Johanna Lime- De vergeten vloek: Deel 2 Smeulend venijn

Allereerst vind ik het heel triest en verdrietig, dat Dini in december is overleden. Zij was samen met Marjo, het schrijvende team achter Johanna Lime. Marjo gaat nu alleen verder. De serie wordt afgemaakt. Dat zou Dini ook gewild hebben.

Dit verhaal loopt een beetje gelijk op, met het eerste deel uit de serie. Alleen zie je nu de kant van Sylviana. Zij is kroonprinses en kan bijna niet wachten om het stokje van haar moeder over te nemen. Zij is namelijk heel anders en gaat de dingen heel anders aanpakken. Ze botst nogal met haar moeder. Totdat ze de troon overneemt moetmze eerst op zoek naar een aantal echtgenoten. Mannen sterven heel jong, vaak als ze nog jongens zijn. Het is een vloek dat op haar volk rust.

Maar er zijn kapers op de kust. Het verraad ligt dichterbij dan men denkt. Je eigen familie is niet eens meer te vertrouwen…..(tante) Helena wil niets liever dan een oorlog ontketenen. En ze bespeelt de mensen om zich heen erg goed. Ook zet ze haar eigen kinderen in, om haar plannetjes tot uitvoering te brengen. Ik kreeg echt een hekelmaan deze vrouw. En voelde juist medelijden met Sylviana.

Het is een boek over verraad, liefde, verdriet, verlies en vriendschap. Het is fantasy in een goede mix met sciencefiction. Niet echt in een hokje te stoppen. Het heeft spannende momenten, maar voor mij was het meer een verhaal dat inspeelde op je gevoelens.

Ik vond het eerste boek spannender. Dat had meer actie. Dit deel speelt ook meer in op de persoonlijke omstandigheden van de kroonprinses Sylviana. Haar leven is niet gemakkelijk. En dat raakt je gewoon, dat kan niet anders. Je wilt niét in haar schoenen staan. Ik wil graag weten hoe het verder gaat. Benieuwd!

Ik geef het een cijfer: 7,5 ( dat zijn 3.75 sterren. Rond ik af naar 4)

Advertenties

Voorproefje: Dragan Duna, Een onbreekbare band – Patty

* Een Onbreekbare Band speelt zich 330 jaar voor de Drägan Duma trilogie af en kan als stand-alone worden gelezen. Het is een verhaal over moeilijke keuzes, angst voor het onbekende, diepe banden aangaan en een wanhopige strijd om te overleven. *

Duisternis. Een angstaanjagende leegte waar geen einde aan lijkt te komen.
Mijn borstkas zwoegt op en neer; ik krijg bijna geen lucht! Het is alsof er een band om me heen is geslagen die steeds strakker wordt aangetrokken. De totale afwezigheid van licht en geluid is huiveringwekkend. IJskoude kettingen lijken me op mijn plaats vast te snoeren. Gevangen. Ik kom hier nooit meer weg.

Groen.
Groene schubben, groene vleugels.
Angst.
De kou kruipt in mijn botten.

Het duister verdrijft de vreemde beelden en gevoelens. Wat was dat? Net als de verstikkende atmosfeer van mijn omgeving voelde het angstaanjagend echt aan.
Een helder licht verblindt me en het gebrul van draken vult de lucht om me heen. Ik gluur door mijn wimpers en zie tot mijn verbazing een berglandschap voor ons opdoemen. Achter een hoge berg waar drägan ons vanaf de uitsteeksels begroeten, ligt een dorp, beschenen door het licht van de ondergaande zon. Is dit Dragon Stone? Hoe zijn we hier zo vlot gekomen?
O ja, de Poorten! Draken reizen via portalen door het Niets en duiken zo in een oogwenk ergens anders in Xydoyla op. Dus dat was die duisternis… Ik ril van top tot teen. Dat draken en hun ridders op deze manier reizen vind ik onbegrijpelijk.
Ataloth daalt rustig in cirkels naar beneden en landt op het plein voor de berg. Dat viel me alles mee, zeker na het abrupte vertrek. Bian tikt me op mijn schouder en gebaart me af te stappen. Gehoorzaam zwaai ik mijn been over Ataloths nek om achterwaarts naar beneden te klimmen. De sleep blijft echter aan de nekstekels van de draak hangen en ik verlies mijn evenwicht. Ik slaak een gil wanneer de sleep afscheurt en ik naar beneden stort.
Juvo krijst in mijn oor en klampt zich aan me vast.
Vlak voordat ik tegen de keien sla, word ik opgevangen door twee sterke armen. Opgelucht zet ik mijn voeten neer en kijk omhoog naar het gezicht van degene die me nog altijd stevig vasthoudt. Het is de jonge ridder met het vriendelijke gezicht. Hij heeft een karamelkleurige huid en mooie hazelnootkleurige ogen met pretlichtjes erin.
‘Bedankt’, fluister ik ademloos.
‘Graag gedaan. Het gebeurt niet elke dag dat er een mooie dame uit de lucht komt vallen’, zegt de jongen met een knipoog.
‘Zo kan die wel weer, Trench.’ Bian staat inmiddels naast me en zegt: ‘Ze is al laat, dus vooruit met de tjalika.’
Trench grijnst en neemt de tegenstribbelende mialou van me over. Met ferme passen loopt hij naar de enorme, houten deuren die in een opening van de berg hangen. Ataloth beweegt zijn kop in mijn richting en ik verstijf. De dräga is echt monsterlijk groot!
Bian geeft me een zetje tegen mijn schouder: ‘Kom op meid, er staat een leven op het spel.’ Zijn dringende toon zorgt ervoor dat ik in beweging kom. Ik schop mijn schoenen uit, til de gescheurde rok op en dribbel op blote voeten achter Trench aan.

