hij wilde naar achteren stappen, weg uit dat kille, vorsende aura, maar hij stond al met zijn rug tegen de bakstenen muur. Snel liet hij zijn blikuit die van de gemaakte wegglijden, terwijl zijn hart zo luid achter zijn slapen dreunde dat hij niet meer helder kon nadenken.

‘Ik heb je niets te geven behalve de dood. Een bijna even groot geschenk als het kelen van je vader. Maar dat is niet wat jij wilt, hè? Nee, jij wilt leven. Jij bent zo’n smerig opdondertje dat niet stuk te krijgen is. Hij kan je uitmaken voor rotte vis, je alle hoeken van de kamer laten zien en je in je gat naaien tot je geen stap meer kan verzetten, maar toch krabbel je weer overeind. Zelfs de waterpest lust jou niet. Hoeveel van je broers en zussen heeft ze de afgelopen weken geroofd? Maar jou komt ze niet halen. Uitgerekend jij blijft leven.’

Raf schudde zijn hoofd met opeengeklemde kaken. Hij had geen broers of zussen verloren, niet in de afgelopen weken. Pietertje van verderop was wel door de waterpest gegrepen. Dat was de enige van wie het hem kon schelen dat hij er niet meer was. Zijn oudere broer Jarno was maanden geleden verongelukt zonder dat de waterpest er iets mee te maken had. ‘Astublief. Wat dondert het of u mijn omlegt of hem? U weet nie …’

‘Wat? Probeer je mij te vermurwen met zijn slechtheid? Maakt dat zijn bloed zoeter?’ Een in leer gehulde hand sloot zich om Rafs keel. De man tilde hem bijna van de grond. Hijdrukte Raf hardhandig tegen de muur, bracht zijn gezicht zo dichtbij dat hun neuzen elkaar bijna raakten. Nadrukkelijk snoof hij de geur van Rafs leven op. Zweet prikte tussen Rafs schouders en als hij zijn kaken niet zo stevig op elkaar had geklemd, zou hijgaan klappertanden. Moeizaam balanceerde hij op zijn tenen, zoekend naar evenwicht. De muts gleed uit zijn van angst verlamde handen.

‘Ik weet wat hij met je doet,’ fluisterde de gemaakte. ‘Geloof me, ik weet het. Je mond houden en alles slikken – de klappen, zijn ongenoegen en zijn geil – dat is jouw rol in dit leven. Zet die stomme muts op zodat de duvel niet naar binnen waait en ga naar huis voordat ik je de nek omdraai.’ De man duwde hem van zich af.

Raf bukte om zijn muts van de grond te pakken, maar hij zette hem niet op. Met zijn hand op zijn beurse hals strompelde hij weg. Hete tranen gleden over zijn wangen.

Net toen alle hoop vervlogen leek, schalde de stem van de gemaakte door de nacht: ‘Dat ik niet help, betekent niet dat het uitgesloten is dat je vader de Gehoornde Vrouwe ontmoet. Heb jij het in je? Schuilt er een kleine moordenaar in jou?’

De woorden lieten een onbeschrijflijke hunkering in Raf ontvlammen. Hij bleef staan en wierp een blik over zijn schouder. Nog net ving hij op hoe de gemaakte sigarenrook in elegante kringels van zich afblies. De man verdween in dezelfde ademtocht, alsof hij niet meer was dan een boze droom.

Kleine moordenaar is verkrijgbaar op www.bloedwetten.com

X, Sophia

Voorproefje: Peter Nys – De laatste kans op kosmos

De hitte was ondraaglijk. Alexander von Humboldt kroop op handen en knieën over de harde grond. Hij merkte niet eens dat zijn palmen helemaal waren opengehaald. Het grootste deel van de rook kringelde langs de zoldering van de mijngang. Toch reten de hete walmen zijn longen open. Het leek wel alsof ze vol
gloeiende spijkers zaten, ondanks het mondmasker. Hij hoorde zijn zware ademhaling en voelde zijn hart bonzen in zijn borstkas.
Hij raakte in paniek. Dit komt niet goed. Ik weet niet eens welke
kant ik op moet!
Alexander had zich vaak proberen voor te stellen hoe het was
om in een mijnbrand terecht te komen. Iedere keer wanneer hij
aan zijn ademhalingsapparaat werkte. Het ding functioneerde
nog altijd niet naar behoren, dat was wel duidelijk. Hij verlangde wanhopig naar de openlucht en de bossen rond Berlijn.