In het schemerachtige gangenstelsel van de berg moet ik haast rennen om de twee mannen bij te houden. Ik vloek binnensmonds als ik mijn kleine teen tegen een stuk rots stoot. Tijd om stil te staan heb ik niet; Bian en Trench lopen stevig door en verdwijnen de volgende gang in. Ik volg ze de hoek om en blijf dan met bonzend hart staan.
De zwarte draak zwaait haar kop in mijn richting, opent haar muil en ik sla mijn handen voor mijn oren als haar gebrul weerkaatst tegen de stenen wanden.
Een onherkenbaar verbrand lichaam smeult nog na in het zand dat rood kleurt van het bloed…
Bian pakt mijn polsen beet en kijkt me doordringend aan. ‘Dit is niet het moment om te aarzelen. Je stapt nu met zelfvertrouwen en rechte rug het zand op, hoor je me? Draken ruiken angst en reageren er over het algemeen heftig op, dus zorg dat je jezelf onder controle hebt. Het drakenjong kiest jou. Ataloth heeft nog nooit een onterechte kandidaat aangewezen.’
Hoewel ik maximaal de helft begrijp van wat hij heeft gezegd, knik ik beduusd. Het drakenjong kiest mij? En dan? Moet ik die dan temmen of zo? Hoe doe je dat? De vragen kolken door mijn hoofd, maar Bian heeft zich alweer omgedraaid en gebaart me op te schieten.
Ik schuifel over het zand, dat tussen mijn tenen kriebelt, naar voren.
Gatver, nat! Met een vieze blik kijk ik naar mijn voet. Is dat … bloed?
Met een rommelend geluid zuigt de draak lucht in zijn longen, spert zijn bek open en spuwt een straal vuur uit. Ik hef mijn rechterarm beschermend voor mijn gezicht…
Verwoed probeer ik het bloed aan het zand af te vegen. Ik wil er niet aan denken dat ík straks gebroken en onbeweeglijk op de broedplaats lig.
De draak spant haar spieren aan om ons te bespringen. Tranen beginnen uit pure angst over mijn wangen te stromen.
Het zweet breekt me uit en ik wil niets liever dan rechtsomkeert maken; wegrennen alsof een Morbide me op de hielen zit. Wat doe ik hier?
Ik slik en maan mezelf tot kalmte, terugdenkend aan de woorden van Tarun. De moeder wil haar jongen beschermen. Ze is geen kwaadaardig monster, alleen een moeder. Het ei, dat is belangrijk. Daar moet ik me op focussen.
Ik neem de omgeving in me op. Daar! Tussen de voorpoten van de zwarte dräga ligt een eenzaam ei, omringd door de schalen van de reeds uitgekomen eieren.
Is het nu de bedoeling dat ik naar het ei loop? Nerveus hef ik mijn gezicht naar de moederdraak. Dat blijkt een vergissing; haar kop schiet naar voren en haar kaken klappen vlak voor mijn neus op elkaar. Van schrik zet ik een paar passen achteruit. Ik struikel en kom onelegant op mijn billen terecht.
De muil van de draak hangt vlak boven me, ik ruik het vuur in haar adem. Draken ruiken angst.
Ik probeer uit alle macht mijn razende hartslag onder controle te krijgen. Enerzijds ruiken zij de angst, anderzijds voelen zij dat je iets probeert te verbergen.
Hoe toon je geen angst als je doodsbang bent?
… met een misselijkmakende klap tegen een van de grote pilaren terecht. Hij blijft doodstil liggen.
Ik schud de onaangename herinnering van me af, zo ga ik niet eindigen!
De draak opent haar muil en ik kijk recht tegen de rijen vlijmscherpe tanden aan. Zonder na te denken zet ik mijn handen tegen haar onderkaak en duw zo hard ik kan. De draak trekt met een ruk haar kop weg en loert naar me. Zonder te knipperen staar ik naar het grote, oranje oog terwijl ik overeind krabbel.
Ik recht mijn rug en neem op de bluf een stap in de richting van het ei. Waarschuwend gegrom laat me aarzelen.
De stem van Castian duikt op uit mijn herinneringen: ‘Drägan kunnen dus gedachten lezen?’
Ik raap al mijn moed bij elkaar en richt me mentaal tot de zwarte dräga: Ik ben Feniksa Drakena, vrouwe van Slot Silverfang! Ataloth heeft me gestuurd om verbonden te worden.
Tjorks lachende gezicht verschijnt voor mijn geestesoog.
Ik wil tegen Morbiden vechten! voeg ik er in gedachten aan toe.
De draak houdt haar kop schuin. Heeft ze me begrepen, of denkt ze aan hoe gemakkelijk ze me op kan peuzelen?
Op hoop van zegen dan maar… Ik stap naar voren.
Tot mijn verbazing trekt de zwarte draak zich terug. Het ei begint woest te schommelen en barstjes verschijnen over het oppervlak. Gefascineerd zie ik hoe de scheuren groter en groter worden tot het ei openbarst en er een groen drakenjong op het zand belandt. Nog nat struikelt het over haar eigen poten. De vleugeltjes hangen opgevouwen en verfrommeld tegen haar zij aan gedrukt.
Zwijgend kijken we elkaar aan, mens en draak. Alles om me heen vervaagt. Alsof het er niets toe doet, alsof de rest van de wereld niet meer bestaat. Een onzichtbare bubbel waar alleen het groene drakenjong en ik in zitten.
Waar wacht je nog op? Ga naar haar toe!
Ik schrik me een ongeluk van de zware stem in mijn hoofd. Ataloth?
Mijn slapen steken en duizelig beweeg ik me in de richting van de kleine dräga.
Vlak voor haar blijf ik staan. Haar gele ogen met groene en blauwe stippels erin sprankelen van nieuwsgierigheid en ze snuft met haar natte snuit aan mijn hand. Opeens heb ik dubbele gevoelens; ik voel me verwonderd en tegelijk bevreesd. Het is een heel aparte gewaarwording, alsof ik uit twee personen besta.
‘Jij daar! Met je groene draak!’
Met moeite ruk ik mijn aandacht los van het prachtige schepseltje voor mij en richt me op. Een dame met een lange, blonde vlecht komt van achter de zwarte dräga tevoorschijn. Achter haar staan Bian en een onbekende man. Ze gebaren naar me.
‘Kom’, fluister ik tegen het draakje. Gehoorzaam volgt het wezentje me naar de blonde vrouw en de twee mannen.
Het drakenjong schuurt met haar kop langs mijn bovenbeen en ik krijg spontaan ontzettend honger. Afwezig streel ik over de geschubde kop en het beest begint zacht te brommen. Het is een aangenaam geluid dat door mijn vingertoppen trilt. Haar huid voelt zachter en gladder dan gedacht. Waarschijnlijk omdat ze nog zo jong is; de schubben van Ataloth zijn veel ruwer. Mijn maag trekt knorrend samen. Vreemd, zo lang is het nog niet geleden dat ik heb gegeten. Of wel?
Ik blijf voor de vrouw met de blonde vlecht staan. De man naast haar is lang, heeft felrood haar en donkerbruine ogen, die mij onderzoekend aankijken. Ik houd mijn adem in. In gedachten hoor ik hem roepen dat er een vergissing is gemaakt en dat het draakje dat zich tegen mijn been aan drukt iemand anders toebehoort. Tot mijn eigen verbazing spannen mijn spieren zich alsof ik bereid ben om voor het drakenjong te vechten.
De man zwijgt. Waarschijnlijk vraagt hij zich af waar ik opeens vandaan ben gekomen, Slot Silverfang ligt niet eens in het territorium van de Dragonstoneclan.
De vrouw met de vlecht pakt de kop van het groene draakje naast mij vast. ‘Jouw naam is Danaleth. Je bent een draak van de Drakenburcht van Dragon Stone.’ De ogen van het draakje gloeien op, waarna de vrouw haar loslaat.
‘Jullie leggen nu de Eed af die jullie voor altijd verbindt. Spreek, Silseba.’
De Eed? Welke eed? Zenuwachtig graaf ik in mijn geheugen naar iets wat Bian misschien tegen me gezegd heeft over een eed, maar ik vind niets.
De vrouw merkt mijn verwarring op en zegt in de Oorspronkelijke Taal: ‘Voor nu, voor altijd. Onze zielen verbonden. Samen zullen wij strijden voor vrijheid en veiligheid.’
De Eed der Verbondenheid! Sianna heeft me daar les over gegeven; het is de gelofte die de drakenridders uitspreken om hun ziel aan een dräga te verbinden. De oude woorden zijn doordrenkt met magie.
Ik lik langs mijn lippen om ze te bevochtigen en dreun de woorden op: ‘Fort toh, fort älfinia. Siëst slysma donren. Sielaya ekai siesta blädren fort libermay int tûstmay.’
Zodra het laatste woord over mijn tong rolt, vult mijn hoofd zich met kleuren en ik wankel als ze exploderen. Gedachten die niet van mij zijn dringen mijn geest binnen en duiken in mijn geheugen.
Herinneringen aan mijn jeugd flitsen op en de plaatjes van mensen die ik ken trekken in een razend tempo voorbij. Castian komt het vaakst langs; de band met mijn tweelingbroer is dan ook erg sterk. Ik mis hem nu al.
Gelijk voel ik een troostende aanwezigheid die me vreemd genoeg kalmeert. Mijn lichaam schokt terwijl de vreemde gedachtetentakels zich met mijn geest verstrengelen. Mijn huid begint te gloeien.
Dan klinkt een zachte stem: Feniksa? Niet verdrietig zijn, ik ben bij je.
Een gevoel van intense liefde en trouw overspoelt me. Het gegloei trekt zich langzaam terug uit mijn ledematen tot er een vonkje blijft branden op de plaats van mijn hart.
Aarzelend open ik mijn ogen en kijk het drakenjong naast me aan. Ik moet heftig slikken om de brok in mijn keel weg te krijgen. Ik ben verbonden met een draak!

Drägan Duma – Een Onbreekbare Band is verkrijgbaar bij alle (internet) boekhandels en natuurlijk op de site van Celtica Publishing: http://www.celtica-publishing.nl/opencart/Boeken/Young_adults/Een_Onbreekbare_Band

Blog op een laag pitje….

Ik heb er heel lang over nagedacht….

Maar ik moet nu eerlijk zijn, tegen mezelf en tegenover jullie.

Mijn online bezigheden staan al sinds begin December op een heel laag pitje.

Ik ben oververmoeid, grieperig, verkouden en overbezorgd. Lees echt bijna geen letter, de laatste tijd. Er liggen nog recensies op papier die ik nog moet uittypen… Maar ik heb er geen energie voor.

Het is tijd om voor mezelf, mijn familie en mijn huisdieren te kiezen.

Op sinterklaas dag werd Zoey heel erg ziek. Ze leek in het weekend op te knappen, maar overleed maandagochtend, geheel onverwachts nog. Ik was er kapot van. Ze was zo’n sterke cavia. Mijn cavia’s zijn mijn kinderen…. Toen het net een beetje begon in te dalen, dat ze er echt niet meer was, kreeg Puck een ontsteking in haar oog. Een week gedruppeld, maar op zondagavond ging het oog uitpuilen. Echt eng. Maandag (oudjaarsdag) naar de dierenarts, een spoedoperatie, haar oog moest eruit. De operatie stond al in de planning voor donderdag. Het oog was niet meer te redden. Maar het ging zo snel dat het er meteen uit moest!

Ik heb staan huilen als een klein kind. Moest haar achterlaten bij de dierenarts. Het wachten duurde ook zo lang…. oudjaarsavond kon ik haar weer ophalen. Ze had de operatie gehaald. Maar sliep nog zo diep…. in de auto dacht ik dat ze was overleden, helemaal in paniek. Eenmaal thuis krabbelde ze langzaam op… Medicijnen gegeven tot en met gisteren. Nu is het belangrijk dat ze zelf gaat eten. Ik geef haar wel nog een beetje krachtvoer met water af en toe. Ze knabbelt wel aan eten, maar als baasje zie je haar liever meteen gezond. Er zijn momenten dat ze helemaal fit lijkt. Vanmorgen riep ze me bijvoorbeeld. Als ik uit bed kom, doet ze dat altijd als ze in haar goede doen is.. Ze kwam zelfs eten halen. Maar heeft nog niet veel kracht. Zo’n litteken trekt natuurlijk ook bij het eten.

Ze doet het heel goed en ik ben trots op haar. Na het overlijden van Zoey, haar mama, ben ik op zoek gegaan naar een vriendinnetje. Had er ook 1 op het oog. Maar omdat ze last van haar oog had, dacht ik.. Ik zeg nee… Maar ik dacht dat gezelschap haar zou opvrolijken. Dus de kleine Bengel toch meegenomen. Ze vinden elkaar erg lief. 2 dagen na de operatie kwam ik erachter dat Bengel haar zusje Brownie nooit was opgehaald.. Haar ook geadopteerd. Ze zijn zo lief voor elkaar, deze 3 meisjes. Super! Ik lach veel om hun vrolijkheid.