Ademenwerd steeds moeilijker. Er bewoog iets in de schaduwen achter
hem. Begon het gebrek aan zuurstof hem nu al parten te spelen?
Het antwoord kwam onmiddellijk. Een hand sloot zich om zijn
enkels. Alexander was te uitgeput om te roepen, maar zijn hart
sloeg enkele slagen over. Hij keek om. Een bleek gezicht staarde
hem aan. De ogen groot en rooddooraderd. ‘Help ons, meneer
Von Humboldt! Alstublieft!’ De stem kraste.

Hoe weet die man wie ik ben? Beheers je, Alexander. Hoe-
veel mannen kruipen hier rond met een masker voor de monden een groteske mijnwerkerslamp in de hand? Het was niettemin
dankzij die lamp dat ze überhaupt nog iets konden zien. Bij ontploffingsgevaar leek een mijnwerkerslamp pure waanzin, maarAlexander had de zijne juist ontworpen met situaties als deze in
het achterhoofd.

Mijngas was een van de grootste gevaren voor een mijnwerker. De minste vonk kon genoeg zijn om de heleboel te laten ontploffen, maar hij had een manier gevonden om
dat probleem op te lossen: zijn lamp had een eigen reservoir met perslucht, en de vlam werd veilig van de omgeving afgeschermd.

Net terwijl hij die overdenking maakte, sputterde het licht. Niet
nu, niet uitdoven. Dan zijn we eraan! In het duister zouden ze
nooit hun weg naar de uitgang vinden.
Hij moest nadenken, maar bovenal handelen. Hij was Wilhelm niet. De oude rivaliteit tussen hem en zijn broer speelde weer op, maar ze prikkelde hem ook. Zijn oudere broer Wilhelm was een theoreticus. Een kanjer in de klassieke talen en een echte boekenwurm. Alexander daarentegen hield ervan zijn handen
vuil te maken. Open te halen, zelfs! De wereld leer je niet kennen vanachter een bureautje, zo was zijn overtuiging.

10 11

Alexander liet zijn vingers langs de wanden van de schacht glijden. Ondertussen kroop hij werktuiglijk verder. Hopelijk de juiste kant op. De hand van de mijnwerker die hem om hulp had gesmeekt, bleef om zijn enkel geklemd. In hun kielzog kroop
nog een aantal mijnwerkers mee door de gang. Hij liet het maar gebeuren: misschien kon hij ze mee naar buiten leiden, en anders zou hij tenminste niet moederziel alleen onder de grond creperen.

De vloer van deze gang helde licht omhoog, maar dat betekende eigenlijk niets. Misschien leidde dat hem juist verder van de uitgang weg. Hij bleef de wanden van de gang aftasten.
Er kriebelde iets onder zijn vingertoppen. Eindelijk ontdekten
zijn handen wat hij zocht: kleine worteltjes. Die vond je enkel
dicht bij de uitgang van de mijn. Leven verscheen op de meest
onwaarschijnlijke plaatsen, maar altijd in de buurt van zonlicht.

Hij trok het masker voor zijn mond weg en schreeuwde het uit:

‘Hierlangs! Deze gang leidt naar buiten.’
De man achter hem knikte. De rest kon hij niet meer zien.
Maar er klonk gehoest, dus ze waren er wel nog!
Met donderend geraas stortte een deel van een verderop gelegen zijgang in. Alexander hoorde geschreeuw. Nog meer mijnwerkers! Hij kroop sneller vooruit. De nieuwe schok liet hem de pijn aan zijn handen vergeten.

Voorzichtig schoof hij de
lamp in de zijgang. Een rotsblok lag boven op een hoop gruis en kleinere stenen. Hij versperde een groot deel van de gang. Een stuk van de zoldering was naar beneden gekomen.
‘We krijgen er geen beweging in. Het is te zwaar. Help ons, alsjeblieft!’
Alexander draaide zich om. Hij rukte de hand die zijn enkel omklemde los en trok de man naast zich. ‘Help me, we zullen proberen van deze kant uit te duwen. Het is hier smal, we kunnen
maar met z’n tweeën bij de rots. Ik tel tot drie en dan duwen we zo hard mogelijk!’ Hij richtte zich daarna tegen de mijnwerkers aan de andere kant van het massieve stuk steen: ‘We proberen het jullie kant op te duwen. Ga achteruit!’ Hij wachtte even, om
er zeker van te zijn dat de mannen in de zijgang afstand hadden genomen. ‘Oké, ik tel tot drie. Een, twee, drie … duw!’

Ze probeerden het verscheidene keren, maar het was hopeloos: de steen bewoog geen millimeter. Von Humboldt liet zich op zijn achterwerk zakken en sloeg met beide vuisten tegen zijn voorhoofd. Denk na, die mijnwerkershebben je hulp nodig. De
oplossing lag recht voor zijn neus: eenvan de stutbalken was scheefgezakt en een andere lag er los tegenaan. ‘Een hefboom!