Eerder dit jaar was ik Bikkel al kwijt. Ik was dus echt kapot in December. Ook omdat er veel mooie en lieve mensen zijn overleden in deze maand….

En ik slaap gewoon heel slecht. Dus lezen is er niet bij. Ik moet tot rust proberen te komen. Maar dat is moeilijk door de omstandigheden…

Ook mijn thuissituatie is niet helemaal fijn. Een vader die zo nu en dan op de seh belandt. 2x een ambulance ritje gehad. Mijn moeder gaat ook niet echt vooruit. Ze moet komende week weer naar de dokter.

2018 zat ons niet mee……

Maar nu moet ik vooral rust vinden, slaap inhalen en hopen dat Puck er weer helemaal bovenop komt….

Volgende week weer werken, misschien helpt de routine me weer. Maar rust nemen blijf ik doen.

Lezen zit er gewoon eventjes niet in. Sorry aan alle auteurs en uitgevers. Ik moet deze keuze maken. Het is moeilijk voor mij, om dit te doen.

Ik hoop dat alles snel weer goed gaat. Maar overhaast het zeker niet.

Boek van de maand Januari 2019: Vitya Malonti

Proloog in de serie “Jonas Dubelaar”
Genre: fantasy
Doelgroep: jeugd/YA

ISBN: 9789081954143
Auteur: Annemiek Steur (1996), reeds 3 publicaties.

Flaptekst:
Vitya Malonti komt oorspronkelijk uit deze wereld, maar leidt een dubbelleven in een andere. Daar is hij een legendarische magiër die oorlogen tot halt roept. Maar hier wacht een vrouw met een ongeboren kind en Vitya wil terug. Dat gaat niet zonder slag of stoot en hij heeft de verantwoordelijkheid het gat te vullen dat hij achterlaat. Wanneer kan hij zijn gezinnetje nu echt stichten?

Pagina’s: 43

Voorverkoop via: http://www.halislogoon.nl/winkel/vitya-malonti
En via: http://www.bol.com/nl/p/jonas-dubelaar-0-5-vitya-malonti/9200000103130486/
Prijs: €5,50

Winacties tijdens de voorverkoop:
– bij bestelling krijgt iedereen 23 januari een presentje
– 1 winnaar krijgt een gratis gesigneerd exemplaar met een prachtige goodiebox
– twee personen krijgen een extra cadeautje
Extra: na aanschaf via halislogoon.nl krijgt iedereen een code. Die kan iemand anders vermelden bij hun aanschaf. Zo weet ik dat jij ze doorverwezen hebt. Als je 7 mensen hebt doorverwezen en zij Vitya Malonti kopen, krijgt de persoon die de code is toegestuurd een gratis exemplaar zonder verzendkosten te hoeven betalen.

Publicatiedatum: 23 februari (eerstvolgende weekdag: 25 februari)
Prijs: €7,50

Vindbaarheid:
http://www.halislogoon.nl/winkel/vitya-malonti
http://www.hebban.nl/boeken/vitya-malonti-annemiek-steur-2
http://www.bol.com/nl/p/jonas-dubelaar-0-5-vitya-malonti/9200000103130486/

Voorproefje: Kwade Geest – Mark van Dijk

Proloog

‘Gefeliciteerd met je achttiende verjaardag, meid.’ Een man van middelbare leeftijd schudde de hand van een knappe, jonge meid, met een lief gezicht. Ze lachte, waardoor er een kuiltje in haar linkerwang te voorschijn kwam.
‘Dank u,’ zei ze. We zullen het huis netjes houden!’ Ze staarde naar de grond en veegde een blonde lok achter een van haar oren.
‘Kom nou maar mee,’ riep een andere meidenstem van dichtbij. ‘We zijn nog steeds niet klaar met de hapjes.’
Een donkerblond meisje kwam naast haar staan. ‘Pap, ga nou maar! We redden het hier echt wel. We willen alleen weten wanneer jullie terugkomen?’
De man fronste. ‘Morgenmiddag, rond een uur of twaalf. Tenminste… als je moeder een beetje opschiet, anders zijn we pas morgenmiddag weg.’

Een paar uur later was het feest in volle gang. De meeste gasten waren gekomen en er werd volop gelachen en gedronken. De twee hartsvriendinnen kwamen samen van de geïmproviseerde dansvloer in de tuin en liepen naar binnen.
‘Ik vind het echt onwijs lief van je ouders dat ik mijn verjaardag bij jou thuis mag vieren,’ zei Marcella, terwijl ze glimlachte.
‘Je weet toch hoe mijn ouders zijn?’ antwoordde Anouk. ‘En je had het moeilijk bij jouw ouders kunnen vieren.’
Marcella’s glimlach verflauwde. ‘Ja, dan hadden we wel iets meer bier mogen halen. Maar goed, wil jij nog wat drinken?’ Ze had vanavond geen zin om het verhaal over haar dronkenlap van een vader op te rakelen.
Anouk zag het en liet het onderwerp verder rusten. Hand in hand liepen ze naar de bar en schonken samen een nieuw mixje in.
‘Hé dames, spelen jullie mee?’ riep iemand achter hen. Beide meisjes draaiden zich om en zagen een jongen, die een houten spelbord in de lucht hield.
‘Wat heb je daar nou weer?’ riep Anouk terug.
‘Dat is dat bord dat we vorige maand in Amsterdam hebben gekocht,’ zei Marcella. ‘Ik heb hem meegenomen. Leek me wel grappig voor vanavond. Kom, we doen ook mee.’
Er werd nog ergens een jongen vandaan getrokken en nadat Marcella voor de sfeer het licht iets gedimd had, kropen ze met zijn vieren om het bord. De regels waren simpel en bekend. Alle vier lieten ze hun handen op het schuifje rusten, dat in het midden op het bord lag. Tegelijktijdig duwden ze het schuifje met de klok mee over het bord, in steeds groter wordende cirkels.
Eén van de jongens begon met het stellen van vragen die alleen met ja of nee beantwoord konden worden: ‘Is daar iemand?’
Er gebeurde niets.
‘Is daar iemand die met ons wil praten?’
Het schuifje op het bord begon te trillen en schoof langzaam naar “YES.”
Ze schoten allemaal in de lach, terwijl ieder er voor zich probeerde achter te komen wie van hen nou eigenlijk het schuifje bewoog.
‘Trouw ik later met een knappe man?’ vroeg Marcella.
Vliegensvlug schoof het schuifje naar “NO.”
Er werd weer gelachen. Ondertussen kwamen er steeds meer mensen om hen heen staan.
‘Dat wordt trouwen met een lelijke vent,’ riep één van de jongens aan het bord.
‘Ja, waarschijnlijk met jou!’ reageerde een toeschouwer.
Een luid gejoel barste los en de sfeer werd uitgelaten.
‘Blijven Marcella en ik altijd vriendinnen?’ vroeg Anouk.
Het schuifje maakte opnieuw een rondje over het bord en schoof ineens met een wilde beweging naar “NO.”
‘Nou, wie doet dat?’ zei Marcella, terwijl ze de groep rondkeek. ‘Dit is echt lullig!’
Het schuifje begon ruw heen en weer te schuiven tussen “YES” en “NO”. Plots begonnen de lichten te flikkeren en iedereen keek elkaar geschrokken aan.
‘Ik kan niet meer loslaten!’ gilde Anouk in paniek. In slechts één seconde veranderde alles in een chaos. Vanuit het niets begon de radio hard te spelen en het licht sneller te knipperen. De televisie sprong aan en uit. Aan en uit. Aan en uit.
‘Ik zit ook vast!’ riep Marcella bang.
Het feest viel stil en iedereen probeerde zo snel mogelijk het huis te verlaten, zonder zich verder over de vier spelers te bekommeren.
Hoewel de aantrekkingskracht van het schuifje bleef, lukte het één van de jongens om zichzelf los te rukken. Onmiddellijk werd hij met een enorme kracht door de kamer geslagen. Ergens vloog er een rij bloempotten van een plank en belandde met veel kabaal op de grond. Iedereen rende door elkaar en probeerde voor zichzelf een uitgang te vinden. De temperatuur in de kamer begon snel te dalen en héél even werd van iedereen de adem zichtbaar, alsof dit tafereel zich op een ijskoude winterdag voltrok, in plaats van op een prachtige zomeravond. De jongen die het bord had losgelaten rende naar de openstaande deur. Precies op het moment dat hij erdoor was, sloeg de deur met een luide klap dicht. Buiten begon de jongen hysterisch te krijsen.
Met veel pijn en moeite wisten Marcella en Anouk zich ook los te rukken van het bord. Tegelijkertijd vielen alle lichten uit en explodeerden er in de keuken en woonkamer overal lichtpeertjes. Er vloog een vitrinekast tegen één van de muren aan, waardoor overal glassplinters in het rond vlogen. De woonkamer en de keuken lagen bezaaid met scherven. Iedereen rende in paniek ergens anders naar toe. Het beeldscherm van de flatscreen televisie smolt weg, waardoor het plastic in taaie draden op de vloer droop. Vanuit de keuken vlogen borden en kopjes de kamer in en raakten verscheidene gasten tegen het hoofd. Met bebloede gezichten probeerden de laatst overgeblevenen een uitweg te vinden.
Anouk en Marcella keken verdwaasd naar het schouwspel om hen heen, toen hun aandacht ineens getrokken werd door een krassend geluid. Ze keken achterom en zagen hoe de eetkamertafel wild begon te schudden. Plots kwam de tafel los van de vloer en begon langzaam te zweven. Eenmaal in de lucht begon de tafel om zijn as te draaien, steeds sneller en sneller.
Doodsbang renden Anouk en Marcella naar de voordeur en probeerde deze wanhopig te openen, maar de deur zat muurvast. Toen leek al het geluid om hen heen weg te sterven. Gealarmeerd door het vreemde vacuüm waarin ze zich opeens leken te bevinden, keek Anouk opnieuw achterom. Ze zag nog net de zware, eikenhouten eettafel met grote snelheid op haar en Marcella afkomen. Pijlsnel draaide ze zich om. Ze wilde Marcella waarschuwen, maar er was geen tijd meer. De tafel sloeg met een enorme klap tegen haar rug. Alles om haar heen kleurde zwart.

Voorproefje: Geestverwanten – Hilda Spruit

Hoofdstuk 4

Een mooi rondje

‘Ben je niet goed wijs of zo,’ protesteert Fenneke. ‘Heb je het dan niet gehoord van Lara en Carlijn?Die hebben…’

‘Ja, ja, Lara en Carlijn,’ onderbreekt Anouk haar en ze grijnst. ‘Die stomme buurtrutjes vanjou kijken allebei nog onder hun bed voordat ze gaan slapen. Schei toch uit. Zullen we eens een mooi rondje knutselen, Merthe?’

‘Ik vind alles best,’ zegt Merthe, ‘als ik maar antwoorden krijg.’ ‘Goed zo.’ Anouk loopt naar de keuken en trekt een schaar uit de la. ‘Nu nog pen en papier,’ commandeert ze Fenneke.

‘Ik ben het er echt niet mee eens, hoor,’ laat Fenneke weten. ‘En als jullie dit zo nodig moeten doen dan pakken jullie het zelf maar.’

Een kwartier later liggen alle letters, de cijfers van nul tot en met negen, en de woorden ja en nee in een gerangschikte cirkel op tafel. Anouk knikt voldaan. ‘Heb je een paar kaarsen en een glas?’ vraagt ze aan Fenneke.

‘Heb je dit wel eens eerder gedaan dan?’

‘Doe nou toch niet zo schijterig, Fen,’ zegt Anouk. ‘Schijterig?’tettert Fenneke. ‘Ik heb pas geleden nog een verhaal gelezen over een jongen in Amerika die dat achterlijke spel heeft gedaan. Die is wel mooi bezeten geraakt van een of andere geest en hij heeft toen zijn ouders en een paar klasgenoten neergeknald.’

‘O ja?’ vraagt Merthe.

‘Kap er nou mee, Fen,’ zegt Anouk pinnig. ‘Dat zijn allemaal stomme verhaaltjes. Gaan we Merthe nou helpen of niet?’

Merthe schuift haar stoel wat dichter naar de tafel. ‘Misschien moeten we gewoon beginnen,’ zegt ze.