Natuurlijk, dat is het: een hefboom!’
Wederom sputterde de lont van zijn lamp. Niet nu, verdomme!
Hij vloekte opnieuw en al was het dan bij zichzelf, normaal deed hij dat nooit. Alexander sloeg nogmaals tegen de lamp. Ze flakkerde weer wat op. Er restte niet veel tijd.

‘Iedereen die nog een beetje adem in zijn longen heeft: help me deze balk tussen die andere en het rotsblok te schuiven.’Handen werden uitgestoken en spieren werden gespannen.
Met meer geluk dan kunde lukte hun opzet.
‘Op drie duwen we de balk naar de wand van de schacht. Geef
alles wat je nog in je hebt. We hebben niet lang meer.’
Deze keer gaf de grote steen meteen mee.

De wetten van de fysica wonnen van de onverzettelijkheid van een log rotsblok.
Dat schoof ratelend van de hoop kleinere rommel. Tellen later
kropen de eerste mijnwerkers erover, richting hun redders. Er was echter geen tijd dit kleine succes te vieren. Alexander was dan ook al terug tot in de hoofdgang gekropen. Klaar om zijn
treintje van ellende naar buiten te loodsen.
Het vlammetje in de lamp danste op en neer. Von Humboldt sloeg opnieuw met de vlakke hand op de koperen voet van de lamp. Het mocht niet baten. We zijn verloren. In het laatste flikkerende licht zag Alexander nog net een schim opdoemen uit de donkere gang voor hem. De man kroop ook op handen en
knieën. Hij had een zakdoek voor de mond gebonden. Alexander
probeerde de man te herkennen,maar de ogen kwamen hem niet
bekend voor. Bovendien liep een lelijklitteken dwars door de
wenkbrauw van de onbekende. Dat zou hem zeker zijn opgevallen
als hij de man ooit eerder had ontmoet.
Het licht doofde onherroepelijk. De duisternis wikkelde zich als een rokerige vod om het hoofd van de uitvinder. Alexander bonkte met zijn vuisten op de grond. Alsof hij hiermee een of andere occulte rite had uitgevoerd, floepte er opnieuw een licht aan. Niet afkomstig van zijn lamp, maar van het hoofd van de
mysterieuze schim voor hem. Het licht scheen veel feller dan
Alexanders lampen ooit hadden gedaan. Hij kreeg geen tijd er
vragen over te stellen.
‘Hierlangs! Grijp mijn been vast!’
Alexander deed wat hem werd opgedragen. De onbekende
wist blijkbaar welke kant ze op moesten. Ze baanden zich een
weg door de donkere gang, die zich steeds meer met rook vulde.
De felle lichtstraal was zelfs hiertegen opgewassen. Alexander had zijn mondmasker opnieuw voor zijn mond getrokken. Hoe de anderen er nog in slaagden te ademen, was hem een raadsel. Niet veel later klonk een opgewonden stem. ‘We hebben de
uitgang gevonden. We zijn gered!’

Voorproefje: Zielenmenners

Ongeduld beheerste zijn emoties. Prettig ongeduld. Deze avond ving al veelbelovend aan: een smogvrije herfstlucht, onbewolkte hemel boven Manhattan, rossige pracht aan de horizon, bloed van witten in het vooruitschiet.
Het kind noch haar moeder deelde zijn haast. Zij wilden dat hij vertrok, hen in leven liet. IJdele hoop, wat ze beiden beseften. Ze wisten wie hen gevangenhield, dat ze oorlogsslachtoffers werden.
Het meisje ondernam een poging om door de lap voor haar mond te schreeuwen. Tranen drupten uit haar ooghoeken. Ze vocht zwak met de touwen die haar gebonden hielden. In haar zetelde de kennis onvolkomen. Oud genoeg om te weten wie ze was, wat zij was, te jong om te weten waarom haar afkomst de reden was dat ze moest sterven.
Haar moeder vestigde haar blikken star op haar dochter. Blikken waarin wanhoop de hoop traag overwoekerde. Ze duwde met haar tong tegen de doek die haar monddood hield, rukte aan haar boeien. Alleen de leunstoel waarin ze zat kraakte onder de last van haar worstelen.
Hun begrip was onbelangrijk, zijn wil was onbelangrijk. De meester had hem bevolen hen te doden.

***zie voor meer:

Klik om toegang te krijgen tot LE_Zielenmenners_TerrenceLauerhohn_def_02102018.pdf

Website Terrence: http://www.123website.nl/lauerhohn