Mokkend sjokt Fenneke naar het dressoir. In het voorbijgaan trekt ze het gordijn een stukje opzij en werpt een blik op het woonhuis, alsof ze hoopt dat daar nog redding vandaan zal komen. Maar de lichten zijn al uit.Het verhaal van Lara en Carlijn zit haar helemaal niet lekker, maar misschien heeft Anouk wel gelijk.

Een voor een zet Fenneke de kaarsen en het glas voor Anouks neus. Ze pakt een aansteker uit de la onder de tafel en gaat tegenover de anderen zitten. Anouk zet het glas met de open kant naar boven midden in de cirkel van papiertjes. Zwijgend kijkt Fenneke toe hoe Merthe de vier kaarsen aansteekt en links en rechts naast de cirkel zet.

‘Lekker creepy, hè?’ grinnikt Anouk.

Fenneke kijkt haar vernietigend aan. ‘Begin nou maar.’

‘Oké,’ zegt Anouk en ze legt haar armen op tafel. ‘Pak elkaars handen vast.’

De meisjes leggen de handen in elkaar en richten hun ogen strak op het glas. Het is doodstil.

‘Geest, bent u daar?’ vraagt Anouk.

Fenneke durft nauwelijks te ademen. Haar hart bonkt zo hard dat ze bang is dat de anderen het kunnen horen. Ze wil haar han- den wegtrekken, maar Anouk en Merthe verstevigen hun greep.

‘Geest, kom in ons midden, kom in het glas.’ Anouk blaast zachtjes in het glas en knikt naar Merthe. Ook Merthe blaast in het glas en Fenneke volgt aarzelend. Voorzichtig draait Anouk het glas om. Ze legt haar wijsvinger op de onderkant enFenneke en Merthe doen hetzelfde.

‘Zit er een geest in dit glas?’ vraagt Anouk. Gespannen wachten ze af, maar er gebeurt niets.

‘Laten we er maar mee stoppen,’ zegt Fenneke. ‘Het lukt toch niet.’

Net als ze haar vinger van het glaswil halen, begint het te schuiven. Verbaasd bewegen de meisjes mee, terwijl het glas langzaam naar het briefje schuift waar JA op geschreven staat. ‘Wow,’ fluistert Anouk.

Fenneke begint nerveus te giechelen. ‘Jullie duwen het.’ Ze trekt haar hand terug en slaat haar armen over elkaar. Maar dan begint het glas weer te schuiven en glijdt naar het woordje NEE.

Anouk en Merthe kijken elkaar verbaasd aan.

‘Deed jij dat?’ ‘Nee, jij?’

Anouk schudt haar hoofd. ‘Wie bent u?’ Het glas verroert zich niet.

‘Kom op, Fen, zonder jou gebeurt er niets. Doe weer mee,’dramt Anouk.

Met tegenzin legt Fenneke haar vinger terug op de bodem en direct begint het glas weer te schuiven.

‘Nu gaat het gebeuren,’ verzekert Anouk. ‘Weet je al wat je gaat vragen,Merthe?’

Het boek is in iedere boekhandel verkrijgbaar voor € 16,95 (paperback)

Wil je een hardcover (€ 18,95) aanschaffen, of een gesigneerd paperback exemplaar, stuur de auteur, Hilda Spruit, dan even een pb. Ik heb gehoord dat de auteur het boek in de maand december zonder verzendkosten door heel Nederland verstuurt,gesigneerd en wel en verpakt in een mooie doos met flyers en boekenleggers van allerlei auteurs

Voorproefje: Bloeddorst- Mark van Dijk

HOOFDSTUK 2

Ze stapten in haar auto en reden over de provinciale weg richting Wassenaar. Jack was benieuwd waar ze naar toe gingen, maar kreeg niet de kans om dat te vragen, want Sylvia had over iedere bocht die ze maakten wel iets te vertellen. Ze namen het rotonde driekwart en daar ging ze weer.
‘Hier was vroeger een schitterend hertenkamp, met allerlei dieren. Vooral herten, die zag je toen nog niet zoveel.’
‘Oh.’
Bovenaan de heuvel draaide ze de Cantineweg op, een smalle landweg die langs de rand van de duinen liep en de scheiding vormde tussen nieuwbouw en duin. Onverstoorbaar praatte ze verder. Jack overwoog even om zijn vingers in zijn oren te steken, maar herinnerde zich net op tijd de belofte aan zijn vader.
‘Ik zie dat de oprukkende nieuwbouw hier ook al woekert als onkruid. Ach, zo is er weer een karakteristiek stukje Katwijk verworden tot niet meer dan een willekeurige jeugdherinnering.’
‘Het zal wel.’ Zou hij een grapje maken over haar zenuwtrek? Nee, beter van niet.
‘Het zal wel? Dit waren voorheen prachtige landerijen. Huizenbouw is haast even vernietigend als k… Oh, we zijn er.’ Ze parkeerde de auto halverwege aan de zijkant van de weg, tegen de duinen. Beiden stapten tegelijk uit.
‘Hier is het!’ riep ze. Triomfantelijk overhandigde ze Jack de zaklamp, die ze zojuist uit het dashboard had gehaald.
Jack nam aarzelend de lamp aan. ‘Wat moeten we hier nou doen? Ik dacht dat we naar een film ofzo zouden gaan?’
‘Nee,’ zei ze, terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Ik vroeg of je van oorlogsfilms hield.’ Ze knipte haar eigen zaklamp aan en uit, om te kijken of hij het deed.
‘Wat heeft dat dan met de duinen te maken?’
‘Dat zal ik je zo laten zien.’
Samen liepen ze de duinen in, het schelpenpad op. Het was rustig. Op Jack en Sylvia na, was er verder niemand te bekennen. Voor hen uit schoot een klein, bruin konijn weg van het pad. Het diertje sprong geschrokken in het groen achter het prikkeldraad. Een wit huppelstaartje verried waar het zich verscholen hield.
Al na een paar meter stond Jack even stil en ademde diep in. Hij rook die karakteristieke, frisse duinlucht, die alleen nóg lekkerder kan ruiken na een regenbui. Het begon al zachtjes te schemeren en naast zich hoorde hij een aantal krekels die in het helmgras voorzichtig begonnen te tjirpen. Opeens twijfelde hij of het wel een goed idee was om met een vreemde vrouw, waar hij eigenlijk alleen haar naam van wist, de duinen in te gaan. Maar zijn vader vertrouwde haar, dus moest hij dat ook maar doen. Hij trok een korte sprint, zodat hij weer naast haar kwam te lopen. Ze volgden het paadje tot ze voor een tweesprong stonden.
‘En nu?’ vroeg Jack.
‘Nu gaan we linksaf en lopen we door tot we aan onze linkerhand bunkers zien.’
Meteen stond Jack stil en staarde zijn oppas met grote ogen aan. ‘Echt waar? Zijn daar echte bunkers? Uit de oorlog?’ vroeg hij.
‘Echte bunkers, uit de tweede wereldoorlog,’ beaamde ze. ‘Ik kan niet geloven dat je nog nooit met je vader door de duinen hebt gewandeld. Dit is zo’n mooi gebied. Dan had je ze zelf al veel eerder zien liggen.’
‘Mijn vader heeft weinig tijd. Als hij tijd heeft, dan wil hij liever ontspannen en lekker op het strand liggen.’
‘Het zal inderdaad niet meevallen om een eenoudergezin draaiende te houden,’ zei ze meer tegen zichzelf dan tegen Jack.
‘Kunnen we gewoon bij die bunkers naar binnen?’ vroeg Jack hoopvol.
‘Dat kan. Er zijn er heel veel dichtgegooid met puin, maar er zijn er ongeveer evenveel waar we nog gewoon in kunnen. Dat is niet overal meer zo, maar hier gelukkig nog wel, voor zolang het nog duurt, tenminste. Het enige wat we nodig hebben is dit.’ Triomfantelijk liet ze een klein zaklampje zien, dat ze al die tijd in haar hand verscholen had gehouden en zwaaide ermee voor zijn neus. Jack begon onmiddellijk te grijnzen.
‘Waarom zijn hier toen eigenlijk bunkers gebouwd?’ Jack keek haar nieuwsgierig aan en zag dat Sylvia het een stomme vraag vond.
Ze haalde haar schouders op. ’Dat vonden de Duitsers een goede strategische plek.’
‘Wat was er dan strategisch aan?’
Sylvia zuchtte geïrriteerd. ‘Ze verwachtten vanuit zee te worden aangevallen door onze bondgenoten, daarom leek een kustlijn vol bunkers en een grote, dikke muur hen de beste verdediging. Op deze manier hebben de moffen bijna de hele kust van West-Europa bedekt, van Noorwegen tot Spanje aan toe.’
‘Een hele muur langs de zee?’
‘Nee, de Atlantikwall liep niet aan één stuk door. Het concentreerde zich op strategische punten en na de invasie van Normandië hebben ze de bouw zelfs grotendeels stilgelegd.’
‘Ligt die dikke muur hier ook?’
‘Ja.’
Jack liet de informatie op zich inwerken en keek Sylvia ondertussen bewonderend aan. Ze wist blijkbaar erg veel over de tweede wereldoorlog, of ze kon snel dingen verzinnen. Maar ze had jammer genoeg weinig zin om er over te vertellen. Dan had ze hem maar niet hiernaartoe moeten nemen, vond Jack en waagde zich nog aan een laatste vraag. ‘Kunnen we straks ook bij die muur kijken?’
‘Als we tijd hebben wel.’
Het viel hem op dat haar linkeroog weer heftig knipperde. Bovendien werd het erger naarmate ze dichter in de buurt van de bunkers kwamen. Waar zou ze toch zo zenuwachtig voor zijn? Misschien mocht ze niet meer in de duinen komen? Misschien had ze hier wel eens iets stoms gedaan? Brand gesticht of zoiets. Dat zou best kunnen. Hij had ooit eens met Tim per ongeluk een houten speelhuisje in brand gestoken. Het was nooit de bedoeling geweest om het hele huisje plat te branden, ze wilden alleen maar een openhaardvuur maken in de hoek. Net als zijn vader thuis ook altijd deed. Dat was zo gezellig. Maar ineens was de muur in brand gevlogen en konden ze het niet blussen, omdat ze geen water hadden. De beheerder van de speeltuin was woedend geweest. Ze mochten na het ongeluk nooit meer terugkomen. Ze waren verbannen voor het leven, had zijn vader hem verteld. Wat niet helemaal eerlijk was geweest, want zijn vaders verzekering had een flinke vergoeding aan de beheerder betaald, die daarvan toen een veel mooier huisje had gekocht.
Misschien was dit ook wel zoiets en was ze daarom zo zenuwachtig? Tenzij ze iets met hem van plan was? Ze waren hier per slot van rekening helemaal alleen. Het onbehaaglijke gevoel groeide met iedere stap, tot hij zelfs een beetje bang begon te worden.
‘Wat gaan we daar ook alweer precies doen?’ vroeg hij voorzichtig. Ondertussen hield hij haar scherp in de gaten en zag Jack dat er heel even een geïrriteerde frons op haar gezicht verscheen door al zijn vragen.
‘We gaan daar gewoon even kijken,’ klonk het toch nog redelijk vriendelijk.
‘Maar het wordt steeds donkerder en we hebben maar twee zaklampen bij ons. Zitten er wel nieuwe batterijen in? We zijn daar helemaal alleen,’ wierp Jack tegen.
‘Kom nou maar mee. We zijn er bijna. Ik weet zeker dat je het leuk zult vinden.’
‘Hoe weet je dat nou zo zeker? Je kent me nog maar net.’
Hij zag haar rustige uitstraling als sneeuw voor de zon verdwijnen, haar ogen werden koud en fel en haar gezicht nam ineens scherpe lijnen aan.
‘Hou nou eens op met dat gezeur en stel niet de hele tijd van die stomme vragen! Je doet alsof je simpel bent! We gaan gewoon…’
Haar stem klonk ineens vriendelijk en de scherpe lijnen in haar gezicht werden meteen zachter. ‘Oh, kijk! Daar zijn ze!’ riep ze opgelucht. Ze strekte haar arm en wees de duinheuvels in.
Al was het volle maan, Jack moest zijn ogen tot spleetjes knijpen om ook maar iets in de grauwe verte te kunnen zien. Hij zag in een duintop iets dat op een smalle, maar hoge opening leek. Bovenop een andere heuvel stond nog zo’n stenen gleuf. Deze was nog slechter te zien, doordat de stenen verscholen lagen achter talloze struiken duindoorn. Maanlicht weerkaatste op de oranje besjes en gaven de heuvel bijna iets feestelijks, maar verder was er niets van de betonnen oorlogsmonumenten te zien.
Sylvia stapte over de lage, houten paaltjes waar prikkeldraad overheen gespannen was.
‘Dit zijn waarschijnlijk niet de beste schoenen om de duinen mee in te gaan,’ zei ze toen de hakken van haar rode pumps tot de zool in het zand zakten.
Jack hoorde het niet, hij was al een paar meter voor haar uit het dalletje in gerend. Op zijn hoede, maar opgejaagd door zijn nieuwsgierigheid, wachtte hij ongeduldig op haar.
Ze stapten samen door een kaal zanddalletje omhoog en ontweken zoveel mogelijk de stekelige duindoorn met zijn zachtgroene bladeren en vlijmscherpe doornen. Jack herkende de struik uit “Wat vind ik in de duinen”, dat boekje dat hij ooit eens van zijn vader had gehad. Hij had er maar een handvol planten uit kunnen onthouden. De rest was gewoon een plant. Boven op de heuvel aangekomen moesten ze nog een meter of tien door helmgras en over een tapijt uitgebloeide witte duinroosjes en andere duinflora, die om de beurt opdoemden in het schijnsel van de zaklamp. De schemer had intussen definitief verloren van de invallende nacht en in het zachte maanlicht kon Jack nog net de contouren onderscheiden van de bruine bakstenen gang die achter een ruim twee meter hoge sleuf schuil ging. Aangekomen bij de stenen sleuf, zag hij dat Sylvia zenuwachtig om zich heen keek voordat ze hem de bunkeringang introk.
Met grote ogen van verbazing liet hij zich meevoeren. De sleuf was ongeveer vijftien meter lang en anderhalve meter breed. Tussen de muren lag zand, met hier en daar een verdwaald polletje gras. In het midden van de sleuf waren aan weerszijden twee deuropeningen. Jack bekeek de openingen en zag de grote, stenen kamers die erachter lagen. Toen hij met zijn zaklamp de kamer in scheen, zag hij dat er aan het eind nog meer kamers aan vast zaten. Maar Sylvia bleef hem maar meetrekken en ze liepen de kamers gehaast voorbij. Met grote passen liep Sylvia voor hem uit en Jack deed zijn best om bij te blijven. Voordat hij er erg in had wandelden ze aan de andere kant de sleuf uit en stonden weer buiten. Vanaf die plek zag Jack dat er nog meer van dezelfde hoge sleuven her en der in de aangrenzende duinheuvels verspreid lagen. Sylvia stond even stil en leek zich te oriënteren. Jack maakte van de pauze gebruik om vlug weer naast haar te gaan staan. Hij vond de kolossale bouwwerken enorm indrukwekkend en wilde eigenlijk graag in de kamers rondkijken. Maar omdat ze steeds zo vinnig reageerde, durfde Jack dit niet voor te stellen.
Hij merkte dat Sylvia sneller begon te ademen en ze duwde hem nu voor zich uit. Ze daalden de heuvel af en uit het duister doemde er rechts van hem een vierkant blok beton op.
Het was overwoekerd met duindoornstruiken en hoog helmgras. Aan de zijkant groeide een flinke meidoorn. De witte bloemen aan de boom leken op te lichten in het donker en trokken even Jacks aandacht. Bovenop het blok beton lag een mat met half verdord gras, dat misschien nog wel uit de oorlog stamde. Daarmee was de bunker gecamoufleerd, zodat er vrijwel niets van te zien was.
Ze liepen behoedzaam om het grauwe blok beton heen, terwijl zich aan de achterkant een halve eeuw wildgroei openbaarde. Vol ontzag scheen Jack zijn zaklamp op de met planten begroeide trap, die, opgesloten tussen twee baksteenbruine muren, naar beneden leidde. Er groeide een kleine boom tussen een traptrede en de muur omhoog en de trap zelf was links en rechts met varens begroeid. Van onder naar boven liep een wirwar van dode takken en op iedere tree groeide een dikke laag mos. Bovenaan gedijde een grote boom. Zijn lange takken vol bladeren hingen precies boven het gat en verscholen met gemak het grootste gedeelte van de ingang. Er was slechts een klein, donker gat dat als doorgang kon dienen.
‘Gaan we hier naar beneden?’ vroeg Jack opgewonden.
‘Dat is het plan, lijkt je dat niet spannend?’
Even twijfelde Jack, maar nu hij dit allemaal gezien had, waren zijn eerdere huiveringen geen enkele partij meer voor de nieuwsgierigheid die hem nu volledig in zijn greep had. Toen zijn avontuurlijke besluit eenmaal vaststond, bedacht hij zich ook geen moment meer en liep haastig naar de trap. ‘Mag ik eerst?’
‘Vooruit dan, maar let goed op. Het kan glad zijn.’
Jack stapte over een grote tak, die voor de trap lag en zocht voorzichtig met zijn schoen de eerste tree. Zodra hij zijn gewicht erop zette, hoorde hij het zompige geluid van nat mos. Sylvia volgde hem en terwijl Jacks ene hand steun vond bij de koele muur, greep zijn andere hand de overhangende takken van de boom vast. Behoedzaam zette hij zijn ene voet voor de andere op de glibberige treden. Bezorgd keek hij achterom en zag Sylvia’s opgewonden blik en gloeiende wangen. ‘Je pakt me toch wel op tijd vast, als ik uitglijd?’ Zonder op antwoord te wachten zette hij zijn voet op de volgende tree en zocht opnieuw naar houvast tegen de muur. Hij was benieuwd hoe het er beneden uitzag. Misschien lagen er nog dingen uit de oorlog.
Op dat moment gleed zijn voet van de mossige tree en viel hij achterover tegen Sylvia aan. Onvoorbereid op wat er gebeurde, greep ze hem te laat vast en onmiddellijk schoof hij de laatste treden hard naar beneden. Van schrik gaf hij een luide schreeuw, maar die hield abrupt op toen zijn achterhoofd met een harde klap op de rand van een tree terecht kwam.